R.-K. vromen over de mystiek
Iemand die inzicht wil krijgen in wat de r.-k. schrijvers verstaan onder ascese en mystiek, raad ik aan te lezen: "Kort begrip der ascetische en mystieke theologie" door Ad. Tanquerey (Doornik - België 1947, slechts antiquarisch verkrijgbaar).
1e God is het, die de ziel tot de beschouwing roept, want, zoals al de mystieken zeggen, is zij uit haar aard onverdiend, een uit welwillendheid geschonken gave. Dit leert Theresia van Avila, die dit gebed meermalen bovennatuurlijk noemt. In het tweede verslag aan P. Rodrigo Alvarez, verklaart zij dit woord op de volgende wijze: Ik noem bovennatuurlijk datgene wat noch door vlijt, noch door welke inspanning ook kan verkregen worden.
Hoeveel moeite men zich ook geve, men zal er niet toe komen, indien men door Gods goedgunstigheid er niet toe verheven wordt.
Dit leert Joannes van het Kruis eveneens. Hij onderscheidt twee methoden, de ene actief, de andere passief. Van de laatste, die de eigenlijke beschouwing is, zegt hij: in deze heeft de ziel noch eigen initiatief, noch eigen werkzaamheid; God werkt in haar, terwijl zij zich lijdelijk houdt.
2e Ook is het God, die het uur en de wijze der beschouwing, evenals haar duur bepaalt. Hij alleen toch brengt de ziel in de passieve of mystieke staat, door beslag te leggen op haar vermogens, om in en door deze te handelen, onder vrije instemming van de wil: men zou hier kunnen spreken van een inbezitneming door God. God is meester van Zijn gaven, Hij beschikt er dus over, wanneer en gelijk Hij verkiest.
3e Bij de beschouwing toont Gods werking zich in wat de mystieken het subtielste, het verhevenste, het innigste der ziel, het hoogste van de wil noemen. Met deze uitdrukkingen willen zij te kennen geven alwat in het verstand en de wil het verhevenst is; dus het verstand, niet in zover het redeneert, maar in zover het de waarheid met een enkele blik, onder de invloed van de hogere gaven van verstand en wijsheid, omvat; en de wil, in zijn meest eenvoudige akt, welke bestaat in het beminnen en smaken der goddelijke dingen.
4e God stort ook een onuitsprekelijke liefde in de ziel: Hij doet haar als bij intuïtie begrijpen, dat Hij en Hij alleen het hoogste Goed is en zo trekt Hij haar tot Zich. krachtig, onweerstaanbaar, gelijk de magneet het ijzer aantrekt, zonder nochtans haar vrijheid geweld aan te doen. Dan streeft de ziel naar God met al het vuur waarmee zij tot het geluk wordt aangetrokken, maar toch in volle vrijheid, omdat dit schouwen, nog altijd duister, haar niet dwingt.
Vrij laat de ziel zich aangrijpen en bewegen door God, gelijk het kind zich met vrije, blijde inwilliging in de armen van zijn moeder laat wegdragen. De ziel is tegelijk passief en actief.
Bevindelijk?
U zult gemerkt hebben dat u in deze lektuur heel andere termen tegenkomt dan de protestanten van de bevindelijke richting gew end zijn te gebruiken. Toch komen de termen soms ook dicht bij elkaar. Luister maar:
In deze staat verschijnt God onder een nieuwe gedaante, als een levende werkelijkheid, die men achterhaalt door een soort proefondervindelijke kennis, in geen mensentaal uit te drukken. Het is niet meer door redenering van het bijzondere tot het algemene of omgekeerd, dat men God kent, maar door louter zien. Dit zien is nochtans de klare aanschouwing Gods niet; het blijft duister en is als een tasten naar God, die ons Zijn tegenwoordigheid en gunsten doet gevoelen en smaken.
Niemand heeft wellicht beter deze proefondervindelijke kennis beschreven dan Bernardus: "Welzalig diegene in wie Hij woont, gelukkig hij, die voor Hem leeft en door Hem is bewogen! Doch daar Zijn wegen onnaspeurlijk zijn, vraagt gij mij, hoe ik Zijn tegenwoordigheid heb kunnen kennen. Wijl Hij vol leven en kracht is, wekt Hij, nauwelijks aanwezig, mijn sluimerende ziel; Hij beweegt. Hij kneedt. Hij kwetst mijn hart, dat zo ziek is en zo ongevoelig als een steen. Hij begint met uit te trekken en neer te slaan, met te bouwen en te planten, met te besproeien wat dor is, met te verlichten wat in duisternis verkeert, met te openen wat gesloten, met te verwarmen wat koud, met recht te buigen wat krom, met gelijk te maken wat oneffen is, zodat mijn ziel de Heere zegent en alwat in mij is zijn Heilige Naam verheft. Wanneer de goddelijke Bruidegom tot mij komt, doet Hij Zijn tegenwoordigheid niet opmerken door uitwendige tekenen, door het geluid Zijner stem of het gedruis Zijner voetstappen. Niet aan Zijn bewegingen, niet door mijn zinnen erken ik Zijn aanwezigheid, doch, gelijk ik reeds gezegd heb, alleen door de invloed die mijn hart ondergaat. Wanneer ik de afschuw voor de zonde en voorde zinnelijke genegenheden ondervind, dan erken ik de macht Zijner genade; wanneer ik mijn verborgen fouten ontdek en verfoei, bewonder ik de diepte Zijner wijsheid; wanneer ik mijn leven hervorm, ondervind ik Zijn goedheid en zachtmoedigheid. De inwendige hernieuwing, die hierop volgt, toont mij Zijn onvergelijkelijke schoonheid. De ziel die het Woord beschouwt, gevoelt aldus èn Zijn tegenwoordigheid èn Zijn heiligende werking."
Dikwijls bemint de ziel veel meer dan zij kent. Dit is de seraphische beschouwing, in tegenstelling met de cherubijnse. waarbij de kennis meer op de voorgrond treedt. Daarom kunnen wij God beminnnen, zoals Hij in Zichzelf is, hoewel ons verstand hierbeneden Zijn innerlijke natuur niet ontdekt. De duisterheid zelve, waarin God Zich hult, draagt er zelfs nog toe bij om onze liefde tot Hem te verlevendigen en om zijn tegenwoordigheid nog vuriger te wensen. De mystieke, die God niet kan zien, overschrijdt, door een vervoering van zijn hart, het geheim, dat hem Gods aanschijn omsluiert, en hij bemint God in Hemzelf, in zijn oneindig wezen.
Deze beschouwing blijft onuitsprekelijk. Het is niet in woorden uit te drukken, wat men gezien en ondervonden heeft, zoals de mystieken eenstemmig bekennen. "Het is voor de ziel onmogelijk haar te onderkennen, haar een naam te geven, zegt
Joannes van het Kruis. Trouwens de ziel heeft er volstrekt geen lust toe en zou ook geen vorm of wijze of vergelijking kunnen vinden om een zo verheven kennis, een zo subtiel geestelijk gevoel verstaanbaar te maken. Al zou de ziel het hevigst verlangen gevoelen om enige uitleg te geven, en uitleg op uitleg geven, het geheim zou altijd even onverklaard blijven.
Besluit. Uit het voorgaande blijkt, dat het essentieel bestanddeel der ingestorte beschouwing bestaat in de lijdelijkheid, zoals wij die beschreven hebben. De ziel wordt geleid, beïnvloed, bewogen, bestuurd door de Heilige Geest, niet door zichzelve, zonder nochtans haar vrijheid of werkdadigheid te verliezen.
Opmerkingen
Deze citaten zijn genomen uit blz. 889-899 van het boek van Tanquerey. Nog twee opmerkingen:
In het boek tref je toch ook weer telkens de roomse dwalingen aan. Zo bv. op p. 890 waar de schrijver zegt dat deze innige (mystieke) vereniging met God niet verdiend kan worden, "want strikt verdienen kunnen we alleen datgene wat God onder het bereik der verdienste heeft willen stellen: de heiligmakende genade en de eeuwige glorie". Hoewel ik bij deze grote r.-k. vromen voortdurend lees over het onverdiende karakter van deze eenheid met God, toch mis ik ook bij hen dat klare, reine Evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze enkel op grond van de toegerekende gerechtigheid van Christus zoals we dat bv. zo prachtig geformuleerd vinden in onze belijdenisgeschriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
