Zalig zijn de armen van geest
… want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Mat. 5:3)
Een van de grootste gevaren die de kerken en de afzonderlijke christenen bedreigen, is dat ze zich tot de geestelijke bezitters gaan rekenen. Wanneer aan deze zondige, diep-menselijke neiging wordt toegegeven, luidt dat tegelijk het begin van de geestelijke ondergang in.
Dat heeft de Heere dan wel heel duidelijk gemaakt in de brief aan de gemeente van Laodicea in Openb. 3:14-22.
Scherp tekent en veroordeelt hij die houding van de geestelijke zelfvoldaanheid: "Want gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan geen ding gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt".
Het gevolg van deze houding is de lauwheid. En het vonnis: "Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud zijt noch heet. Ik zal u uit Mijn mond spuwen".
Dat moet je maar als kerk gezegd worden door het heilige en heerlijke Hoofd, Jezus Christus! Niet: "Ik zal met hem avondmaal houden", hij mag aan mijn boezem rusten zoals Mijn geliefde leerling. Ik beschouw hem als mijn vriend aan wie Ik Mijn innigste verborgenheden toefluister door Woord en Geest. Maar: Ik walg van hem. Ik spuw die kerk of die afzonderlijke christen uit Mijn mond. Ik heb er een vieze smaak van.
Alleen Onze Kerk bevat de genaden!
Die zelfvoldaanheid kan zich gaan nestelen in de theologie, die een kerk is gaan huldigen.
Een heel duidelijk en afschrikwekkend voorbeeld is de Roomse Kerk. Die meent alles te bezitten. Ze hebben de zeven sakramenten, die niet slechts tekenen en zegelen zijn van Gods genadeverbond in Christus, maar die "de genade ook bevatten en meedelen". En die sakramenten produceren die genade krachtens eigen werkzaamheid (ex opere operato). Alleen de Roomse Kerk heeft de beschikking over die genadereservoirs.
Die kerk beweert dat ze in de paus mag bogen op de onfeilbare bijstand van de Heilige Geest. Christus zou in de paus aan die kerk gegeven hebben "het absolute leergezag en de absolute bestuurs- en rechtsmacht over alle christenen op aarde". Enzovoort, enzovoort.
Theologie als vleister van de kerk
Maar Luther heeft terecht gezegd: "Snij een uur na mijn dood mijn hart open en dan zul je daarin nog een paap aantreffen".
Elke kerk en elke afzonderlijke gelovige heeft altijd weer de neiging om zich tot de (geestelijk) bezittende klasse te gaan rekenen. Na het oorspronkelijke vuur van een reformatie of van een opwekking dat door de Heilige Geest verwekt was, ontstaat de trek om op eigen geestelijke lauweren te gaan rusten.
En de theologie die allereerst ancilla Domini (dienstmaagd des Heeren) moet zijn, verwordt dan tot een kruiperige vleister van de kerk.
Een harde kerk
Een kenmerk van de lauwheid van een kerk is dat zij geen kritiek duldt, ook al is die kritiek op de Schrift gebaseerd en ook al wordt ze met nog zoveel liefde naar voren gebracht.
Dan slaat zulk een kerk hard terug net als de groot-grondbezitters in Latijns Amerika. Zij betitelen zulke critici meteen als vurige communisten.
Zo hekelt ook een kerk die prat gaat op haar geestelijk grootgrondbezitten, de leden die haar tot de ootmoed van de Schrift willen terugroepen, als mensen die een gezond kerkelijk besef missen of erger: als ketters of althans als mensen die behept zijn met sectarische neigingen.
Wij zijn en blijven bedelaars
Zulk een kerk zal voortdurend wijzen op wat zij bezit. O ze zal - dat doet ook de Roomse Kerk - met een vroom en schijn-nederig hoofdje zeggen: Dat bezit hebben we uit genade verkregen.
Maar ik meen dat een van de grondstellingen van de Bijbel die door de Reformatie is herontdekt, luidt: We mogen nooit bogen op een geestelijk BEZIT. We mogen onszelf noch als afzonderlijke christen noch als kerk rekenen tot de geestelijk bezittende klasse. Wij zijn en blijven bedelaars voor God tot het laatste toe. Alles moet ons telkens weer van de Heere geschonken worden. We hebben niets in onszelf. Alle geestelijke rijkdom ligt buiten ons, in Christus. Ze is alleen van buiten af, door de Verbondsbelofte, ons eigendom. En dat eigendomsrecht in Christus kan slechts 'verzilverd' worden door het geloof.
Voortdurende afhankelijkheid
Een voorbeeld. Wij belijden het heilsfeit dat de Heilige Geest vanaf de Pinksterdag over de gemeente is uitgestort.
Maar dan dreigt het gevaar dat de kerk die Geest als een blijvend bezit gaat beschouwen, dat zij, bijna als de Roomse Kerk, over die Geest meent te kunnen beschikken.
Dat is echter in strijd met de beginselen van de Schrift en van de Reformatie.
Allereerst het beginsel van Gods soevereiniteit. Elke dag, elk uur, elk ogenblik zijn wij afhankelijk van God. Alles, ook ons leven, moet ons elk moment door God gegeven worden. Leven en gezondheid zijn geen zaken, die een zelfstandig bestaan hebben. Vervolgens is deze houding ook in strijd met het beginsel van de totale bedorvenheid van onze menselijke natuur. Elke seconde van de dag verlies ik het recht op Gods genade, het recht op de inwoning van Zijn Heilige Geest. "Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde" (Rom. 7:14).
De vastheid van Gods belofte
Wanneer wij dat belijden - en die belijdenis des harten moet ons ook door God uit genade geschonken worden - alleen dan kan God iets met ons beginnen. En dan wil Hij dat ook zeker. Want daarvoor staat Zijn stellige belofte garant:
"Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vaderde Heilige Geest geven aan hen die Hem bidden?" (Lukas 11:13).
Voor een zelfvoldane kerk is er geen toekomst. "Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen" (Zef. 3:12).
Ja, dat gaat altijd samen: besef van eigen armoede en ellende èn een vast vertrouwen op Gods goedertierenheid in Christus.
Wie meent geestelijk tot de bezittende klasse te horen, heeft er geen behoefte aan om zijn handen voor God open te houden. De Heere zal dan ook zulke handen niet vullen. Christus zal hem uitspuwen uit Zijn mond.
Een zware mond en een luchtig hart
Lezer(es), laat steeds weer alles uit uw handen slaan door de wet Gods, dan zal God naar u omzien. De Bijbel staat vol van beloften voor hen, die hun armoede en ellende voor God met een oprecht hart belijden. (Wantje kunt ook een mond vol hebben met de zwaarste woorden over de ellende van de zondaar, terwijl je hart daarbuiten staat). Ik citeer enkele van die beloften:
"Hij vergeet het geroep der ellendigen niet" (Ps. 9:13). "Deze ellendige riep en de Heere hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden". "De Heere is nabij de gebrokenen van hart en Hij behoudt de verslagenen van geest" (Ps. 34:7,19). "Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij" (Ps. 18:28). "Ik ben wel ellendig en nooddruftig, (maar) de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en Bevrijder" (Ps. 40:18).
De ellendige prijst Zijn Naam
Aan deze beloften kunt u uw hart ophalen. Als u niets, maar dan ook niets, hebt om de Heere aan te bieden, geen goed werk, maar ook niet een bepaalde graad van zondebesef, niets, niets, juist dan is de Heere u heel dicht nabij om u te helpen, om u op te heffen uit uw ellende, om u naaktheid te bekleden met de gerechtigheid van Zijn Zoon, om u te schenken "goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden" (Openb. 3:18). Loof dan de Heere: "Laat de ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen" (Ps. 74:21). "Wie is gelijk de Heere, onze God? Die zeer hoog woont, die zeer laag ziet. in de hemel en op de aarde; die de geringe uit het stof opricht (en) de nooddruftige uit de drek verhoogt" (Ps. 113:5-7).
De heilsWELDAAD van Pinksteren herhaalt zich
Pinksteren is op zichzelf een uniek en onherhaalbaar heilsFEIT. De Evangeliën wijzen telkens naar dat machtige gebeuren dat zich zal voltrekken, als de Heere is opgenomen in de hemel. "Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden" (Joh. 16:7).
Maar de heilsWELDAAD van Pinksteren moet en kan zich altijd weer aan ons opnieuw voltrekken.
Want wat wordt vanaf de Pinksterdag aan elke gelovige afzonderlijk en aan alle kerken tezamen beloofd? "Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest die over u komen zal en gij zult Mijn getuigen zijn" (Hand. 1:8).
Die kracht van de Heilige Geest die we nodig hebben om waarachtige getuigen van Christus te zijn in deze wereld, ontvangen we niet eens en voorgoed. Daar moeten we telkens opnieuw om bidden in een besef van volstrekte afhankelijkheid en van onze onwaardigheid.
Ieder heeft zijn boezemzonde
De boezemzonde (= een ingewortelde, vaak half gekoesterde zondige neiging) van de traditionele kerken, is het steunen op het eigen instituut en op strukturen en organisaties binnen dat kerkinstituut.
Gemakkelijk zeggen ze: Maar we hebben toch immers een evangelisatiecommissie en we vertrouwen erop dat die haar taak goed zal vervullen. We zorgen dat zij over voldoende financiële middelen kan beschikken en we bidden geregeld voor haar in onze kerkdiensten.
Zulke redeneringen gaan ongemerkt uit van een bezitsdenken. Ze kunnen een belemmering zijn vooreen leven uit ootmoedige afhankelijkheid van de Heere en van Zijn Geest.
Maar opwekkingsgroepen lopen het gevaar dat ze menen over de Heilige Geest te kunnen beschikken. Hun boezemzonde is het machtsdenken: We drukken maar op de knop van de belofte en de geschenken worden ons in de schoot geworpen.
De gearriveerde christen
In "Hoe leef ik met een genadig God?" schreef ik over de "gearriveerde christenen", waaronder ik ook hen reken die pronken met hun gaven van de Geest en zeggen: "Ik ben gedoopt in de Heilige Geest, dus sta ik ver verheven boven de 'gewone' christenen": "De gearriveerde christen is vol van zichzelf. Hij roemt in vele bezittingen. Hij behoort niet tot de 'armen van geest', die door Christus zijn zalig gesproken. Daarom is er in hem geen ruimte voor de Heilige Geest. De gearriveerde christen voedt zijn eigen 'vlees', hij koestert zichzelf in zondige eigenwaan. Hij bedroeft de Heilige Geest. Hij wordt door Christus uitgespuwd" (p. 216).
Tot slot deze bijbelse vertroosting, zoals verwoord in onderstaand vers:
Trooster! Zalver! Gij zult komen
op 't gebed door U verwekt!
Van Uw regens, van Uw stromen
wordt eens d' aarde gans bedekt.
Liefd' en ijver zullen blaken,
waar reeds alles scheen verkwijnd,
als de Pinksterzon verschijnt.
Noordenwind, o wil ontwaken!
Zuidenwind, doorwaai de hof!
Heil'ge Geest, U zij de lof!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
