In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ONTMOETINGEN 33

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTMOETINGEN 33

10 minuten leestijd

Ik zou het fijn vinden om mijn gedachten en gevoelens eens onder woorden te brengen tegenover iemand zoals u, die naast grote hoogten ook grote diepten heeft gekend in zijn leven.

Laat ik het er meteen maar uitgooien: Ik heb zo'n grote moeite met het vertrouwen. Iedere keer bekruipt mij weer die ellendige onzekerheid en angst: Waarop baseer je eigenlijk je vertrouwen? Op een boek, zeg: een Boek, geschreven dus door mensen, al beroepen ze zich op goddelijke inspiratie?

Er is toch uiteindelijk geen menselijke gedachte die je vertrouwen kunt. Geen enkel menselijk idee, geen enkele menselijke filosofie, houdt stand. Alles wordt tenslotte achterhaald, dus waarom ook niet het idee van de Bijbelschrijvers dat God hen geroepen heeft en door hen tot de wereld wil spreken?

Hoeveel mensen beweren heden ten dage niet dat God door hen spreekt? Is Jezus niet een geïdealiseerde mens, die een appèl deed op het goede in zijn medemensen, althans op de wil tot het goede in hen. maar zijn daarom de over Hem overgeleverde verhalen niet juist een illusie: Het ware zo mooi, als het waar was dat Hij werkelijk Gods eigen Zoon was!

Ik durf niet te bouwen op menselijke woorden, dus twijfel ik aan claims van goddelijke inspiratie.

Waarvandaan moet ik het geloof halen in een Boek, waarin verhalen voorkomen over sprekende ezels, profeten in het ingewand van een vis, wonderbomen die ineens groeien en vervolgens weer verdorren?

Ik kan die diep gewortelde angst niet kwijtraken dat uiteindelijk alles een sprookje blijkt. Deze angst achtervolgt me en beïnvloedt de dagelijkse dingen waarmee ik bezig ben.

Overdreven bezorgdheid aangaande de mensen van wie ik houd, is daarvan het gevolg. Ik heb het idee dat ik ze moet beschermen tegen (veeleer dan ze toevertrouwen aan) een God die zich voor mijn gevoel afzijdig houdt en Zich misschien tenslotte een keer met ons gaat bemoeien, waarbij van rechtvaardigheid geen sprake zal zijn. Er is iets vreselijk mis met deze hele schepping en met de mens. Als alles van God komt, dan toch ook deze vergissing. God zag dat alles goed was, maar toen… Gebeurde er iets waarbij Hij niet meer betrokken was?

Ik kan mezelf haten om die ideeën. Ik vind ze arrogant en slecht, maar raak ze toch niet kwijt.

Ik heb mezelf jarenlang met Bijbelteksten om de oren geslagen (of anderen deden dat), maar ik vind geen antwoord op deze existentiële angst, dat we ons tenslotte blijken vergist te hebben in Jezus en Zijn Woord.

Ik denk nu aan wat u schreef in uw boek "Mijn weg naar het licht" over die hond, waardoor uw broer in het been was gebeten. Die hond werd neergeknald, vijf schoten, toen pas was hij dood. U projekteerde dat op God, die in de eeuwigheid mensen kan blijven folteren, als Hij dat wil.

Er is mij vaker verweten dat ik een ongehoorzaam, weerspannig kind ben, dat gewoon niet wil luisteren en dat daarom een pak slaag nodig heeft.

Van de God zoals ik Hem vanuit de Bijbel ken, zou ik een bestraffing accepteren, want ik houd van Hem met iedere vezel van mijn lichaam en met mijn hele hart en geest. Maar de God voor wie ik bang ben, haat ik. Met Hem wil ik niets te maken hebben en ik wil mijn kinderen tegen Hem beschermen.

Ik vind ook geen rust in wat me eens als troost is aangeboden: Als straks blijkt dat we ons vergist hebben in Jezus en in Zijn woorden, wat maakt het dan nog uit?

Tien jaar geleden ben ik tot bekering gekomen en ik weet dat dit mijn redding is geweest, ook voor dit aardse leven. God heeft mij veel vergeven. Denk niet dat ik teruggrijp op oude zonden en dat ik daarom nu zo bang ben.

Ik heb dienaangaande een rustig gevoel, wel zorg omtrent de mensen die het ook aanging, maar ik weet dat zij ook klaar moeten komen met hun leven en genade moeten zoeken bij God in Christus.

Ik wéét dat mijn neigingen verkeerd zijn, dat het goede niet te vinden is in mij, wél de wil daartoe. Ik weet dat ik een gevangene ben van mijn strevingen, genoegens en pleziertjes; dat ik mijn eigen behoeften laat prevaleren boven die van anderen, zelfs boven die van man en kinderen.

"Hoe leef ik met een genadig God?", ja ik wilde dat ik dat kon ontdekken!

ANTWOORD

U brengt exact onder woorden de intellektuele moeilijkheden, waarmee ik vroeger vier jaar lang intens geworsteld heb, totdat de Heere Zelf ingreep. U hebt dat kunnen

lezen in "Mijn weg naar het licht".

Maar ook nu nog komt die helse verzoeking wel eens op mij af. Hoe zou dat komen?

Hebben wij (ex-)rooms-katholieken daar meer last van dan zij die in het protestantisme geboren zijn? Zij zijn opgegroeid met de rotsvaste overtuiging van hun omgeving dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is. Zij hebben al vroeg geleerd datje het huis van de eeuwige zaligheid niet moet bouwen op het zand van menselijke redeneringen.

Maar bij ons was dat rationele denken in heel ons geloof ingebouwd. In wezen is de hele roomse godsdienst gebouwd op redeneringen. Daarom was de rede voor ons altijd een verzoeking, die vanuit het hele systeem ons trachtte te verleiden.

Dat geldt dan nog meer voor hen die, zoals u en ik. een universitaire opleiding hebben gehad. Die geest van het rationalisme waart ook rond op de universiteit van Nijmegen, waar u hebt gestudeerd.

Wij, priesters, kregen die rationele instelling mee bij onze opleiding (en droegen die instelling vanzelf over op de 'leken'). We hadden eerst twee jaar studie van de filosofie. Dan verdiepten wij ons in het loutere, vooral het begrippelijke, denken. Gedurende die tijd werd ons voorgehouden dat, wilden we een echte filosoof zijn. we alleen iets als waar mochten aannemen op grond van innerlijk inzicht.

Daarna vier jaar studie van de theologie. Dan moesten we ineens blind aannemen wat de pausen ons leerden, puur op grond van het onfeilbare gezag dat zij beweerden te bezitten.

Wij probeerden daarom ons. door de filosofie gevormde, denken in te schakelen om de r.-k. leer toch nog zo aannemelijk mogelijk te maken voor onze rede, en die leer met subtiele argumenten te verdedigen tegenover andersdenkenden.

Maar voordat ik verder ga: U moet het feit dat die twijfels telkens in u opkomen, rustig aanvaarden. U moet uzelf er niet om haten. U kunt daar immers niets aan doen. En als u ze met geweld uit uw ziel probeert weg te drukken, wordt het alleen maar erger. Dan gaan ze wroeten in uw onderbewustzijn.

Wel is het juist dat u die twijfels als zonde ziet, maar dan niet als een persoonlijke zonde van u. want u wilt die twijfels niet. U hebt er een afschuw van.

Die twijfels komen voort uit de collectieve zonde van ons mensengeslacht. Die zonde is al in het paradijs begonnen, toen Eva gretig luisterde naar de slang en toeliet dat die de twijfels in haar hart zaaide: "Is het niet dat …?" (Gen. 3:1-7).

Christus heeft echter de vloek weggenomen van onze persoonlijke zonde en van de collectieve zonde van ons mensengeslacht, waaraan wij deel hebben door onze geboorte uit Adam.

En de vreugde daarvan mogen we ervaren door het geloof in Jezus Christus als onze enige en volkomen Zaligmaker.

Hoe moet je nu van die twijfels afkomen? Mag ik u verwijzen naar hoofdstuk 2 van "Hoe leef ik met een genadig God?", dat tot titel heeft: "Tweeërlei denken"?

Ik heb daarin onderscheid gemaakt tussen het begrippelijke en het intuïtieve denken.

Met ons begrippelijke denken maken wij schema's van de werkelijkheid. We grijpen de werkelijkheid met ons denken vast en vormen er begrippen van. We zien bv. dat er een onderscheid is tussen een mens en een dier. We proberen dat onderscheid in woorden uit te drukken. Dan krijgen we een begripsbepaling (definitie) van wat de mens en van wat het dier is. Het is alsof we paaltjes plaatsen in onze gedachten en tot onszelf (en tot anderen) zeggen: "Wat zich binnen deze paaltjes bevindt, is een mens; en dat daar, binnen gindse paaltjes, is een dier".

Maar dit begrippelijke denken is zeer, zeer beperkt. Er is echter nog een ander soort denken, een denken dat uit het hart voortkomt, en dat reikt veel verder. Pascal heeft van dat intuïtieve denken gezegd: "Het hart heeft zijn redenen, die de rede niet kent". Met ons begrippelijke denken lopen wij voortdurend vast. Iemand die opgrond van zijn begrippelijke denken meent dat er geen persoonlijke God bestaat, komt voorde dan onoplosbare vraag te staan: Maar hoe is dan die wonderbare harmonie in de macrocosmos en in de microcosmos. in het grote heelal en in de kleinste onderdelen daarvan, te verklaren? Dat kan toch niet door louter toeval zijn ontstaan; ook niet door een eeuwenlange evolutie; want dan verschuifje het probleem alleen maar enkele miljoenen jaren terug in de tijd.

Iemand die gelooft in een persoonlijke God, botst tegen andere raadsels op: Hoe is het lijden in deze wereld te verklaren vanuit een God, die liefde is?

Daarom krijgen we de echte zekerheid nooit door het begrippelijke denken, maar door het hart en dat betekent: door het geloof.

Nu is het waar dat sommigen (de voorstanders van de louter voorwerpelijke richting) het geloof ook beschouwen of althans behandelen als een uiting van het begrippelijke denken. Ze zullen uw twijfel meteen veroordelen: Daar mag je je op geen enkele wijze mee bezig houden.

Maar terecht antwoordt u dan: Zo kan Ghomeiny ook zijn volgelingen voorhouden: Je mag nooit twijfelen aan de Koran en aan de interpretatie, die ik ervan geef. Zo beweert ook de paus: Je mag nooit twijfelen aan de verklaring die ik van de Bijbel geef, anders doe je doodzonde en ga je naar de hel. Zo zijn er velen in onze tijd, die zich aandienen als 'profeet'.

Zo kreeg ik de vorige week nog een brief van iemand, die beweerde: "De openbaringen die ik van God heb gekregen, zijn een aanvulling van de Bijbel. U moet ze blind geloven".

Hoe een mens de twijfels overwint door het geloof dat uit het hart voortkomt, wil ik in een apart artikel beantwoorden.

Nu echter al vast dit: Het kruis van Christus is een machtig antwoord voor ons hart, niet voor ons verstand. Voor ons verstand is het een kruis: "de Joden wel een ergernis en de Grieken een dwaasheid" (I Kor. 1:23).

Voor mijn zedelijke besef (de Jood in mij) is het stotend dat een Onschuldige moet opdraaien voor mijn schuld. Voor mijn redenerend verstand (de Griek in mij) is het onzin dat het wereldgebeuren gebaseerd zou zijn op een simpel feit, op het sterven van iemand, bijna 2000 jaar geleden.

Maar met mijn gelovige hart verlustig ik mij in dat grootse gebeuren van Golgotha. Daar wordt het volmaakte offer gebracht door Iemand, die een volmaakt Mens was en tegelijk de Zoon van God. Daar ontvangt de eeuwige God de zuivere hulde die Hem toekomt. Door dat offer weet ik mij verzoend met de heilige God. Op grond daarvan aanbid en omhels ik Hem als mijn Vader. Op grond daarvan zegt Hij tegen Mij: "Mijn kind!".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ONTMOETINGEN 33

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's