De Heere haalde mij uit de modder
Ik wil u het wonder vertellen dat God aan mij heeft verricht. Ik wil dat doen om Zijn Naam groot te maken. Iedereen moet het weten dat deze God barmhartig is en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid (ps. 103), zodat tollenaars en hoeren soms de 'brave' mensen voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Ik heet Celia en ben geboren en getogen in Uruguay, in een heel arm gezin. Mijn moeder had een zwakke gezondheid. Ze werkte als hulp in de huishouding.
Mijn vader dronk veel en was een rokkejager. Het leek of hij een gat in zijn handen had, want het geld dat hij verdiende, verdween weer even snel naar de kroeg en naar andere vunzige gelegenheden. Hij sloeg geregeld mijn moeder. Daar kwam pas een einde aan, toen ik 15 jaar was en mijn moeder verdedigde. Ons beiden kon hij blijkbaar niet aan.
Ik had de leugen en alle vorm van onwaarachtigheid al vanaf mijn vroegste jeugd binnengedronken en toen mijn puberteitsjaren begonnen, was ik een doorgewinterde leugenaar. Liegen was mijn tweede natuur geworden.
Al heel snel - ik was nauwelijks 14 - had ik mijn eerste zondige ervaring met mannen. Sindsdien zocht ik het steeds in zinnelijke bevrediging, want voor mij was dat het surrogaat van de liefde die ik zocht.
Ik probeerde van het leven een pretje te maken. Ik hield van dansen en vlinderde van de ene man naar de andere.
Dat duurde tot ik twintig was. Toen ontmoette ik een jongeman van mijn eigen leeftijd. Ik meende dat ik verliefd op hem was. Ik zag tegen hem op, want hij was veel meer onderlegd dan ik.
Maar dat werd het begin van de meest donkere periode uit mijn leven. Ik was mijn man in alles ter wille en dat had tot gevolg dat ik meegesleept werd in allerlei vormen van verdorvenheid. Mijn lichaam en mijn ziel werden totaal bezoedeld.
Wat is het vreselijk, wanneer je zo in de duisternis wegzinkt! Ik werd door de macht van het kwade opgeslokt, elke dag meer. Wat kan de duivel een mens misleiden! Want tegelijkertijd gebruikte, misbruikte (!) ik zorgeloos Gods heilige Naam. Ik dacht dat het wel goed zat met mij. Ik had de Naam van God vooraan in de mond liggen. Vrij gemakkelijk kwam het over mijn lippen: "God, help mij, vergeef mij".
Ik dankte God zelfs voor het geld dat ik op deze mensonterende wijze, door de aanbieding van mijn vrouwelijk lichaam, verdiende.
Achteraf sta ik er verbaasd over dat ik zo lichtzinnig de suggesties van de duivel kon geloven. Wat kunnen wij verblind worden door de machten der duisternis!
Hoe heb ik toch kunnen geloven dat God mij nabij was in die wereld van bedrog, huichelarij en verderf, waar wij onze lichamen en zielen ziek maakten door de zonde?! Hoe kon Zijn welbehagen rusten op zulk een leven van schijnvreugde en lege lol, terwijl ik het lichaam dat Hij mij had gegeven, zozeer in dienst stelde van de zonde?! De Reine kan alleen vol afschuw zien naar deze schennis van het lichaam, waarin Hij na de reiniging door het bloed van Zijn Zoon wil wonen als in een tempel.
Daarom wil ik met klem tegen u zeggen: als uw man u op het slechte pad wil brengen, ga dan niet met hem mee, want daar zit de vorst der duisternis achter. Ga niet naar een waarzegster of naar iemand met okkulte krachten. Doe niet mee aan kaartlezen of andere magische geheimzinnigheden. Zeg radikaal tegen de satan met al zijn slimmigheden: "Ga weg! In de Naam van Christus: ga weg!"
Mijn man liet mij in de steek, toen ik 35 was. Dit greep mij zozeer aan, dat ik eraan dacht een einde aan mijn leven te maken.
Misschien had ik er de moed niet toe. Misschien verwachtte ik toch nog een beetje geluk, hoe dan ook.
Ik zette mijn zondige leven voort, bleef verslaafd aan de drank en zakte steeds dieper weg in de modder, terwijl er toch ergens in mij een zoeken was naar iets dat mij werkelijk vrede zou geven.
Een vriendin had mij al eens vaker uitgenodigd mee te gaan naar een evangelisatiesamenkomst, maar ik had steeds geweigerd met als motief of misschien beter: als voorwendsel: "Ik geloof toch immers in God".
Ja, alle Zuid-Amerikanen geloven in God. Wij gaan naar de kerk, laten onze kinderen dopen en zorgen ervoor dat ze hun eerste communie doen. We vereren de beelden van Maria en van de heiligen. We zetten die beelden in de bloemen en steken er kaarsen voor op.
Maar… God woont niet bij ons. Zijn Heilige Geest heeft niet bezit van ons genomen. We zijn niet met Christus verbonden als de levende rank met de levengevende Wijnstok. Wij kennen God niet met ons hart. Hij is voor ons een God van verre. Maria en de heiligen, op hen stellen we ons vertrouwen.
Die God leren we slechts dan kennen, als wij naar Hem gaan luisteren. En Hij wil tot ons spreken door Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest.
Dan zullen we tot de ontdekking komen hoe groot de liefde van God is en hoezeer wij tegen Hem gezondigd hebben. Dan zullen we vol verwondering zien met welk een geduld Hij ons verdragen heeft en dat Hij, in plaats van ons te verdelgen en voor altijd van Zich weg te werpen. Zijn Zoon aan ons heeft gegeven. Dan ga je je schuldige hoofd buigen in ootmoed, omdat wij zolang aan die Zoon, aan Zijn kruis, Zijn verzoenende lijden en sterven voorbij zijn gegaan.
De Heere heeft mij tot de aanvaarding van de genade, tot het aannemen van Christus (Joh. 1:12) als mijn enige en volkomen Zaligmaker gebracht. Sindsdien weet ik voorgoed dat mijn zonden vergeven zijn. Ik ben met Christus gekruisigd, met Hem gestorven en mijn oude mens is met Hem begraven. En daardoor mocht ik ook met Hem opstaan tot het nieuwe leven. Ik heb mijn zware last aan de voet van het kruis mogen neerleggen en ben bevrijd en vol vreugde achter de goede Herder aangegaan.
Sommigen zeggen tegen mij: "Hoe kun jij nu gelukkig zijn? Je staat immers helemaal alleen in het leven". Dan is mijn antwoord:
Nee, de Heere is sinds mijn bekering altijd bij mij. De goede Herdergeleidt mij, zelfs al ga ik door een dal van de schaduwen van de dood (ps. 23). Ik mag leven in Zijn aanwezigheid. Daarom kan ik elke dag zingend opstaan. Hem loven en danken. Hij gaat heel de dag met mij mee. Deze Geliefde verlaat mij nooit.
U die mij hoort, zoek het toch niet in geld, overdaad en aards genot. U moet mij niet beklagen, maar ik beklaag dan ú, want ten diepste bent ú dan alleen. Uw ziel is leeg, uw hart bloedt dood van verlatenheid, als u Gods liefde niet kent en persoonlijk ervaart in Jezus Christus. Kom toch tot "God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden" (1 Tim. 2:4). "Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar eeuwig leven hebbe" (Joh. 3:16).
In Zijn oneindige liefde komt God tot ons. Hij komt om de zieken te genezen, want de gezonden (dat is: zij die denken dat ze gezond zijn) hebben Hem niet nodig als Geneesheer.
Maar wij zijn allemaal ziek, ziek door de zonde. En wij leven in de duisternis, terwijl we vergeefs proberen om op eigen kracht ons daaruit te verlossen en ons heen te werken naar het licht.
Toen ik mij definitief in geloofsvertrouwen aan Christus had overgegeven, wist ik dat ik een nieuwe schepping was geworden en een radikale geestelijke wedergeboorte had doorgemaakt.
Ik wist ook dat ik voortaan behoorde tot een andere familie, tot het huisgezin Gods. Ook wat dat betreft sta ik dus niet meer alleen.
Voortaan schrei ik nog, maar vanwege mijn zonde en vanwege de vreugde om de vergeving, de vreugde omdat God mij, onreine, als Zijn door Christus gereinigde kind heeft aangenomen. Voortaan kan ik lachen, maar met een echte lach die uit een vernieuwd hart voortkomt, niet meer met die gemaakte lach van vroeger.
De Heere geneest ook de wonden, die in mijn kinderziel zijn geslagen. Hij brengt mij ertoe om oprecht te vergeven wat anderen mij hebben aangedaan.
Zo had ik bv. al 15 jaar niet meer met mijn vader gesproken en ik had hem evenmin geschreven. Maar sinds mijn bekering ben ik op zoek gegaan naar zijn adres. En dat heb ik eindelijk gevonden. Nu vertel ik hem over het wonder dat God aan mij heeft verricht en schrijf hem in een geest van vergevingsgezindheid, die Christus in mij heeft opgewekt. (Mijn moeder stierf zestien jaar geleden).
Ja, ik ben nu een diep-gelukkig mens. Hoe zou ik nu niet gelukkig zijn, nu ik bevorderd ben tot de staat van dochter van de Koning der koningen, tot de heerlijke positie van kind van God? Nu ik de enige ware God mag kennen, persoonlijk mag kennen, mag kennen met mijn hart, in liefde en geloofsvertrouwen! Die God die alleen waard is om aanbeden te worden! Die God die mij de kracht geeft om te vergeven zoals Hij mij vergaf, toen ik verloren lag in schuld en bederf, toen ik ziek was door mijn zonden!
Ik dank U, hemelse Vader, want U bent bij mij. U beschermt mij. U houdt van mij met uw barmhartige liefde. Ik dank U, omdat U mij telkens weer reinwast met het bloed van Uw eigen Zoon. Ik dank U, Vader, voor de nieuwe geestelijke familie, die ik gekregen heb, voor de broers en zussen in Jezus Christus.
En u die naar mij luistert, als u heden Gods stem hoort, geef dan gehoor aan die stem! Ga niet met de last van uw zonden hier vandaan. Leg die last neer aan de voet van het kruis, zoals ik dat ook heb mogen doen. Geef u in geloofsvertrouwen over aan de goede Herder, die Zijn leven gaf om afgedwaalde, verloren schapen te redden.
En ik kan u de verzekering geven dat je dan een weg zult gaan bewandelen van licht, liefde, vreugde en vrede. God Zelf belooft dat in Zijn Woord. En ik, en zovele anderen, wij kunnen getuigen dat God Zijn Woord houdt. Wij, mensen, zijn sinds de zondeval allemaal leugenachtig. Maar God is getrouw. Hij breekt nooit Zijn belofte. Aan Hem zij alle eer en dankzegging tot in de eeuwen der eeuwen! Amen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
