ONTMOETINGEN 22
Is het vreemd, of misschien zelfs verkeerd, wanneer je met je hele hartje hele wezen, verlangt om met, voor en door de Heere te leven? Wanneer je in de volle afhankelijkheid van Hem je in al je gedachten, woorden en werken wilt laten leiden, sturen, stuwen, inspireren door de Heilige Geest? En dat je er tegelijk bang voor bent. wanneer dat werkelijk zou gaan gebeuren?
Ik verlang soms zo naar die gemeenschap. Ik wil zo graag Zijn nabijheid ervaren en dus ook zeker weten dat Hij mijn leven leidt.
Wat zou het fijn zijn, wanneer ik elke morgen niet met woorden, maar met mijn hele hart de aanbrekende dag in Zijn handen zou kunnen leggen! Want dan magje er zeker van zijn dat Hij een wacht stelt voor je lippen en je wijsheid, liefde, krachten geduld zal geven.
Maar als dan in preken, boeken en gesprekken de vruchten van de Geest als een 'bewijs' van de verzekerdheid naar voren worden geschoven, schrik ik er weer voor terug. Dan zeg ik: het kan niet dat de Heiligheid in mij zou willen wonen en dat ik door God in Zijn dienst ben gekozen!
Dan is er ook nog de angst om uit die besloten veiligheid van de anonimiteit naar voren te moeten treden, terwijl ik van de andere kant weet dat de Heere dat van mij verwacht en ik het ook wel graag zou willen: getuige van Christus te zijn, ondanks de vijandigheid waarvan ik van tevoren weet dat ik die mij dan op de hals haal.
Dan moetje ook buiten je eigen huis spreken over Zijn grootheid en liefde. Dan zal ik ook Zijn Naam moeten belijden door deel te nemen aan het Heilig Avondmaal wat ik tot nog toe niet heb durven doen. ook al heb ik openbare belijdenis van mijn geloof afgelegd.
Sommige mensen zijn zo duidelijk "gegrepen", zo maar uit de wereld, maar bij mij is de interesse onverwacht, vanuit mijn dagelijkse leven, opgekomen en door heel veel op en neer's heen uitgegroeid tot een hevig verlangen om mijn hele leven aan de Heere toe te wijden.
Eerst had ik veel moeite om te erkennen dat ik zocht en wat ik zocht. Nu niet meer. Nu zou ik het aan iedereen willen toeroepen: Ik zoek vrede met God; mijn hart is zo onrustig en vol zorgen; ik kan de verantwoording van het gezin en van mijn eigen leven niet dragen; ik heb Hem nodig om te leven en te sterven.
Telkens komt bij mij de gedachte naar boven: "Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten", maar ik durf bijna niet aan te nemen dat ik daar ook toe behoor.
Toch zie ik de groei in mijn geestelijk leven. Het gespannen bezig zijn met de middelen om God te vinden is er af. Wanneer een preek of boek mij eens een keer niet zo aanspreekt, ben ik niet gelijk helemaal van streek, nee, gelukkig niet. Er is tot op heden niet meer zo dat geschommel: hoog-laag, hoog-laag.
Maar al zijn er dan nu geen uitzichtloze diepten meer, er is toch nog geen duidelijk zicht naar Boven. Het is net zo iets als ps. 88. Ik zou graag wat meer licht hebben op de heilsfeiten. Ik zou graag meer van Zijn heerlijkheid zien om Hem te kunnen loven en prijzen.
Daarom heb ik nog altijd zoveel moeite met het Avondmaal. Als het over Zijn lijden en sterven, dus over Zijn verzoenend en verlossend werk, gaat, is het net of er een luikje voor mijn verstand schuift. Alles blijft dan zo ver, zo vaag en vreemd voor mij. Dan kan ik niet aangaan, ondanks de andere punten die ik wel beamen kan. Want als je verstand niets wil, dan doet je hart het zeker niet.
ANTWOORD
Ik ben heel erg blij met het begin van uw brief: dat intense verlangen om in volkomen afhankelijkheid van de Heere te leven, die begeerte om op te gaan in Zijn liefde, om u geheel te wijden aan Zijn eer, Zijn Koninkrijk.
Dat is nu juist genade! Dat is het gevolg, niet van uw poging om u naar Hem op te werken, tot Zijn hoogte te naderen, maar van Zijn genadig neerdalen naar u. Zijn verschijning aan u. Zo laat de Heilige Geest een mens Christus zien zoals Hij woont en wandelt in Zijn Woord, de Schrift.
U zult zelf al vaak de Heere gedankt hebben voor dat verrassende werk in u; ik, wij, lezers van 1RS, verblijden ons met u.
Dat is de gemeenschap der heiligen, de innige band tussen hen die Christus toebehoren: "En hetzij één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede. En gij zijt het lichaam van Christus" (1 Kor. 12:26-27).
Nee, het is niet vreemd dat u ervoor terugschrikt om die volkomen overgave ook werkelijkheid te laten worden. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn:
In de eerste plaats is zulk een schroom eigen aan elke waarachtige liefde. Wanneer een jongen geboeid is door de innerlijke, en eventueel ook door de uiterlijke schoonheid van een meisje, dan voelt hij zich aanvankelijk erg verlegen tegenover haar. Hij durft niet zo maar te veronderstellen dat ook zij hem liefheeft.
Iets dergelijks voltrekt zich ook bij u. U bent geboeid door de geestelijke schoonheid van Christus, de Afdruk van Gods wezen, de Weerspiegeling van Zijn heerlijkheid, de Alfa en Omega, de blinkende Morgenster.
En dan is die schuchterheid op z'n plaats. Mensen die het heel gewoon vinden dat de Zoon van God hen uitnodigt tot de eenwording in de liefde, doen er goed aan zich af te vragen of ze dat eeuwig levende Woord wel waarachtig ontmoet hebben.
Een tweede oorzaak waarom wij terecht schuchter staan tegenover de aanvaarding van het liefde-aanbod van Christus, is onze zondigheid.
Tegenover Hem als de Reine, de volstrekt Schuldeloze, zie je des te meer hoezeer je zelf onrein en schuldig bent. En dan is een eerste reaktie: nee, ik kan nooit in aanmerking komen voor Zijn liefde. Het is brutaal van mij om te denken dat Hij naar mij. onwaardige, zou willen omzien.
Maar we mogen niet blijven staan bij deze begrijpelijke reaktie. Want we zien daarna dat God Zichzelf in de Bijbel openbaart als Degene die er juist lust. plezier, in heeft om zondaars, zoals ik er een ben, te vergeven en in liefde naar Zich toe te halen.
En uit de kracht van ons geloof in de volstrekte betrouwbaarheid van Gods Woord moeten en mogen we dan zeggen: "Heere, ik geloof in Uw neerdalende goedheid. U bent zo geheel anders dan wij. Wij zouden nooit in staat zijn om mensen die ons zo diep gekrenkt hebben zoals wij U hebben gekrenkt, te vergeven en zelfs een eenheid in liefde met hen te willen aangaan. Heere, ik geloof in U zoals U Uzelf in Uw Woord aan mij openbaart. Ik geef mij restloos over aan Uw erbarmende liefde. Ik wil graag helemaal een met U worden in Jezus Christus".
Daar is ook nog een derde reden voor aarzeling, die uzelf eveneens noemt. Die komt voort uit ons 'vlees'. Want dat 'vlees' begrijpt dat het sterven moet, wanneer Christus in de gelovige leven gaat. Dat 'vlees', dus onze zelfzucht, verzet zich daar taai tegen en zal dat blijven doen, ook als wij ons aan de overwinning door Christus hebben overgegeven.
Maar doe daar nu niet krampachtig over. LAAT uzelf bekwaam maken door de Geest van Jezus Christus. Die Geest wil dat doen door het levende Woord, door u steeds meer de liefde van Christus te laten zien.
Vanuit het zien van die liefde van Christus, zal Zijn liefde steeds meer vlees en bloed in u worden. Dat gaat voor een groot gedeelte ongemerkt, al zal daarbij de strijd niet ontbreken. Wij zullen ook telkens bewust nee moeten zeggen tegen de verleidingen van de zelfzucht, van het 'vlees'.
U schrijft over het Heilig Avondmaal; dat u daaraan niet durft deelnemen, omdat uw verstand u zo weinig zicht geeft op de heilsfeiten. Daarover twee opmerkingen:
1. Het is inderdaad belangrijk een goede kijk te hebben op wat de Bijbel daarover leert. In "Hoe leef ik met een genadig God?" heb ik onderscheid gemaakt tussen de heilsfeiten waarvan Christus het Middelpunt is nl. Zijn sterven, opstanding en hemelvaart, èn het heilsfeit waarvan de Heilige Geest het Middelpunt is nl. Zijn nederdaling op de Pinksterdag.
De heilsfeiten van Christus staan buiten ons. Ze zijn eens en voorgoed geschied, maar behouden hun geldigheid voor alle tijden. Die heilsfeiten zijn de onwrikbare grond van mijn heilszekerheid. In mij kan alles overhoop liggen, maar het Kruis blijft staan. Op grond van dat Offer van Christus blijft het welgevallen Gods voor altijd op mij rusten.
Maar het werk van de Heilige Geest geschiedt juist niet buiten mij, maar voltrekt zich in mij. Die Heilige Geest laat mij wel naar buiten zien, naar Christus. Onder Zijn beademing zegt Hij door het Woord tegen mij: "Dat is allemaal voor jou! Christus is er helemaal voor jou. Zozeer heeft God de wereld liefgehad (Joh. 3:16)".
En die Geest wil u, zoals Hij dat met Maria gedaan heeft, er steeds meer toe brengen dat u met volle overgave tegen Christus zegt: "Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar Uw woord".
2. Maar die goede kijk op de heilsfeiten is niet het een en al. Mensen kunnen een heel helder zicht op die feiten hebben en toch verloren gaan, omdat ze ze niet met hun hart hebben aanvaard.
Als uw hart uitgaat naar het Avondmaal, zet dan alle verstandelijke bezwaren opzij en volg de stem van uw hart. Ga dan naar de tafel des Heeren om Hem daar te ontmoeten in de tekenen en zegelen van brood en wijn. Hij verwacht u daar. Hij wil Zichzelf daar helemaal aan u geven. Stel Hem niet teleur. Neem deel aan dit feest van Zijn liefde. Denk aan wat Esther zei: "Kom ik om, dan kom ik om". Maar weet vanuit de rijkdom van de liefde die God in Zijn Zoon openbaart, dat Zijn gouden scepter u genadig zal aanraken en dat Hij u naar Zich zal toehalen om u Zijn barmhartigheid toe te fluisteren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
