ONTMOETINGEN 26
(NB. de Ontmoetingen van ons maartnummer heeft dooreen vergissing onzerzijds als nummer gekregen: 33; dat moest zijn 25.)
Altijd raap ik IRS met een blij gevoel op, omdat er vaak dingen in staan, die me aanspreken en me moed en troost geven in moeilijke omstandigheden.
Meer dan eens nam ik dan de schrijfbloe om u wat meer te vertellen over die moeilijkheden, maar verder kwam ik niet.
Toen ik vanmorgen Ontmoetingen 23 las, deed het me goed te lezen dat er meerderen zijn die ondanks hun geloof in Christus toch nog last hebben van allerlei hinderlijke restanten van een overigens goed bedoelde opvoeding.
Ook de titel van het artikel: "De overwinning van de angsten" trok mij meteen aan. Maar het werd een teleurstelling voor mij. Natuurlijk ben ik blij voor Joke Scholten dat zij zo snel haar opkomende angsten wist te overwinnen. Maar zij schreef:" Wat een voorrecht om een kind van God te mogen zijn, want anders zat ik nu waarschijnlijk met een fobie".
Dat kwam hard bij mij aan, want… ik heb wel een fobie, nl. straatvrees en wat daarbij komt: hyperventilatie (— ademhalingsmoeilijkheden HJH) enz.
Joke Scholten beseft blijkbaar niet dat er kinderen Gods zijn, die worstelen met een fobie en die hun geloof ook wel verdenken, ómdat ze een fobie hebben.
Als het waar zou zijn dat echte kinderen Gods geen fobieën (hoeven te) hebben, dan kan ik me nog een beetje troosten met het feit dat ik die fobie kreeg, toen ik nog zonder Christus kon leven.
Naar aanleiding van het stukje van Joke Scholten wilde ik u een vraag stellen, waar denk ik velen mee zitten: Tot hoever strekt zich de verzekering van Paulus uit: "Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft" (Fil. 4:13)? Kun je dat ook toepassen op een fobie?
Ik stel mezelf vaak de vraag, en anderen stellen ze mij: Als je alle dingen vermag door Christus, die je kracht geeft, hoef je toch geen last meer van een fobie te hebben?
Zondagavond las ik weer eens in de levensbeschrijving van M'Chevne. Dan word ik jaloers op zo iemand, die zo dicht hij de Heere leefde, zoals ook u beschrijft in "Hoe leef ik met een genadig God?" Dan denk ik: Als ook ik zoals M'Chevne zou leven in zulk een innige geloofsverbondenheid met de Heere, dan zou ik toch geen last hebben van mijn fobie.
Dan nog een gewetensvraag: Mag ik wat rustgevende, ontspannende, chemische middelen gebruiken als dat nodig is? Of moet ik alleen maar zien op Hem die gezegd heeft: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven?
ANTWOORD
Inderdaad, "ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft". En toch lezen we in de Bijbel zelf, dat dit niet op alle gebied opgaat.
In de eerste plaats al niet fysiek. Paulus bedoelde echt niet dat hij door Christus in staat zou zijn om, wanneer hij dat zou willen, de sterkste zwaargewichttiller te overtreffen, of dat hij gewoon op het water zou kunnen wandelen en dus geen schip nodig zou hebben.
Ook op psychisch gebied gaat dat niet op. Paulus bedoelde ook niet dat hij door het geloof in Christus ineens de meest geniale wetenschappelijke of artistieke prestaties zou kunnen leveren.
Paulus bedoelde het dus geestelijk. Maar ook op dat gebied wees hijzelf op duidelijke begrenzingen.
Wie van ons zou niet graag bevrijd worden van de macht van de zonde, zozeer dat we Gods gebod nooit meer, zelfs niet in het geringste, zouden overtreden en in pure, onszelf vergetende, liefde zouden leven?
Dat wilde ook Paulus graag, maar hij erkende dat hij het niet heeft bereikt: "Niet dat ik het reeds gekregen heb of reeds volmaakt ben, maar ik jaag ernaar" (Fil. 3:12). En lees eens Rom. 7. Dan hoor je hoe Paulus zucht onder de zwakheid van zijn zondige natuur. En hij beluistert daarin het zuchten van de ganse schepping, die door de zonde van de mens aan de vruchteloosheid is prijsgegeven, en die ook reikhalzend uitziet naar de verlossing van de kinderen Gods.
Zeker, wanneer wij een kind van God zijn geworden en de Heilige Geest in ons is gaan wonen en werken, heeft dat ook zijn weldadige uitwerking op onze psyche. Maar we moeten niet denken dat dan ook alle psychische problemen zijn opgelost.
Problemen kunnen heel duidelijk psychisch van aard zijn. De gevoelens van haat tegen God kunnen gewoon voortgekomen zijn uit een psychisch gevoel van machteloosheid, dat iemand ooit in zijn jeugd heeft opgelopen.
Wanneer de Heidelbergse Catechismus zegt dat wij van nature geneigd zijn God en de naaste te haten, dan is dat veel dieper bedoeld. De Catechismus stoot dan onder de psychische laag van ons menszijn door naar existentiële achtergronden, naar onze verbondenheid met Adam en Eva, die in eigenwaan God afwezen als hun Heere.
Dat is bv. ook het grote verschil met de zonde tegen de Heilige Geest (die overigens zelden voorkomt). Dan keert een mens zich direkt tegen de Heilige Geest.
Maar bij mensen die tobben over de vraag of ze niet de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven, is dat gewoon een afreageren van wat ze in hun jeugd hebben beleefd.
Toen ik in 1942 totaal overspannen was en een psychiater raadpleegde, gaf die mij als een wijze les mee: "U hebt slechts het witte doek, waarop de ander zijn jeugdcomplexen projekteert. U moet dus nooit denken dat hij u persoonlijk op het oog heeft, wanneer hij u de huid volscheldt. In u keert hij zich dan opnieuw tegen iemand, die hem in zi jn jeugd heeft gekrenkt of hem in een onmachtssituatie heeft gemanouvreerd. Dus is er eigenlijk geen reden om u op die ander boos te maken."
Ik heb dat altijd onthouden. Zo is het ook bij mensen die in zich een haat tegen God voelen opkomen en daar verdriet van hebben. Die haat keert zich niet tegen God persoonlijk, maar in zo'n geval is God het witte doek waarop iemand zijn pijnlijke jeugdherinneringen (die hij misschien naar het onderbewustzijn heeft verdrongen) projekteert.
De Heere God weet ook, dat Hij voor ons soms zulk een wit doek is, waarop wij onze jeugdfrustraties afreageren en dat wij dus niet Hem persoonlijk bedoelen:
"Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten" (Ps. 103). Maar "genadig en barmhartig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid".
Ik keer nu weer terug tot de vraag over de fobieën. Ook ik weet uit ervaring wat fobieën zijn. Ik ken dus ook die merkwaardige eigenschap van een fobie: datgene waarvoor je bang bent, trekt je tegelijk. Iemand die last heeft van hoogte- of watervrees, heeft tevens de neiging om zich in de diepte en in het water te werpen. Je moet ook heel verstandig met fobieën omgaan. Je moet proberen er niet bang voor te zijn. anders werken ze zich als een spiraal omhoog en worden sterker.
U zult zeggen: "Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan". U hebt gelijk, ik weet het. De fobie waaronder ik vroeger intens leed, was een angst die zich als een beklemming op mijn buik (de maagstreek) legde en mijn keel dreigde dicht te snoeren. Het was net een gemene bloedhond in mij, die altijd op de loer lag om mij te bespringen.
Soms dacht ik dat hij in zijn hok, ergens diep in mijn ziel, lag te slapen. En dan liep ik, bij wijze van spreken, op mijn tenen en hield de adem in om hem niet wakker te maken. Maar… woedend vloog hij altijd op mij af en verlamde mij van schrik. Hij voelde dat ik hem wilde ontwijken en had er plezier in om mij te kwellen.
Ik heb daar nu totaal geen last meer van. Maar dat is niet de vrucht van mijn geloof geweest, alsof ik een sterker geloof zou hebben gehad dan u. Ik heb mij daarvan bevrijd door middel van een zelfontleding van mijn onderbewuste zieleleven, waarover ik 45 jaar gedaan heb.
Wel heb ik veel aan mijn geloof gehad bij die zelfontleding, of beter: bij de oplossing van de problemen die zich in mijn onderbewustzijn hadden opgehoopt en die ik door de zelfontleding naar boven had gehaald.
Mijn geloof in Christus wees mij telkens de weg die ik gaan moest bij de opbouw van een nieuw psychisch leven.
Ik zou u echter niet aanraden om zulk een diepgaande ontleding van uw onderbewuste zieleleven ter hand te nemen: 45 jaar gemiddeld drie uur per dag heb ik er over gedaan. Ik heb daarover een boek geschreven: "Oog in oog met jezelf', ondertitel: "De geschiedenis van 45 jaar zelfontleding". Ik heb het persklaar gemaakt en zoek nu een uitgever.
Maar ook in dat boek waarschuw ik ervoor dat je die lange, lange weg niet moet gaan, tenzij er geen andere mogelijkheid meer is om een enigszins dragelijk psychisch leven te leiden, en in elk geval datje er nooit aan moet beginnen tenzij onder een deskundige leiding, dus van een psychiater of psycholoog.
Het is zonder meer waar: God is een hulp in onze benauwdheden (Ps. 46:2). Bijna alle Psalmen leggen daarvan getuigenis af.
Maar er is nergens in de Bijbel een belofte te vinden dat God onze psychische benauwdheden zal wegnemen, wanneer wi j Hem dat gelovig vragen; wèl de belofte dat Hij IN onze benauwdheden aanwezig is:
"In al hun benauwdheid was Hij benauwd en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op en Hij droeg hen al de dagen van ouds" (Jes. 63:9).
Wat een vertroosting, als je mag weten dat je door geloof en uit genade alleen tot Gods volk mag behoren! U behoort tot Gods volk. Daarvan legde u getuigenis af in uw begeleidende brief (die ik dus op uw verzoek niet publiceer), maar dat bemerkte ik ook heel duidelijk, toen ik u opbelde.
Kinderen Gods hebben soms maar een half woord nodig om elkaar te verstaan. Dan weetje het van elkaar: ln de ander is er diezelfde verbrokenheid om eigen zonde ènde dankbare vreugde des heils om Hem, die ons uit de duisternis getrokken heeft en ons heeft overgeplaatst in het Koninkrijk van Zijn barmhartige liefde in Christus.
Natuurlijk zoudt u liever hebben dat God u ineens en radikaal van uw fobie zou genezen. Zelf heb ik ook vaak aan de Heere gevraagd: Waarom moet die zelfontleding van mij zo lang duren?
Waarom moet ik die psychische weg tot het einde gaan? U bent toch immers machtig om mij ineens van al mijn complexen te bevrijden?
Maar de Heere heeft dat gebed nooit willen verhoren. Waarom niet? Achteraf denk ik wel eens: om mij daardoor meer in staat te stellen de psychische moeilijkheden van anderen beter te kunnen invoelen.
Wel heb ik in al die jaren veel troost gevonden in het antwoord dat Paulus kreeg te horen, nadat hij drie keer gebeden had om bevrijding van de doorn in zijn vlees: "Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".
Paulus trekt daaruit de geloofskonklusie: "Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen… in benauwdheden om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Kor. 12:1-10).
Schaam u dus niet voor uw benauwdheden. Spreek, schrei ze uit voor het aangezicht van de Heere. Hij hoort u. U bent Zijn kind. Hij wil u als een Vaderde hand reiken. Hij is ook in úw benauwdheid. Hij is bij u. Hij gaat met u mee, wanneer u weereen stukje straat meer tracht te 'veroveren'.
Denk ook niet te veel dat satan achter uw benauwdheden zit. Satan zit wel achter alle pijn en narigheid in deze wereld, maar uw angsten komen niet direkt uit hem voort, maar uit uw psyche.
Gebruik ook rustig en met wijsheid de medicijnen. Ze zijn gaven die God in Zijn schepping heeft gelegd en liefderijk ook voor u heeft bestemd.
Tenslotte: veel sterkte, rust, vrede, wijsheid, geloof en liefde in de Heere wenst u uw broeder in Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
