ONTMOETINGEN 28
Aan een bekommerde broeder
Nee, zo is de Heere niet. Hij is niet Iemand die altijd maar weer bij ons de puntjes op de i zet. Die puntjes heeft Hij eens en voorgoed gezet boven Zijn Zoon. Christus heeft de wet volmaakt voor ons volbracht, niet alleen voor Zichzelf, maar ook voor hen die in Hem geloven.
Daarom kan God Zich inde Bijbel openbaren als een God vol barmhartigheid voorde verlorenen, als een Vader die terugkerende zonen en dochters tegemoet snelt en hen omhelst.
Deze genadige God heeft ook de brief gelezen, die u mij toezond en Hij was er onvergelijkbaar méér mee bewogen dan ik, zondig mens.
Hij is een God vol mededogen voor de arme tobbers, voor hen die bij zichzelf erkennen dat ze altijd maar weer falen; en u rekent zich blijkens uw brief tot die voortdurende miskleuners.
Dat is juist de grote ontdekking geweest van Luther. Luther dacht ook dat de woorden "gerechtigheid Gods" die hij vooral in de brief aan de Romeinen zo vaak tegenkwam, betekenden: de gerechtigheid die God van ons eist.
Maar hij zag later in, dat dit een grote vergissing was. Nee, God staat niet klaar met een meetlat of een peillood om te registreren of ons zondebesef wel diep genoeg en ons geloof wel sterk genoeg is.
Hij aanvaardt ons zoals we zijn, met onze schuld en ons berouw, met ons voortdurend falen en ons verdriet daarover, met ons gebrekkig zondebesef en ons gebrekkig geloof. Bij Luther brak de jubel los, toen hij ontdekte dat de gerechtigheid Gods uit de brieven van Paulus bedoeld is, niet als de gerechtigheid die God van ons eist, maar als de gerechtigheid die Hij schenken wil aan een ieder die in Zijn Zoon gelooft.
U vroeg wat ik bedoelde met: "Die erkenning van onze zonde kan volkomen in het verstand blijven steken of ook wel louter een kwestie van het gevoel zijn" (IRS april p. 3). Dit:
1. Iemand kan louter met zijn verstand erkennen dat hij net als alle mensen een zondaar is en eveneens louter met zijn verstand de volgende redenering opzetten: "Allen die erkennen dat ze een zondaar zijn en tevens geloven dat wie in Christus gelooft, de vergeving der zonden krijgt, ontvangen ook werkelijk die vergeving der zonden. Welnu ik erken en geloof dat. Dus zijn mijn zonden vergeven".
En na zulk een redenering die puur in het verstand blijft steken, gaan ze rustig over tot de zonde van elke dag. Er is bij hen geen verandering te bespeuren, geen strijd tegen de zonde. Ze hebben daar ook geen behoefte aan. "Wie doet me wat? Ik ben immers voor altijd een kind van God. En God houdt Zich aan Zijn verbondsbelofte. Punt, uit! En verder geen gezeur over bevindelijkheid zus of over bevindelijkheid zo. Dat is allemaal ziekelijk".
2. Iemand kan echter ook louter in zijn gevoel bewogen zijn. Een sfeervolle samenkomst of een ontroerende getuigenis greep hem aan. Misschien is hij wel in tranen uitgebarsten, dikke tranen van berouw. Hij weet het: ik moet mijn leven beteren. Ik heb er al te zeer en al te vaak naast gepeuterd.
Maar dat zijn slechts krokodilletranen. Met zijn hart, zijn wil, blijft hij aan de zonde vastzitten. Hij kan wel een tijdje trouw naar de kerk gaan en in alles op een bekeerde christen lijken. Maar op den duur valt hij door de mand van zijn eigen sentimentaliteit.
Dringend zou ik u willen raden om nog eens hoofdstuk 3 en 4 van de Dordtse Leerregels waaruit ik vaak geciteerd heb, na te lezen. Daarin wordt heel duidelijk gezegd dat wedergeboorte en geloof een zaak zijn van de wil (dus niet van het verstand of het gevoel).
De wil is in wezen een heel rustig vermogen dat God aan de mens heeft gegeven. Hij maakt die wil vrij bij de wedergeboorte.
Dan erkent een mens bijna nuchter, maar tegelijk met alle beslistheid:
"Ik ben een zondig mens en verdien daardoor de eeuwige dood. Ik wil, o God. mij voortaan enkel richten op U, want ik geloof in Uw barmhartige liefde zoals U die Zelf in Uw Woord openbaart".
Misschien is uw reaktie: "Maar als ik dat met mijn wil uitspreek en er niets bij voel, kan dat toch niet oprecht zijn". Dan is mijn vraag: "Waar staat in de Bijbel dat iemand alleen dan oprecht is, wanneer hij iets voelt? Christus heeft toch niet gezegd: Wie iets voelt, wordt zalig, maar: Wie in Mij gelooft, wordt zalig".
Of: 'ik kan dat niet oprecht menen dat ik God kies als Heere van mijn leven, want ik merk telkens dat ik met mijn gevoel nog helemaal vastzit aan de zonde". Dan is mijn antwoord:
Maar weet u dan niet dat Paulus spreekt over "de wil des vleses" (Ef. 2:3) en "het bedenken van het vlees" (Rom. 8:6), die wèl geen heerschappij meer voeren over de wedergeboren mens, maar zich nog altijd duchtig roeren? Die beide willen, de door de Geest vrijgemaakte wil die zich op Hem richt, èn de wil van mijn zondig begeren die tegen Gods wet ingaat, kunnen dus in één mens wonen.
Maar de geestelijke wil is de kern van de mens. Die wil wordt bij de wedergeboorte door de Heilige Geest omgebogen naar Christus toe. Daardoor kan de mens zich in die herboren wil terugtrekken en het in alle rust èn intensiteit tot de Heere zeggen: "Ik geloof in Uw grote liefde. Ik geloof dat U Uw Zoon hebt gezonden om mijn schuld op Zich te nemen. Ik geloof in Uw belofte dat ik de vergeving der zonde en het eeuwige leven ontvang enkel doordat ik in Christus geloof en al mijn vertrouwen stel in Hem, in Hem alleen".
En vanuit dat geloof in de vergeving geeft de gelovige mens zich met zijn wil geheel aan God, die hem van harte gewillig en bereid maakt voortaan slechts voor Hem te leven (Heid. Cat. zd. 1).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
