ONTMOETINGEN 30
24 oktober 1987
Omdat ik bang ben steeds dieper in het kleine kringetje van mijn eigen gedachten te verdwalen, ga ik het een en ander op papier zetten.
Ik voel me wel een aansteller en ik vind zelf dat ik gewoon flink moet zijn, maar daarmee ben ik niet geholpen. Op het ogenblik kom ik er zelf niet uit en ik voel dat het gevaarlijk wordt als het op deze manier doorgaat.
Ik lig al een hele tijd met mezelf overhoop. Ik zie heel goed wat er bij mezelf anders zou moeten worden, maar het wórdt niet anders. Alle levensmoed ontbreekt me.
Op alle terreinen voel ik me falen en faal ik ook. Ik kan mijn werk niet meer aan en heb er geen fut voor.
Toch ligt de oorzaak niet in mijn werk. Ik heb nu vakantie en ook nu ontbreekt me elk stukje levenslust. Zelfs de allerfijnste dingen zeggen me weinig of niets.
Ik voel dat er iets moet gebeuren. Zo lusteloos en zwaarmoedig kan ik niet blijven. Ik heb zin om mijn egoïsme steeds meer uit te leven. Het goede weiger ik te doen. Waarom zou ik? denk ik dan.
Het liefste wat ik doe, is slapen, slapen en alles vergeten. Maar de volgende dag moet ik er wel weer uit, omdat het zo nodig moet. Ik zie mijn taak niet meer. En ik zie God helemaal niet.
Soms denk ik wel dat ik geloven mag dat ons niets bij geval overkomt en dat het de bedoeling van de Heere is dat we met alles bij Hem uitkomen. Even licht dan alles weer op, heel even slechts, want als ik dan weer geconfronteerd wordt met mezelf, mijn karakter (dat echt niet eenvoudig is en waar ik mijn hele leven lang al mee overhoop lig), mijn beperktheden, mijn falen, dan kan ik dat niet meer geloven. Ik ben in mezelf gekeerd, onhandig, onvriendelijk.
Donderdag 29 oktober. Nog steeds weet ik niet waar ik goed aan doe: doorgaan met schrijven of stoppen.
Lichamelijk ben ik gezond. Een stem in me zegt: je wilt niet, en het is nog waar ook. Maar waarom zou ik? Het is toch niks waard wat ik doe. Het is allemaal verkeerd, ik weet het, maar het is niet anders.
De artikelen in IRS van vorig jaar over de verloren zoon spraken me erg aan (ook nu nog wel), maar het ontbreekt mij nu aan het opstaan. Ik zie wel de puinhoop, maar het brengt mij niet tot de Heere.
Ik heb geantwoord dat het beter zou zijn dat we daarover samen zouden doorpraten. Dat is gebeurd. Mijn advies was: ga naar een christen-psychiater of -psycholoog Het gevolg?
9 april 1988. Waarom ik zo lang gewacht heb met u te schrijven, nadat ik begin december bij u ben geweest?
Ik denk dat het komt, omdat ik voor m'n gevoel niet in woorden kan uitdrukken, hoe ik me nu voel. Er is zóveel veranderd, ik heb zóveel te schrijven (en te vragen) dat ik niet weet waar te beginnen.
Ook nadat ik bij u geweest was, ging het al met al slechter met me. De volledige luste-, moede-, machteloosheid duurde voort. Het werd alleen nog maar erger.
Verstandelijk wist ik dat de Heere alle macht heeft en dat er geen hopeloze gevallen voor Hem zijn. Dat hield me van de ene kant nog een beetje vast, aan de andere kant werd ik steed onverschilliger. Ik ging vluchten in de slaap. En slapen kón ik! Elk moment van de dag.
Mijn onverschilligheid maakte me innerlijk helemaal stuk, wanhopig. Geen greintje liefdegevoel bleef er in mij over. Compleet eenzaam voelde ik me, ik was geen mens meer, totdat…
Half januari ben ik dan toch maar naar een christen-psychiater gegaan. Ik kreeg toen van hem, na een aantal gesprekken, medicijnen voorgeschreven.
Dat zag ik helemaal niet zitten. Letterlijk zei ik tegen hem: "Denkt u nou dat er in zo'n klein tabletje dat ik tot mij neem, liefde, vreugde, levenslust, gevoel, medelijden, organisatie- en improvisatievermogen zit?"
Toch heb ik de medicijnen genomen (slechts één per dag, terwijl de uiteindelijke gemiddelde dosis ongeveer zes per dag is). En … binnen drie dagen was ik een compleet ander mens!!!
Niemand kan begrijpen hoe ik dat ervaren heb. Alles juichte en jubelde in me. Ik kon blij zijn, ik had lief, ik vond (vind) het een vreugde om naar mijn werk te gaan. Ik kon weer spontaan vertellen. En … ik kan ook weer verdrietig zijn, ik heb weer mijn zorgen, ik leef! Ik voelde dat ik zó mezelf kon zijn, ik voelde me niet meer zo onzeker, ik kon me weer echt geven aan de ander.
Ja, ook vooral met het feit dat ik weer mijn verdriet heb, bepaalde verlangens ken, gemis voel; daar ben ik zo blij mee.
U zult wel begrijpen dat ik in het begin erg bang was dat ik dit weer zou verliezen. Het was zo broos en nadat het al een week voortduurde, kon ik me niet voorstellen dat zo iets nog langer voor mij weggelegd kon zijn.
De Heere heeft een eenvoudig middel rijk willen zegenen. Nog steeds gebruik ik de medicijnen; heel langzaam zal het gebruik ervan worden afgebouwd. Ik ga ook nog regelmatig naar de psychiater.
Wat een wonder dat de Heere mij uit die vreselijke banden heeft losgerukt. Terwijl ik al niet meer om hulp vroeg, terwijl ik zonder gebed naar de psychiater ging, heeft de Heere tóch die weg willen gebruiken. De Heere gaf mij het leven, terwijl ik de dood verkoos. Wat een rijkdom weer liefde te kunnen geven. Dat wat voor mij onmogelijk was, heeft Hij mogelijk gemaakt!
En hoe nu verder? Ik ervaar zo heel sterk, dat hoe groot deze verandering in mijn leven ook is, er méér moet veranderen. De Heere is het waard om alle eer te ontvangen.
Ik heb zo heel sterk ervaren dat in mij geen goed woont. Het verlangen om het goede te doen, is er wel, maar met alleen dat verlangen kun je niet leven en sterven. Ik moet komen tot een volledige overgave aan de Heere. Dat weet ik zo heel zeker. U schreef dat ook in "Wat is geloven?".
Ik weet dat ik alleen in de Heere Jezus veilig ben en … ik zie Hem niet. Er is niet die verbrokenheid van hart, die je bij mij zou mogen verwachten; wel verwondering, maar geen verslagenheid. Als de Heere niet de Koning van mijn leven is en als Hij mij loslaat, ben ik morgen weer die openlijke vijand. Als mijn verstand gaat overheersen, geef ik weer God de schuld van alles.
Daar zit het bij mij toch zo op vast: niet komen tot een werkelijk buigen voorde Heere. Ik zie verstandelijk wel dat ik een zondaar ben, dat er niets in mij is wat naar de Heere vraagt, maar ik voel de schuld niet.
Aan de ene kant trekt de Heere en zou ik zo graag mijn leven in Zijn handen willen leggen en mij aan Zijn dienst willen wijden.
Aan de andere kant is er zo'n opstand in mij. Dan begrijp ik niets meer van God en kom niet tot de eerlijke belijdenis dat ik de eeuwige dood heb verdiend.
Wel overheerst de laatste tijd meer het verlangen om de Heere te kennen, maar die overgave aan Hem mis ik, en dan mis je toch eigenlijk alles. Althans zo ervaar ik het.
ANTWOORD 4 juli '88
Vanwege verblijf in Peru en vakantie en veel werk daarna kon ik je niet eerder antwoorden.
In de eerste plaats dan: wat was ik blij dat die medicijnen zo goed hebben geholpen en ook dat je achter alles de Heere bent blijven zien, die de medicijnen aldus heeft willen zegenen!
Hartelijk dank ook datje verlof gaf je brief en mijn antwoord te publiceren in IRS.
Om bij andere lezers van je brief misverstanden te vermijden is het wel goed eraan toe te voegen dat het bij jou duidelijk gaat om een depressieve toestand met een sterk lichamelijke basis, een zg. vitale depressie.
Bij mensen met een psychische depressie zullen medicijnen meestal niet of maar weinig helpen.
En vervolgens: deze psychiater heeft bij jou wel in de roos geschoten met het voorschrijven van de juiste medicijn (want er zijn verschillende medicijnen, die gebruikt kunnen worden bij de bestrijding van een depressie met lichamelijke basis). In de derde plaats: gewoonlijk begint zulk een medicijn pas na een dag of tien te werken. Bij jou ging het wel erg snel. Het lijkt wel op een wonder.
Wat betreft je vraag: hoe nu verder?
Antwoord: door op Jezus te zien! Al het andere waarover je schrijft: verslagenheid des harten, toewijding enz. komt dan vanzelf.
Hoe kun je verslagen zijn vanwege je zonde, wanneer je de heiligheid Gods in Christus niet of nauwelijks ziet? Hoe kun je je aan Hem totaal toewijden, wanneer je niet ziet hoezeer Hij die toewijding verdient en hoe zalig het is om door die toewijding met en in Hem te mogen leven?
Vergeet niet: ALLES is genade. Ook de verbrokenheid des harten, ook de toewijding en de levensheiliging. Je bereikt dat niet door eigen inspanning. Het is de zon, die alles leven doet op aarde. Zonder kon kunnen de planten zich nog zozeer inspannen, maar dan zijn ze gedoemd om te sterven.
Zo kunnen wij ons nog zozeer inspannen om ons op te werken naar Christus toe, het blijft allemaal dood en doods in ons, als deze Zon der gerechtigheid (Mal. 4:2) niet over ons opgaat.
En hoe gaat die Zon over ons op? Vanuit de horizont van Gods Woord. Laat dat Woord Gods als een lichtje beschijnen. Koester je in dat licht. Geniet ervan in stilteen in vrede. Open je ziel ervoor door het gebed. Laat alle krampachtigheid varen. Vertrouw eenvoudig in de kracht van dat Woord, omdat het uitgeademd en doorademd is van de Heilige Geest. En die Geest zal je doordat Woord heen steeds meer Christus laten zien.
En als je dan Christus ziet in zijn volkomen liefde en reinheid, krijg je vanzelf steeds meer een afkeer tegen je 'vlees', want daar ontdek je dan precies het tegenovergestelde: liefdeloosheid en onreinheid.
Denk daar eens over na. Moge de vrede van de Heere steeds meer bezit van je nemen en je vullen met Zijn onuitsprekelijke vreugde!
DE TRADITIE, DA T BEN IK!
Men zegt - historisch staat dat niet helemaal vast - dat Pius IX die het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid erdoor heeft gedrukt, aan de bisschoppen die zich keerden tegen de afkondiging van het dogma met als argument dat dit in strijd zou zijn met de traditie, geantwoord zou hebben: "La tradition c'est moi = de traditie, dat ben ik!" Dat is dan een variant van het gezegde van de absolutistische Franse koning Lodewijk XIV: "L' état c'est moi = de staat, dat ben ik!".
Zakelijk heeft deze paus ditzelfde gezegd in zijn brief "Ecclesia Dei" over het schisma van mgr. Lefebvre. Hij verwijt de traditionalist Lefebvre dat hij een verkeerd begrip heeft van de traditie: "Men kan niet trouw blijven aan de traditie en tegelijk de kerkelijke band breken met diegene, waaraan Christus Zelf in de persoon van de apostel Petrus het ministerie van de eenheid in Zijn Kerk heeft toevertrouwd".
FOUT
De maker van de foto's van Efeze die wij in ons vorig nummer publiceerden, was niet Roland Sterkenburg, maar Roeland Stekelenburg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
