Gloossa
Iemand belde mij op en vroeg namens een Bijbelstudiekring hoe volgens mij de glossolalie, waarover Paulus uitvoerig schrijft in 1 Kor. 14, moet worden verstaan. We hadden daar een boeiende gedachtenwisseling over. Wellicht zijn er ook heel wat abonnees van IRS, die daarin geïnteresseerd zijn. Vandaar:
Het Griekse woord 'gloossa' kan vertaald worden met 'tong' (als 'spraakorgaan') of met 'taal'. Het woord 'lalein' betekent 'spreken'. Ons woord 'lallen' komt daarvandaan, maar heeft uitsluitend een ongunstige betekenis.
De vraag die meteen rijst, is: Moet 'gloossa' worden weergegeven met 'tong' of met 'taal'?
De Staten Vertaling verstaat de glossolalie waarschijnlijk als een spreken in een bestaande, vreemde taal. Maar omdat de SV - en dat is de grote waarde van de SV nooit een eigen interpretatie in de vertaling wil leggen, drukt zij het woord 'vreemde' cursief af ten teken dat dit woord niet in de oorspronkelijke tekst staat.
Wanneer we de glossolalie verstaan als een spreken in een vreemde, bestaande taal, komen we voor allerlei moeilijkheden te staan. We noemen er enkele:
In 1 Kor. 14:2a staat: "Want die in een (vreemde) taal spreekt, spreekt niet de mensen, maar Gode". Prof. Dr. Grosheide tekent in zijn grote commentaar hierbij aan: "Men kan niet anders spreken dan met zijn tong en in een taal. Daarom moet 'gloossa' praegnant gebruikt zijn van de pneumatische tong, dat is van de door de Heilige Geest bewogen tong. Er is in de uitdrukking niets dat wijst op het spreken van een vreemde, onder mensen voorkomende taal. doch ze wijst op het spreken van Geestestaal, hoe die dan voorts ook moge klinken".
2b: "Want niemand verstaat (het), doch met de geest spreekt hij verborgenheden". Grosheide: "Verborgenheden = dingen die, hoewel uitgesproken, door de hoorders niet worden begrepen. Dat leert ons omtrent de glossolalie dat ze hoorbaar is, een bepaalde inhoud heeft, een geestelijke inhoud heeft als voortkomend uit het pneuma (= geest), maar die niet verstaan wordt. Aan het spreken van een bestaande vreemde taal kan niet worden gedacht, want dan zou wel iemand het verstaan, nl. iedereen die die vreemde taal sprak of kende".
Ook bij 1 Kor. 12:30 merkt Grosheide terecht op: "Ook blijkt dat de glossolalie niet het spreken van vreemde talen kan zijn. Om die te vertolken is geen bijzonder charisma nodig".
4: "Wie een (vreemde) taal spreekt, die sticht zichzelf, maar wie profeteert, die sticht de Gemeente".
Grosheide: "De glossolalie heeft nog een ander nut dan dat ze tot eer van God is, ze bouwt ook de glossolaal zelf op. Hoe, zegt Paulus niet".
Wanneer de glossolalie een spreken is in een vreemde taal, wat voor zin heeft die dan voor de glossolaal, wanneer hij die taal niet verstaat?
Grosheide: "De apostel moet bedoelen dat het enkele feit van het in tongen spreken 'sticht'. We mogen vermoeden dat dit is, omdat het spreken in tongen iemand waarborgt, dat hij de Geest heeft ontvangen, want Deze drijft hem tot spreken, vgl. v. 22. En die gedachte is niet vreemd, als we erop letten, zonder nu verder op dit zeer belangrijke verschijnsel in te gaan, dat in Hand. 10:46; 19:6 de glossolalie blijkbaar voorkomt om aan te duiden dat een nieuwe kring, die in aanraking kwam met het Evangelie, de Heilige Geest ontving".
5: "En ik wil (wel) dat gij allen in (vreemde) talen spreekt, maar meer dat gij profeteert".
Grosheide: "Paulus moet voortdurend zich naar twee zijden wenden. Hij moet waarschuwen tegen overschatting der glossolalie, doch haar tegelijkertijd de plaats laten, die haar toekomt als gave van de Heilige Geest. Daarom zegt hij eerst iets goeds van de glossolalie en stelt hij dadelijk daarop de profetie boven haar".
14: Want indien ik in een (vreemde) taal bid, bidt mijn geest (wel), maar mijn verstand is vruchteloos".
Wat voor zin zou het hebben om in een vreemde taal te bidden die ik niet versta? Wanneer ik in het Chinees zou bidden, een taal die ik niet versta, waarom zou ik mijzelf daardoor stichten (v. 4)?
Wanneer men echter de glossolalie verstaat in de zin van prof. Grosheide nl. als een spreken vanuit een door de Geest bewogen tong, dan wordt alles begrijpelijk. Dan ervaart men de drijving door de Geest zonder meer. Dat is een vreugdevolle zekerheid waaraan men zich mag overgeven.
Ook al kan ik dan niet (wanneer ik niet de gave bezit van de vertolking van mijn eigen tongentaai) voor mijn verstand onder woorden brengen wat de Geest in mij door de tongentaai zegt, toch is het dan al een heerlijke ervaring te beseffen dat de Heilige Geest mijn tong brengt tot het uitspreken van die geheimnisvolle taal.
In Hand. 14:11 lezen we dat de inwoners van Lystra na de wonderbare genezing van de verlamde in het Lykaonisch riepen: "De goden zijn de mensen gelijk geworden en tot ons neergekomen. En zij noemden Barnabas Júpiter en Paulus Mercúrius, omdat hij het woord voerde".
Uit alles blijkt dat noch Paulus noch Barnabas die taal verstonden. Hoe is dat te rijmen met wat Paulus in 1 Kor. 14:18 schrijft: "Ik dank mijn God dat ik meer (vreemde) talen spreek dan gij allen"? - althans als Paulus bedoelde dat hij van God de gave had gekregen om veel vreemde talen te spreken. Liet de Heilige Geest hem toen zo maar in de steek? Waarom gaf die Geest hem dan toen niet in om in het Lykaonisch te zeggen dat zij geen goden waren?
Waarom lezen we dan nergens in Handelingen dat de mensen verbaasd waren, omdat Paulus die zoveel verschillende streken met zoveel verschillende talen bezocht, toch de taal van die mensen door een wonder van de Geest sprak?
En veronderstel dat dit wèl gebeurde, dan zou de Geest gedurende de hele toespraak ervoor moeten zorgen dat Paulus die vreemde taal waarvan hijzelf niets verstond, korrekt zou blijven uitspreken in een samenhangend geheel. Nergens geeft de Bijbel ook maar de indruk dat dat gebeurd zou zijn.
Dr. W. de Boor wijst in de Wuppertaler Studienbibel eveneens de opvatting af als zou het bidden in tongen betekenen het bidden in een bestaande vreemde taal. Hij wijst daarbij ook op het pinksterfeest, waar dezelfde uitdrukking gebruikt wordt en zegt: Daar verstonden de hoorders de apostelen ieder in hun eigen taal. Desondanks beweerden sommigen dat de apostelen dronken waren. Maar iemand die in een vreemde taal spreekt, ga je daarom niet een dronkaard noemen. Integendeel, je hebt er bewondering voor, wanneer iemand een vreemde taal perfekt beheerst. Er moet dus méér aan de hand zijn geweest bij dat spreken of bidden in tongen. Hij beschrijft dat aldus:
"Bij het spreken of bidden in tongen is het niet meer het verstand dat de tong bestuurt, maar die tong wordt dan bestuurd door een vreemde macht. De tong wordt dan een orgaan van de Heilige Geest".
Hij wijst daarbij op 1 Kor. 14 waar Paulus het bidden in tongen een bidden noemt "met de geest", maar niet "met het verstand" (v. 14-15).
Men moet ook het onderscheid tussen het Pinksterwonder en het overige glossolalie voor ogen houden.
In Hand. 2:4 staat dat de apostelen spraken in 'heterais gloossais = andere talen". Maar in Mk. 16:17 staat dat de gelovigen in 'gloossais kainais = in nieuwe tongen' zullen spreken.
In het Nederlands gebruiken wij het woord 'nieuw' in twee betekenissen. Iemand kan zeggen: "lk heb een nieuwe fiets" en daar dan mee bedoelen: 'een fonkelnieuwe' of ook 'een andere, bv. een tweedehandse'. In het Grieks zou men voor de fonkelnieuwe fiets het woord 'kainos' en voor de reeds door een ander gebruikte fiets het woord 'heteros' gebruiken. (Denk maar aan het woord 'heterofiel' = iemand die gericht is op het 'andere', niet op een 'nieuw' geslacht.)
Op de Pinksterdag spraken de apostelen in andere (heterais) reeds bestaande, menselijke talen (of althans verstonden de aanwezigen hen ieder in hun eigen taal). Maar we horen nergens dat zulk een wonder zich daarna nog herhaald heeft.
Prof. dr. J. Behm schrijft over het woord 'kainos' in Kittel's Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament:
"Kainos is het kernwoord voor het geheel andere, wonderbare dat de eindtijd brengt. Kainos wordt steeds gebruikt om de eindverwachting weer te geven: 'een nieuwe hemel en een nieuwe aarde': Openb. 21:1; 2 Petr. 3:13 (Jes. 65:17), 'het nieuwe Jeruzalem': Openb. 3:12; 21:2, 'de nieuwe wijn van het eschatologische (= van de eindtijd) vreugdemaal: Mk. 14:25, de 'nieuwe naam', Openb. 2:17; 3:12 (Jes. 62:2; 65:15), het 'nieuwe lied': Openb. 5:9; 14:3, 'zie, Ik maak alle dingen nieuw': Openb. 21:5 (Jes. 43:19). De nieuwe schepping is het heerlijke doel van Gods heilsopenbaring, de vervulling van de oerchristelijke hoop, die vanuit de toekomst reeds nu haar glans verspreidt over de gelovigen, die nog op deze aarde verblijven. Christus Zelf is 'de nieuwe Mens', Degene die de nieuwe schepping van de eindtijd reeds heeft ingezet". "In Christus zijn Jood en heiden herschapen tot één nieuwe mens - hena kainon anthroopon" (II, p. 450).
Over de glossolalie schrijft dr. Behm bij het woord 'gloossa' (KThWzNT, I, p. 721): "De nous (= het verstand) is daarbij uitgeschakeld (1 Kor. 14:14, 19); de glossolaal spreekt in een verheven toestand tot zichzelf en tot anderen duistere, geheimnisvolle dingen (14:2,9,11,15 e.v.). Er zijn vele soorten'tongen'(1 Kor. 12:10,28) niet slechts 'tongen' van mensen, maar ook van engelen (1 Kor. 13:1). Het is dus een extatisch, onverstaanbaar spreken". Ik meen dat de argumenten van prof. Grosheide (bij wie ik zelf college heb gelopen in 1949 en die bij iedereen bekend stond als een zeer nuchter type), van dr. de Boor, van dr. Behm en vele anderen voldoende aantonen dat we de Bijbel geweld aandoen, wanneer we het "gloossais lalein" van Paulus weergeven met "spreken in bestaande, vreemde talen van mensen".
We moeten als christenen van de Reformatie onverbiddelijk vasthouden aan het Sola Scriptura. Niet het woord van mensen (professionele of amateur-theologen) heeft het laatste woord, maar het Woord Gods.
En als we soms geen, voor ons verstand of voor onze traditie bevredigende, verklaring kunnen vinden van een Schriftgedeelte, dan kunnen we beter het zwijgen eraan toedoen, dan dat we onze eigen mening aan de Schrift dwingend gaan opleggen.
Maar is het wel zo moeilijk om een goede verklaring voor die uitdrukking van Paulus te vinden? Is de oplossing die Grosheide en De Boor voorstellen niet heel aannemelijk: Tongentaai is een taal die voortkomt uit een tong (van het hart of van de mond), die bestuurd wordt door de Heilige Geest?
Zelf heb ik er in "Ik zag Gods heerlijkheid" (uitverkocht) over geschreven:
Bidden in tongen is een uiting van de Heilige Geest door onze tong, langs de weg van onze geest. Bij het andere bidden brengt de Geest ons tot bidden langs de weg van het verstand (1 Kor. 14:14,15).
Bij het bidden in tongen wordt onze geest zeer sterk door de Heilige Geest aangegrepen en met Zijn tegenwoordigheid gevuld.
Ik denk dat veel gelovigen een dergelijke ervaring hebben meegemaakt. Hoe menig kind Gods was niet zozeer overstelpt door dankbaarheid, vreugde, vrede, liefde dat hij heel goed voelde dat menselijke woorden tekort schoten. Hoe menige vrome heeft niet de liefde Gods zo over en in zich gevoeld dat hij wel in een hemelse taal zingen wilde van de goedertierenheid Gods.
In zo'n geval staat men op de drempel van het bidden in tongen. De Geest Gods werkt dan als een stroom van levend water (Joh. 7:37-39), die uit ons binnenste vloeit, vloeit, al maar door vloeit, maar tegen een dam aanwast; vaak een dam van onwetendheid, van vooroordelen, van angst en van allerlei remmingen.
Bij het bidden in tongen is het alsof de stroom van de Geest zich een uitweg zoekt. De stroom van de Geest is dan zo wijd, zo diep, zo groot en zo krachtig dat deze stroom niet langer kan blijven binnen de bedding van de gewone menselijke taal en begrippen. De Geest breekt dan door in de ziel (p. 122-124).
Prof. Scheps heeft in zijn boek "Geestesdoop en tongentaal" en prof. Versteeg in zijn boek over "Het gebed volgens het Nieuwe Testament" deze verklaring van de tongentaai met instemming uit mijn boek overgenomen.
Een christen hoort echter door overdenking van Gods Woord en door innerlijke omgang met de Heere in het gebed geestelijk te groeien. Dat is ook met mij gebeurd sinds de publikatie van mijn boek in 1962. Daarom nog het volgende:
Paulus spreekt over het bidden in tongen (meervoud). Dat betekent dat de Geest de menselijke tong gebruikt om verschillende talen te spreken. Ik ga daar nu enkele van noemen.
De taal van de verootmoediging
Wat kan een gelovige zich diep voor God vernederen! De droefheid over zijn zonde kan hem geheel en al overstelpen.
Dat is tot op zekere hoogte te begrijpen, want in een jarenlange innerlijke groei is hij steeds dichter genaderd tot de Heilige, tot het "verterende Vuur". De zon van Gods reinheid is steeds machtiger voor hem opgegaan.
En in dat helder-witte licht is hij steeds meer zijn eigen duisternis gaan zien. Tegenover die immense liefde van God die zelfs Zijn eigen Zoon gaf in een verschrikkelijke dood voor de verzoening van de zonde van hem die in Hem gelooft, is zijn eigen gebrek aan liefde zich steeds meer gaan aftekenen.
Hij ziet de Vader die met wijd geopende armen gekeerd staat naar een schuldig mensdom, terwijl ónze armen zich altijd weer krommen in een poging om alles naar onszelf toe te graaien.
Als de gelovige dat 'vlees', die ikzucht, in zichzelf gaat ontdekken, ontstaat er in zijn ziel een schreien dat nooit meer ophoudt.
Het is te vergelijken met de grote rouwklacht om de "eerstgeborene die zij doorstoken hebben" (Zach. 12:10-14).
Het is de Heilige Geest, die mensen tot zulk een aangrijpende rouwklacht brengt: "Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden" (Zach. 12:10). Letterlijk staat er in het Hebreeuws: "de Geest der genade en der smeking om genade", aldus Ridderbos.
Voorbij alle tranen
Maar een ziel kan leeggeschreid raken. Een gelovige kan zozeer bedroefd zijn om zijn eigen zonde en de zonde van het gehele mensdom waarvan hij deel uitmaakt, dat geen woord en zelfs geen traan dat nog kan opvangen. Het groeit uit tot een droefheid voorbij alle tranen.
Dan sta je er ontzet van te kijken hoezeer wij, mensen, deze God met Zijn oneindige, barmhartige, dúldende liefde getergd hebben. Dan is het of je enigszins de schuld van alle mensen in je meedraagt. Je schaamt je vanwege de zonde van ons geslacht, de zonde die ook nog altijd in jezelf woedt.
Dat is "de droefheid naar God" (2 Kor. 7:10). Het is de droefheid, die de Heilige Geest bewerkt.
Want ook God kan bedroefd zijn: "Toen berouwde het de Heere dat Hij de mens op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan Zijn hart" (Gen. 6:6).
En van de Heilige Geest wordt gezegd dat mensen Hem kunnen bedroeven (Ef. 4:30), al voeg ik er meteen aan toe dat ik niet begrijp hoe dat kan, daar immers de Geest als waarachtig God volkomen gelukkig is in Zichzelf. Maar ik aanvaard de Schrift onvoorwaardelijk in alles, ook al begrijp ik het niet.
En als het waar is dat de Geest bedroefd kan zijn, dan is het enigszins te verstaan dat die Geest Zijn droefheid ook wil uitstorten in de harten van de gelovigen. Hij bidt immers in hun harten "met onuitsprekelijke zuchtingen" (Rom. 8:26).
En dat betekent weer dat wij de tong van ons hart en van onze mond aan de Geest mogen overgeven, zodat Hij zucht en schreit door ons heen. Dat is dan één van de tongen, waarin wij bidden kunnen.
Als we ons aan die 'tong' overgeven, kunnen we onszelf uitschreien zonder woordenen zonder tranen, nameloos, eindeloos. Dan kun je jezelf aldus uitschreien aan de boezem van God zelf. Dit schreien voorbij alle tranen verzadigt de gelovige mens. Dit schreien is ons dan "tot spijs dag en nacht" (Ps. 42:4). Dan geef je je over aan de ONUITSPREKELIJKE zuchtingen van de Heilige Geest, aan Zijn droefheid om de zonden der mensen, vooral van de gelovigen. (wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
