Henk van Teylingen (slot)
WE LATEN NU WEER HENK AAN HET WOORD. U persoonlijk, dominee Hegger, bent mij sympathiek, en dat bent u ook altijd geweest. Ik herinner me geenszins geleden te hebben onder uw aanwezigheid, zoals Henk Bavink onder die van Steven Stoffels - integendeel. Maar door bestaande karakters en situaties te vervormen - rondom het centrale thema van de vraag hoe de almachtige liefdevolle God zoveel ellende kan gedogen - heb ik de hele kwestie verhevigd weergegeven. Het antwoord op deze vraag heb ik inmiddels gevonden in de Krishna-religie.
Henk, jij stelt je vader vragen over het probleem van het lijden. Je noemt Auschwitz, je beschrijft dit tragische gebeuren: "Als God zo liefdevol was zoals Vader steeds maar weer uitriep, hoe kon Hij dan een granaat hebben laten ontploffen in de kelder van bakker Bosboom, zodat al de vier zoons in één klap gedood waren?" (p. 19).
Mag ik jou dan vragen: Heb jij een bevredigend antwoord op het raadsel van het ontzettende lijden in de wereld? Misschien luidt je antwoord: 1. Alles is onderworpen aan een ijzeren wet van oorzaak en gevolg of: 2. De mens kan alleen maar bevrijd worden door een groei in de volmaakte wetsvolbrenging via een reeks van vele incarnaties (de oplossing van veel oosterse religies).
Het spijt me, maar ik kan met die antwoorden niet leven. Het zou vreselijk voor mij zijn, wanneer ik mij overgeleverd zou weten aan een blinde, onpersoonlijke wet van (morele) oorzaak en gevolg. Mijn hart zou daarbij doodbloeden. Daarvoor ben ik te lang gewond geweest onder de harde wet van het kloosterwezen.
Dan buig ik mij liever, kreunend van pijn en teleurstelling, voor een Vader die ik niet begrijp, maar toch liefheb en van Wie ik door mijn tranen en twijfels heen blijf geloven dat Hij mij liefheeft.
Henk. ik ben ervan overtuigd dat jij moeite hebt in God een Vader te zien, omdat je door je jeugdervaringen zulk een negatief beeld van wat een vader is, hebt meegekregen.
Waarom ik daar zo zeker van ben? Omdat ikzelf met die moeite gezeten heb. Ik heb dat beschreven in "Mijn weg naar het licht". Maar in mij is, onder de verlichting van de Heilige Geest, een beeld van de Vader gaan rijpen die zo geheel anders is, een Vader die niet onbewogen het leed van Zijn schepselen bekijkt en zelfs veroorzaakt, maar die er middenin is gaan staan, doordat Hij Zijn eigen Zoon heeft gegeven tot een verzoening voor mijn zonden.
Nog een vraag: Je schrijft overdie zilveren rijksdaalders, die je van mij gestolen had. Ik kan er alle begrip voor opbrengen dat je daartoe gekomen bent, omdat je zo weinig zakgeld kreeg.
Maar ik had na zoveel jaar verwacht dat je ronduit had geschreven dat dit desondanks niet mocht.
Je schrijft over de diefstal uit de spaarpot van je tante: "Maar als zij die hem toch met il haar vroomheid als Vaders zus het voorbeeld zou moeten geven, zo oneerlijk tegen ïem had kunnen zijn, moest hij dan als jongen van nog geen twaalf, die in zijn hart zo toddeloos was als de heidenen, opeens goudeerlijk gaan doen?" (p. 68).
Als je tante je inderdaad zo behandeld heeft, kan ik mij voorstellen datje daar laaiend )m was. Maar als volwassene - je bent nu al 49 - had je je van dat vroegere goedpraten /an je diefstal moeten distanciëren.
Wat denk jij er zelf van, wanneer we zulk een samenleving zouden krijgen, waarin eder met het grootste gemak zijn diefstal goedpraat? Vind jij het prettig dat iemand op ^rond van zo'n zelfde redenering je fiets steelt, die je gloednieuw hebt gekocht?
Maar om nu op die diefstal van mijn rijksdaalders terug te komen, je wist toch dat ik zo arm was "als een kerkrat". Vind je het dan nu nog heel gewoon dat je die spaarcentjes van mij in je zak stak? Je schrijft:
'Stoffels kwam de trap af. 'Een ogenblikje, Henk'. Hij bleef staan. 'Ik heb verkeerd over je gedacht', zei Stoffels. 'Ik had even gemeend dat jij misschien die rijksdaalders…'
'Dat had u dan juist gemeend', hoorde Henk zichzelf zeggen. 'Maar je moeder zei me vanochtend…' 'Ik kan niet tegen haar gezeur open daarom heb ik maar wat tegen haar gezegd'. Hij begreep niet waar hij de eerlijkheid vandaan haalde.
'Eert uw vader en uw moeder', zei Stoffels vermanend. 'Maar hoe dan ook, ik wou je zeggen: ik ben hier zomaar in huis komen wonen zonder jou te vragen of ook jij het goed vond, en misschien is twee dominees op je dak wel een beetje te veel van het goede… Ik verhuis overigens volgende maand naar Kampen (schuilnaam voor Denderleeuw. HJH). Ik wou je wat geven als blijk van mijn dank voor je verdraagzaamheid. Ik heb weliswaar geen inkomen en het is maar een klein boekje, maar het is volgens mij verschrikkelijk spannend. Je leest toch Engels?'.
Henk wikkelde het papier los en las: The Jivaro Art of Head-Shrinking. Zijn handen trilden. 'Goed gekozen of niet?' zei Stoffels. 'Het gaat over koppensnellers in Brazilië'. Henk kreeg zijn kaken niet van elkaar.
Het was alsof Stoffels, zoals Luther eens een inktpot naar de duivel had gegooid, nu hém als duivelse rijksdaalderdief dit duistere boekje naar de kop smeet. Hij strompelde zijn kamertje in" (p. 121).
HENK:
Hierbij zend ik u tevens een tientje, zijnde vijf gulden die ik in mijn droeve jonkheid van u stal, vermeerderd met rente. Als volwassene vraag ik u nog excuus. Ik weet - gezien de hele toon en gerichtheid van uw recensie - dat u mij al vergeven hebt. Diefstal, zeg ik nu, is een slag in het gezicht van God, die ons in Zijn genade zoveel geeft dat we het niet eens zien en blind om ons heen graaien naar rotzooi.
Ik leid een geestelijk leven: vegetarisch, vrij van alcolhol, tabak en drugs, handelend -voor zover bij machte - uit de Heilige Schrift van Krishna, de Bhagavad-gita, waaruit ik Jezus heb leren kennen als Gods Zoon, zij het niet als de enige.
God is en blijft steeds de Ene - in wiens liefde u mij geschreven hebt, en in wiens liefde ik u probeer te antwoorden.
Uw dienaar. w.g. Henk van Teylingen
P.S. Doet u a.u.b. mijn vriendelijke groeten aan de vrouw aan uw zijde - ik hoop dat de Heer haar daar nog steeds heeft gelaten - en die wij als kinderen Willy mochten noemen.
Tenslotte schrijf je nog over mij: "De ergernis van Henk steeg ten top, toen de bekeerling er erg in kreeg hoe schamel zijn geloof was en hem met bezwerende beschrijvingen van 'persoonlijke ontmoetingen met God' over de streep probeerde te trekken' (p. 112).
Beste Henk, dat was voor mij de grote teleurstelling, toen ik kennis maakte met het Nederlandse protestantisme. Waarom was ik geboeid door het Braziliaanse protestantisme? Omdat die allereerst het leven, het eeuwige leven verkondigden dat Christus is komen brengen voor hen die persoonlijk in Hem zouden geloven en pas in de tweede plaats de leer, die achter deze verkondiging staat.
Maar hier trof ik, althans bij de gereformeerde kerkmensen, ook bij de gereformeerde dominees, allereerst een leer(strijd) aan en pas in de tweede plaats, en vaak helemaal niet, werd er onder elkaar gesproken over de heerlijkheid dat je je het eigendom van Christus mocht weten.
Ik kan mij daarom jouw teleurstelling over het (Amsterdamse) gereformeerdendom goed indenken. Ik kreeg de indruk dat je daar pas wat betekende, wanneer je een doctorstitel had of zwaarwichtige artikelen over de uitverkiezing, het verbond of over een al of niet veronderstelde wedergeboorte kon publiceren.
Voor zulk een gereformeerde geleerdheid zou ik mijn roomse geleerdheid (ik was tenslotte professor in de filosofie en in de geschiedenis van de filosofie - om ook eens een keer met titels te schermen) nooit hebben willen inruilen. Onze roomse theologie zat, ook al was die helemaal in strijd met de Bijbel, filosofisch zeer knap in elkaar. En daarom wil ik je toch aanraden om (opnieuw) een ander Boek te gaan lezen, nl. de Bijbel. Daarin gaat het ook over koppensnellen, maar van een ander gehalte. Die Bijbel verkondigt dat de harde kop van mij. Herman, en de harde kop van jou, Henk, eraf moet. Wij moeten sterven aan ons hoogmoedige 'ik', maar om op te staan tot een nieuw, een glorieus liefdeleven in de gemeenschap met een God, die in Jezus Christus een wonderbare, barmhartige, échte Vader wil zijn. En dat bid ik jou, beste vriend Henk, van harte toe. (Niet opnieuw boos worden aub.).
TENSLOTTE:
Henk zond mij een door hem geschreven brochure "De zoete waarheid van RadhaKrishna". Het lijkt mij echter niet juist om in het kader van deze recensie daarop in te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
