II GODS TROUW AAN ZIJN VOLK
God blijft ononderbroken trouw aan Zijn volk door de eeuwen heen, ondanks alle mogelijke ontrouw van dat volk (Rom. 3:3^). Dat is een troostvol bijbels gegeven voor ons, gelovigen, die voortdurend te strijden hebben tegen zonde, afdwaling en ontrouw en die struikelen in vele dingen (Jak. 3:2).
We zullen echter wel moeten nagaan wat de Bijbel bedoelt met Gods volk.
A. Gods van ouds uitverkoren volk: Israël.
Ondanks het feit dat de Joden Christus als waarachtige Zoon van God geloochend en Hem zelfs gekruisigd hebben, antwoordt Paulus op de vraag: "Heeft God dan Zijn volk verstoten?" met: "Volstrekt niet!" (Rom. 11:1).
We zien dan ook dat de apostelen en de eerste christenen uit de Joden zich nooit uit eigen beweging van Israël hebben afgescheiden.
Ze hadden wel hun eigen samenkomsten, maar bezochten evenzeer de tempel: "Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap (van huis tot huis brood brekende. SV) en eenvoud van het hart" (Hand. 2:46). "Petrus en Johannes gingen eens naar de tempel op het uur van gebed, het negende uur" (Hand. 3:1).
Wanneer zijn zij opgehouden de synagogen te bezoeken? Vanaf het jaar 85, toen onder druk van de opperrabbijn Gamaliël II de vervloeking van de christenen, en indirekt van Christus, in de liturgie van de synagoge werd ingevoerd. Toen werden zij uit de synagoge weggevloekt.
Maar de waarachtige christenen uit de Joden zijn net als Paulus altijd blijven hopen op en bidden om de bekering van hun vroegere geloofsgenoten. Ze hebben Israël nooit radikaal afgeschreven.
B. Het volk Gods uit de heidenen (Hand. 15:14).
Dat is de christelijke kerk, die niet in de plaats van, maar naast Israël door God in het leven is geroepen. (De R.-K. Kerk ziet zichzelf als het nieuwe volk van God in de plaats van Israël. Zie Verklaring over de houding van de Kerk t.o.v. de niet-christelijke godsdiensten". Tweede Vat. Concilie, nr. 4).
God blijft ook aan het volk Gods uit de heidenen trouw ondanks de menselijke ontrouw van de kerkleden en kerkleiders.
Daarom mogen wij een kerk niet zo maar uit eigen beweging verlaten, tenzij wij eruit weggevloekt worden. Als dat gebeurt, moeten we, precies zoals de christenen uit de Joden na 85 niet meer de synagoge bezochten, niet meer de samenkomsten in die kerk bezoeken.
Dat nu is gebeurd tijdens het Concilie van Trente. Toen zijn de Christus-getrouwe gelovigen uit de R.-K. Kerk weggevloekt. (Zie p. 6-7).
Daarom kunnen wij, christenen van de Reformatie, de samenkomsten van de R.-K. Kerk niet meer bezoeken en in elk geval geen lid zijn of worden van die kerk en moeten wij dus ergens anders als volk Gods uit de heidenen gemeenschap met de Heere betrachten in de gemeenschap met elkaar.
Maar ook wij moeten hopen op en bidden om de bekering van de R.-K. Kerk zowel van de kerkleden als van de kerkleiders. Wij mogen de R.-K. Kerk nooit helemaal afschrijven.
Regeringsvormen van het volk Gods
A. Van Israël.
Gods oorspronkelijke bedoeling was dat Hij Israël Zelf zou regeren, doordat Hij richters zou verwekken al naar gelang Hem dat goed dacht. Israël is echter tegen dat plan Gods ingegaan en heeft een erfelijk koningschap geëist en de Heere heeft met veel geduld en lankmoedigheid die wens van de Joden ingewilligd. Maar zo had Hij het niet bedoeld. Zie 1 Sam. 8.
(Daarom kan ik de huidige natie Israël nog niet zien als beantwoordend aan wat God Zich had voorgesteld. Een Israël dat op demokratische wijze door verkiezingen zijn eigen regering kiest, vind ik nergens in de Bijbel. Dat neemt niet weg dat ik in de terugkeer van de Joden naar het eenmaal beloofde land en in de oprichting van de staat Israël Gods leiding zie).
B. Van het volk Gods uit de heidenen.
De Heere heeft ook aan dat volk een regeringsvorm gegeven, die wel gelijkenis heeft met de regeringsvorm van Israël, maar er ook van verschilt.
1. Dat volk Gods uit de heidenen wordt politiek niet geregeerd door van God rechtstreeks aangestelde richters of door een door God toegestaan erfelijk koningschap.
Dat volk Gods heeft allereerst een geestelijke, niet een staatkundige gestalte, al verwacht de Bijbel van christenen die geroepen zijn om een volk politiek te besturen, dat zij dit doen overeenkomstig de normen van Gods Woord.
En uit Mat. 28:19: "Maakt alle volken tot Mijn leerlingen" meen ik te moeten opmaken dat een christenvolk ook als zodanig, dus ook als nationale eenheid, de heerschappij van Christus openlijk hoort te proklameren.
2. Er is niet meer de leiding van een hogepriester en ook de bediening van priester voor het brengen van offers is opgehouden; zie de brief aan de Hebreeën.
Daarom is de cultische eenheid niet te zoeken in het voortdurend opdragen van nieuwe (mis)offers, maar in het gezamenlijk nuttigen van de gedachtenismaaltijd, ("Doet dit tot een gedachtenis aan Mij" - Lukas 22:19), waarin "gij de dood des Heeren verkondigt, totdat Hij komt" (1 Kor. 11:26), niet: waarin gij de dood des Heeren opnieuw tegenwoordig stelt en in die zin het kruisoffer herhaalt.
3. Het nieuwe principe van regering wordt: "Eén is uw Meester, (namelijk) Christus; en gij zijt allen broeders" (Mat. 23:8). Daarom noemt de apostel Petrus de andere ouderlingen ook "mede-ouderling" (1 Petr. 51:1), niet "ouderlingen onder mij" die stipt mijn bevelen hebben uit te voeren.
Daarom worden de ambtsdragers in het N.T. ook nergens priesters in een bijzondere zin. hoger dan het priesterschap van alle gelovigen, genoemd.
Slechts de gelovigen tezamen worden "priesters - hiereis" genoemd. Petrus schrijft aan de hele gemeente: "Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus" (1 Petr. 2:5).
4. In wezen zijn dus alle gelovigen aan elkaar gelijk. Ze zijn allen broeders en zusters van elkaar, leden van het geheimnisvolle lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Wel wordt de gemeente tot de orde der liefde geroepen, "want God is geen God van verwarring, maar van vrede". "Maar laat alles betamelijk en in goede orde geschieden" (1 Kor. 14:33, 40).
5. Om die goede orde te vergemakkelijken en te bevorderen heeft Christus bepaalde bedieningen ingesteld: evangelisten, profeten, herders en leraars (Ef. 4:11) "tot opbouw van het lichaaam van Christus" (v. 12).
Tot die herders moeten de ouderlingen (oudsten, presbyters) gerekend worden, want Paulus beschrijft hun taak aldus: "Geeft acht op uzelf en op heel de kudde, waarover de heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij verwierf door het bloed van Zijn eigen Zoon" (Hand. 20:28). Hun funktie was reeds aanwezig in het Oude Testament en moet dus vandaaruit verklaard worden.
"Reeds in Egypte had Israël zijn oudsten; zie Ex. 3:16, 18 e.a. Ook tijdens de woestijnreis worden zij vermeld, zie Ex. 18:12; 24:1; Levr. 4:13-15; 9:1; Num. 11:16 e.a. Mozes stelde op raad van Jethro hoofden over het volk aan om hem te helpen bij de rechtspraak.
"Oudsten komen in het N.T. allereerst voor in burgerlijke zin, overheidspersonen, gelijk er ook een aantal zitting hadden in het sanhedrin, Matt. 28:12; Lukas 7:3 enz. Vooral echter komt het woord voor van de kerk, waarin de oudsten of ouderlingen met de leiding belast waren. Ouderlingen is dan hetzelfde als opzieners of bisschoppen. Het blijft merkwaardig dat het N.T. ons welde instelling van het diakenambt, niet die van het ouderlingenambt verhaalt. De ouderlingen werden door de apostelen of hun helpers aangesteld met medewerking van de gemeenten. Hand. 14:23; Tit. 1:5" (Bijbelse Encyclopedie, p. 374).
6. Er wordt in het N.T. op geen enkele wijze gezegd dat er ouderlingen zijn in een bijzondere funktie, die over de andere ouderlingen heerschappij mogen voeren. Zelfs de apostel Petrus noemt zich slechts "mede-oudste", niet een super-oudste (1 Petr. 5:1).
Wel lezen we: "De presbyters die zich goede bestuurders tonen, verdienen dubbele eer, vooral zij die zich belasten met prediking en onderricht" (1 Tim. 5:17). Maar ook daar is geen sprake van een heerschappij van ouderlingen over elkaar.
Wanneer later bisschoppen worden aangesteld, die over de oudsten gaan regeren, is dat in strijd met de regeringsvorm, die God aan Zijn volk uit de heidenen heeft gegeven. En dat wordt nog veel erger, wanneer een paus zich boven de andere bisschoppen gaat verheffen en zich een absoluut leergezag en een absolute bestuurs- en rechtsmacht toekent. Dan is het principe van Christus: "Gij zijt allen broeders" volkomen teniet gedaan.
Dan is de continuïteit met de kerk van de apostelen verbroken. De apostolische successie is er dan niet meer.
Uit het N.T. is duidelijk dat het ambt van presbuteros (oudste) en episcopos niet van elkaar onderscheiden zijn. Het zijn twee benamingen voor dezelfde zaak.
Immers in Hand. 20:28 zegt Paulus tot de oudsten van Efeze (v. 17) dat de Heilige Geest hen tot opzieners, leiders, 'episcopoi', heeft aangesteld. Die oudsten waren toch zeker niet allemaal bisschoppen van die ene stad Efeze?
En Paulus schrijft aan Titus dat hij in elke stad van Kreta presbyters (oudsten) moet aanstellen (Titus 1:5). En hij vervolgt: "Een leider (espiscopos) moet…". Ook daar dus een duidelijke vereenzelviging van het ambt van oudste en opziener, van presbuteros en episcopos.
7. Wij handelen volledig in overeenstemming met de apostelen, wanneer wij de dwingelandij van de paus en de bisschoppen met alle beslistheid afwijzen.
Aan het Lam dat voor ons geslacht is, wordt in de hemel deze lof toegezongen: "Want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen gekocht voor God met Uw bloed" (Openb. 5:9). En Paulus trekt daaruit de konklusie: "Gij zijt allen gekocht en de prijs is betaald. Wordt geen slaven van mensen" (1 Kor. 7:23).
En de apostel Petrus vermaant de oudsten: "Weidt de kudde van God waarvan gij de herders zijt… Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd" (I Petr. 5:3). En hij waarschuwt de gelovigen dat er "valse leraars" (2 Petr. 2:1) zullen komen, die "koopwaar van u maken" (v. 3 SV).
8. In Openb. 18:4 lezen we de oproep: "Vertrek, Mijn volk, verlaat de stad, opdat gij niet deelt in haar zonden en geen deel krijgt aan haar plagen". We vinden deze oproep in enigszins andere vorm vaak terug in het Oude Testament.
In Gen. 19:12 is het een aansporing om zo snel mogelijk Sodom te verlaten, omdat de stad weldra door het vuur van Gods toorn verwoest zal worden. In Jes. 48:20; 52:11 Jer. 51:6, 45 is het een vermaning om weg te trekken uit Babel.
Deze tekst wordt ook aangehaald in 2 Kor. 6:17. Uit de context blijkt dat daar bedoeld wordt het wegtrekken uit de wereld voorzover dat mogelijk is om niet zelf door de ongerechtigheid van de wereld besmet te worden. Daar is dus niet een wegtrekken uil het volk Gods (Israël of het kerkinstituut) bedoeld.
Ik meen echter dat in Openb. 18 niet de wereld wordt bedoeld, maar het volk God; (Israël en het kerkinstituut) dat dan volledig ontaard zal zijn:
"Gevallen, gevallen is Baby Ion, de grote stad! Zij werd een woonoord voor demonen een schuilplaats voor allerlei onreine geesten" (v. 2).
Dan voltrekt zich wat Christus zei in de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe "Laat beide samen opgroeien tot de oogst en met de oogsttijd zal Ik de maaiers zeggen Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden, maar slaat de tarwe op in mijn schuur" (Mat. 13:30).
We zagen reeds dat het vooreen ongelovige niet mogelijk is lid te blijven van de R.-K. Kerk, omdat hij daaruit wordt weggevloekt. Maar in het licht van Ópenb. 18 moeten we ons de vraag stellen of er niet nog een andere reden is, waarom wij op geen enkele wijze met de R.-K. Kerk als zodanig gemeenschap mogen hebben (ook al kunnen we in alle vriendschap en liefde omgang hebben met afzonderlijke rooms-katholieken). Wordt een kerk die het Evangelie onder vervloeking afwijst, niet daardoor reeds "een woonoord voor demonen en een schuilplaats voor alle onreine geesten"? En bewijst de geschiedenis van de pausen tot aan en tot lang na de Reformatie van de zestiende eeuw niet dat Rome inderdaad zulk een poel van ongerechtigheid was geworden? Men leze het "Handboek van de Kerkgeschiedenis" (4 delen) van kard. De Jong er maar op na.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
