In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Gemeenschap met Christus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gemeenschap met Christus

13 minuten leestijd

De Persoon van Christus

Aan het begin van deze tweede lezing plaatsen we een zinsnede uit de "Redelijke Godsdienst" van Wilhelmus a Brakel: "Uit het eigendom en de daaruit vloeiende vereniging, komt voort gemeenschap, dat is: oefening en gebruikmaking van dat eigendom en de vereniging". Welnu, zonder een al te scherpe grens te trekken tussen "eenheid" en "gemeenschap" (dat die grens wat vloeiend is merkten we eerder al), genoemde formulering van a Brakel geeft ons een uitstekend handvat om de stof in deze tweede lezing te ordenen en deels te onderscheiden van die in de eerste. Verder uitgewerkt, nader toegespitst, pogen we nu aan te duiden hoe die eenheid met Christus in de praktijk van het geestelijk leven gestalte aanneemt in de daadwerkelijke beoefening daarvan.

Mij komt voor de aandacht een zinsnede uit zondag 20 waar van de Heilige Geest wordt beleden dat "Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt". We komen in de gemeente nogal eens een vorm van geloof tegen dat vele malen drukker is met de "weldaden" dan met Christus. Men geeft soms hoog op van genoten zegeningen, geestelijke ervaringen, vertroostende ondervindingen (over ontdekkende en beschamende hoort u niet of nauwelijks!), kortom, je ontmoet rijke mensen, die niet of nauwelijks weten hoe ze aan hun bezit gekomen zijn. Ik bedoel daarmee niet de stille rijke ogenblikken van een mens verdacht te maken, van een mens, die op zoek naar de Heere Jezus wel eens een vertroosting ontvangt en geniet, maar ik attendeer op een geestelijk klimaat waar de persoon van Christus permanent, structureel, zou je zeggen, in de duisternis blijft. Luisteren we naar de Heidelberger, dan houden wij 't ons voor gezegd: "Christus en al Zijn weldaden"; dat is een orde, een volgorde, die wij niet moeten veronachtzamen.

De gemeenschap, als bedoeld in ons onderwerp, is er één met de Persoon van Christus. Ik kan dat niet genoeg benadrukken, omdat de tijd nog niet voorbij is, dat men Jezus volgt om de tekenen en om de broden. Tijdgeloof en wondergeloof willen maar niet uitsterven. Het éne gemeentelid vertelt u dat het toch zo'n rust had op de operatietafel en dat die rust van God was; natuurlijk, de duivel geeft je geen rust en later blijkt de rust onder de operatie overleden te zijn. En een tweede maakt u op een jubileumbezoek er deelgenoot van dat de Heere doorhielp in allerlei situaties; ze "drinken" allerlei weldaden uit, maar over de Bron spreken ze niet.

Het gaat dus om de gemeenschap met de Persoon van Christus. Het is zeker dat deze zaak in het functioneren van het waarachtige geloof in het leven van menigeen minder helder is dan gewenst en dan nuttig is. Er kan zo gemakkelijk een rusten komen op het gaan in het geloof tot Christus en op de eerste zekerheid, die daaruit voortvloeit. Onze grond, ons rustpunt ligt dan in wat gebeurde en zich in ons voltrok en de persoon van Christus schuift naar de achtergrond. Het kan zelfs komen tot een doodse rust, waarbij de zekerheid voor ons niet ligt in Hem, maar in wat ons geschonken werd. En het voorwerp van het geloof is in de belofte Gods toch altijd Christus in Zijn persoon.

Het gevolg van weinig werkzaam zijn t.a.v. Christus als Persoon, is niet zo moeilijk te raden. Het schip raakt uit de koers, het zwalkt nu eens hier, dan daar. Het vaste oriëntatiepunt ontbreekt en we komen zelf centraal met onze duisternissen, wangestalten en aanvechtingen. Het geloof slaat zijn wortels niet uit in de grond, niet in Hem, met Wie wij toch één plant geworden zijn. Daarom is het zaak ons gelovig op deze materie te bezinnen: wat ons geschonken is in het eigendom van Christus te zijn, op Zijn hart gebonden te wezen, in Hem te zijn, onlosmakelijk. Opdat we de rijkdom daarvan verstaan en uitleven. En het wonder gedurig ons verootmoedigt dat God zulke mensen, zo schuldig en verloren, aan Christus heeft gegeven, van eeuwigheid en in de tijd. Mij dunkt dat hier een remedie ligt in de problematiek van het gemis van vrijmoedig geloofsleven, juist bij hen, die Christus hebben aangegrepen als hun sterkte, hun gerechtigheid voor God. Hoe dichter bij Hem, hoe meer betrokken op Hem, des te meer zal de stroom uit de bron vloeien om er uit te drinken. En weer zeg ik: laten we dat préken! Laten we niet geloofszekerheid en vervrijmoediging brandmerken als verdacht, als oppervlakkig. De Schrift lezend mogen wij niet accepteren dat dit geloof in de regel niet verder komt dan hangen tussen hoop en vrees, en dat vrijmoedigheid en verzekerdheid worden uitgeroepen als een uitzonderingstoestand. En dan: hoezeer 't geloof een gave Gods is, het is ook daad, akte van de mens! Let er op hoe vaak de Bijbel spreekt in actieve zin: Hem aannemen. Hem geloven, in Hem vertrouwen, in Hem leven. Hem liefhebben, op Hem hopen! Dat alles klinkt mee in het begrip: gemeenschap aan Christus.

De goederen van Christus

De gelovigen hebben door de gemeenschap aan Christus ook gemeenschap aan al Zijn goederen. Wie kan het bezit van Christus meten?

Hij is een rijk Man voor Zijn Bruid. Al wat de Vader heeft staat Hem ter beschikking. En het is voor de Zijnen. Hij is er in alles voor de Zijnen: om te beginnen in Zijn menselijke natuur. "Niemand in hemel of op aarde heeft ons liever dan Christus", zingt onze belijdenis ergens. Hij is Mens als wij, rechtvaardig en heilig, onschuldig. Maar ook onzer Eén, dierbare barmhartige Hogepriester, Hij heeft het vlees en bloed der kinderen aangenomen (Hebr. 2:11, 14). En nu is er Eén, voor het aangezicht Gods, die ons kan representeren: heilig en onbesmet als Hij is, is Hij instaat voorde Vader te naderen en Hij neemt ons mee tot God en wij mogen - hoewel op de aarde - met Hem verkeren, het hart en onze ziel opgeheven tot Hem. In Hem kinderen Gods des Vaders. Hij sprak het: "Ik vaar op tot Mijn Vader en Uw Vader, tot uw God en tot Mijn God". (Joh. 20:17).

En dan Zijn geréehtigheid. Zijn voldoening. Zijn voldoen aan Gods rechtvaardigheid is vóór ons en van ons: om rechtvaardig voor God te zijn, recht voor God, onbevreesd en zonder schaamte, in een gerechtigheid, die het hart Gods voor ons opent, zodat de liefde en de vrede Gods tot ons afdalen en alle vrees wordt uitgebannen en de volmaakte liefde haar uitdrijft. "Indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven (Rom. 5:10).

Ik denk verder aan Zijn volmaakte gehoorzaamheid. Zijn volbrenging van de Wet.

Zij zijn onze heiligheid voor God, waarin wij voor God volmaakt zijn. Ach, wie kan het voluit bevatten. Hoe rijk dat is…? En dan is er Zijn voorbede voorde troon, omdat Hij altijd leeft om voor ons te bidden. Wat Hij heeft, is van ons: de kroon, het loon, het eeuwige leven, de liefde des Vaders, de eeuwige heerlijkheid en de eeuwige gloria van het zalig, eeuwig leven… Waar is het einde, wie kan het overzien? Het wordt een stamelen, een tasten naar bevatting, een voorsmaak, een handgeld. Broeders…, wat tobben wij toch? Die God is ons een God van volkomen zaligheid! Er is hier misschien deze of gene, die in de diepte ligt, er de handen aan vol heeft om het te geloven. Wij zijn vaak zulke moeilijke "gelovers", wij, die het anderen preken. Wie komt niet soms van de kansel af, om daarna als onder water gedrukt te worden: wat is er waar voor jou en in jou, van al dat schoons wat je anderen gepreekt hebt? En terwijl anderen de buit huiswaarts dragen, zitten we zelf neer: arm, ellendig, geslingerd en geschud, met een hele wereld om ons heen, die wel zalig kan worden, terwijl het voor ons nog te bezien staat. Broeders, daarboven is onze Zaligmaker, zo rijk, zo vol van genade. Wèg met úw vlees en bloed, zo arm en berooid als u bent, u in Zijn armen geworpen! Hij kent Zijn gezanten uitnemend en het behaagt Hem zo vaak ons in onze loden dieptepunten omhoog te beuren, boven alles uit. Och, Hij heeft u gekocht, betaald, bemind, in dienst genomen en Hij zorgt met al Zijn goederen voor u!

En dan nog één ding: er is gemeenschap - Fil. 3:10 - met Christus, vanuit het kennen van de kracht van Zijn Opstanding, maar dan ook een gemeenschap aan Zijn lijden een gelijkvormig worden aan Zijn dood. Paulus heeft het geweten en God heeft dit gebed verhoord. Met stokslagen, boeien, geselingen, gevangenschappen, schipbreuk, een satansengel. Maar ook met oneer, kwaad gerucht, bestempelingen als "verleider", onbetrouwbare. Hoe machtig diep is dat woord uit 2 Cor. 6:8-10 over de man, die onbekend en nochtans bekend was, die als stervende was en ziet, hij leefde. Die getuchtigd werd en toch niet gedood, droevig en toch altijd blij was, arm was, doch velen rijk maakte, niets had en nochtans alles bezat. Dat is de éne erfenis van Jezus naar twee kanten. En we kunnen de verborgen heerlijkheid daarvan slechts verstaan in de gemeenschap met het lijden van Christus. Onze lijdensdagen en -tijden zijn meest voor anderen en onszelf het profijtelijkst. Wij zijn niet altijd tot zegen en gezegend als ons ambtelijk bootje met de vlag in top over de gemeentezee vaart. Wij rijpen in de dienst en in onze vruchtbaarheid het best in de verdrukkingen. De drukking der melk brengt boter voort en de schat in het aarden vat glanst onder de druk van zorg en verdriet soms het sterkst. En innerlijk worden wij gebroken, maar o, zaligheid! de scherven vallen in de doorboorde handen van Christus. Is iemand van u in lijden? Dan moet hij dicht bij Jezus zijn, in de schaduw van Zijn kruis, in de schaduw van Hemzelf, in Zijn spoor, aan Zijn hart… En wat een belofte is er voor u: "Indien gij gesmaad wordt om de naam van Christus, zo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u!" (1 Petr. 4:14). Dichtbij Jezus, in de vervulling van de overblijfselen van Zijn verdrukking, behaagt het de Heere om ons gedurig mee te vormen in Zijn dienst en dan zinkt nu eens onze parmantigheid in elkaar en dan weer lopen al onze ondernemingen vast. Of we staan met al ons verstand voor het blok, en onze wijsheid ontzinkt ons, zodat we in de hand des Heeren vallen, opdat het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees geopenbaard wordt.

Oefeningen

Nu vraagt deze gemeenschap met Christus om een voortdurende oefening! En dat naar twee kanten. Het is in de eerste plaats oefening om ook zelf als dienaren van het Woord ons ver te houden van de zonde. Immers, wij staan aan alle verleiding en zonde bloot. Ook aan de zonden, die met name in onze positie op de loer liggen: de eerzucht en rivaliteit. Wie de domineeswereld kent, kan er folianten over volschrijven. De wierook, die men voor dominees brandt is alleen maar geschikt om Jezus aan ons oog te onttrekken. Anderzijds brengen smaad, verachting en verguizing ons in de gevarenzone van de zonde van bitterheid, wrevel, soms zelfs haat tegen mensen en gemeenten. En we raken de gemeenschap met Christus kwijt, het leven ontvalt ons, innerlijk en geestelijk… We raken in kramp bevangen, kunnen de gemeente niet meer in het rechte licht zien enzovoort. Wie van ons worstelt soms niet door zulke perioden heen? Terwijl de gewenning aan Christus vrede geeft en alleen het genadig verkeer met Hem, het zicht op al Zijn rijkdommen, ons werkelijk boven alles uitbeurt: "de Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken!" Ik maakte, toen ik nog student was, eens een dienst mee, waarin een predikant zijn 40-jarig ambtsjubileum gedacht. Hij had, naar mijn idee toen, een vreemde tekst; Psalm 19:13: "Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen". Later ga je daar een heel klein beetje van verstaan. Broeders, zijn wij Jezus kwijt? Is ons geestelijk leven zo dor, zo min, zo verschraald? Klinkt onze eigen preek ons zo bloedeloos in de oren? Of dat wellicht juist niet, terwijl toch klachten over gebrek aan geest en leven, aan licht en leiding tot ons doorsijpelen? In onze binnenkamer! Daar de schuld gezocht, daar ons hart voor onze Meester opengelegd. Eerlijk, zonder reserves, onszelf aangeklaagd! Over ons wereldsgezinde hart, ons haken naar de zonde, onze lusten van het vlees, onze moeite om pelgrims te zijn, onze domineeswereldgelijkvormigheid… Reinig mij van de verborgen afdwalingen!

Broeders…, wie kent zichzelf? Wie is vrij van zelfbedoelen? Arglistig is ons hart! En al deze dingen doen onze geestelijke vrijmoedigheid tanen, maken de Schrift soms zo ontoegankelijk, slaan ons met onvruchtbaarheid… Er is maar één remedie: terug naar onze Zaligmaker en Zender!

Opnieuw in de prijs, die Hij betaalde onze verzoening en onze vrede zoeken. Geloven! Sterven en toch leven. In het nulpunt zinken, om verlevendigd en doorademd van het leven Gods op te staan, opnieuw dienstvaardig. Doe één ding niet: niet wrevelig worden, als alles verkeerd schijnt te gaan en u denkt dat het niet meer met u terecht kan komen. Broeders, onze Meester is zo goed. zo trouw, zo eeuwig barmhartig. Komt, gelóóft het!

Dat alles brengt mij ook op het tweede aspect van de oefening van de gemeenschap met Christus… Positief… We kunnen elkaar niet genoeg de noodzaak van verborgen omgang met Christus, de stille tijd, de overdenking van de dingen van het eeuwige leven, op het hart binden. Er zijn zoveel klachten van dominees en over dominees. En ze cirkelen tenslotte om één punt: wij verschralen en verflensen. Ik zie de oorzaak voor een groot deel in een dolgedraaid gemeenteleven, dat bol staat van aktiviteiten, die veelal draaien om de predikant als spil. Uw aanwezigheid hier verleent decorum vinden de mensen, uw presentie ginds is eigenlijk vereist.

Het is een openingswoordje hier, een sluitinkje daar, een overdenkinkje zus en een prevelementje zo… Waar zijn we mee bezig? En 's zondags is de arme dominee moe als een hond en uitgeblust, want de lampen op de studeerkamer waren wel aan tot diep in de nacht maar of het de lampen zijn van knechten, die wachten op hun heer, dat is nog maar de vraag. Broeders, om Christus te kennen - gemeenschap met Hem te beoefenen: naar uw kamer. Bid! Studeer! Graaf in het Woord! Worstel met uw God om licht voor uzelf en voor de gemeente. Opdat ons volk op de dag des Heeren merkt de afglans van de gemeenschap met Christus op ons aangezicht. Nee, dat behoeven wij niet meer te dekken als eens Mozes. Laat ons volk het weten, het op ons gezicht zien, in ons woord horen, dat wij met Christus zijn geweest. Broeders, bid uw Meester: Houdt hoog Uw kruis, voor mijn ogen, opdat ik U, Heere Jezus, hoog oprichte in de bediening der verzoening. En… verwacht de volkomen vervulling van vereniging en gemeenschap in het toekomende leven. Moeten wij 't zuur proeven in onze dienst in velerlei vormen, er is een zoetheid weggelegd voor straks, als we aan mogen zitten en Hij ons dienen zal met al Zijn goederen, in de eeuwige verzadiging met Zijn beeld!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Gemeenschap met Christus

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's