Die God leeft nog
Aldus de vertaler M. van Vlastuin in de inleiding van dit boek van Jonathan Edwards, die leefde van 1703-1758. (Uitg. F. Hardeman-Ede).
In dit boekje (130 blz. f 18,95) beschrijft Edwards hoe er in zijn gemeente in enkele maanden tientallen mensen uit de duisternis tot Gods wonderbare licht getrokken werden.
Het eerste hoofdstuk gaat over de veranderingen die er in de stad plaatsvonden. We citeren daaruit:
"In de lente en de zomer die volgden in het jaar 1735, leek het alsof de aanwezigheid Gods de stad vervulde. De stad was nooit zo vol geweest van liefde en blijdschap als toen. En ook nooit zo vol van droefheid en nood als toen. Er waren opmerkelijke tekenen van Gods tegenwoordigheid in vrijwel ieder huis" (p. 22).
"Als onze jongeren samenkwamen, deden zij niets liever dan alle tijd besteden aan het spreken over de uitnemendheid en de stervende liefde van Jezus Christus, de heerlijkheid van de weg der zaligheid, de wonderlijke, vrije en soevereine genade van God, Zijn roemrijk werk in de bekering van een ziel, de waarheid en zekerheid van de grote dingen van Gods Woord, de zoetheid van het zien op Zijn volmaaktheden enz." (p. 23).
Het tweede hoofdstuk laat zien dat er heel veel verscheidenheid is in de bekeringen, terwijl er in alles toch ook weer een eenheid gevonden wordt. We citeren:
"Vaak is er in het hart een bepaalde tekst uit de Schrift, die een evangelische grond van troost geeft. Vaak ook een grote hoeveelheid van teksten, genadige uitnodigingen en heerlijke beloften die de een na de ander in de ziel stromen en haar vervullen met troost en voldoening. Deze troost hebben sommigen voor het eerst ontvangen onder het lezen van een bepaald Schriftgedeelte. Maar in anderen gaat dit in het geheel niet gepaard met het lezen van een Schriftgedeelte. En ook niet door het lezen of bemediteren van iets anders. Bij sommigen ging het snel, bij anderen langzamer. Vaak ook met onderbreking door veel duisternis" (p. 44).
Het derde hoofdstuk geeft twee voorbeelden van bekeringen. "Het eerste is van een volwassen persoon, een jonge vrouw met de naam Abigail Hutchinson. Zij is gestorven. Het is beter om uitvoerig over haar te spreken dan over iemand, die nog leeft" (p. 66).
Ik kan mij indenken dat degenen die het bevindelijke leven niet kennen, daardoor worden afgestoten. Ze zullen zeggen: Hier worden te veel de persoonlijke zielservaringen beschreven.
Ik zou hen de raad willen geven: Tracht te zien naar de Bron, Christus, waaruit die ervaringen voortvloeien.
Het laatste gedeelte bevat een preek van Edwards over Rom. 3:19: "Opdat alle mond gestopt worde". Hij zegt daar zelf over:
"Ik heb nooit zoveel onmiddellijke zaligmakende vrucht ondervonden van enige preek die ik hield voor mijn gemeente, als enkele preken over Rom. 5:19. In deze preken streefde ik ernaar om uit deze tekst te laten zien dat het volkomen rechtvaardig van God zou zijn, om een natuurlijk mens te verwerpen en voor eeuwig te verstoten" (p. 40).
Inderdaad, deze preek is zeer indringend. Wel vind ik de inleiding wat te veel geredeneer. Maar de eigenlijke inhoud is een vlijmscherpe hantering van het zwaard van het Woord Gods, een openleggen van de geheimste roerselen van het bedorven menselijke hart.
U begrijpt het: dit boek beveel ik van harte bij u aan. "We menen dat het zeer aannemelijk is dat dit verslag met zulk een buitengewone en schitterende openbaring van de Goddelijke genade in de bekering van zondaren, door de zegening van God, een zeer blijde uitwerking zal hebben in de harten van mensen". Dat schrijven Isaac Watts en John Guyse in het Voorwoord van 1737.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
