Hangt het heil af … van handoplegging?
4 cciPE potestatem offérre sacrificium Deo, Missasque il celebrare, tam pro vivis , quam pro defúnctis. In nómine Dómini.u). Amen.
Deze tekening en die van pagina 1 is genomen uit het Pontificale Mechelen 1855. Romanum,
"Wij kunnen beter in de hand van de Heer vallen - want Zijn barmhartigheid is groot dan in de handen van mensen" (2 Sam. 24:14).
"Laat niet varen het werk Uwer handen" (Ps. 138:8).
"In Uw hand beveel ik mijn geest, Gij, Heer, die mij losser wilt zijn, Gij die een God zijt van waarheid" (ps. 31:6).
Om het gesprek met r.-k. lezers te vergemakkelijken gebruiken we de r.-k. Bijbelvertaling. Wij raden echter aan om tevens de Statenvertaling (SV) na te slaan, daar die meer letterlijk is.
Inleiding
In de eerste helft van 1987 gingen twee predikanten over naar de R.-K. Kerk kort na elkaar en op grond van eenzelfde overweging, nl. "de apostolische successie". Het leek ons daarom gewenst over dit onderwerp een aparte brochure uit te geven.
I APOSTOLISCHE SUCCESSIE
Ds. J.H. van Leeuwen beschreef in zijn brief aan zijn kerkeraad die leer als "de noodzaak van een ononderbroken overlevering van het ambt van de apostelen via de handoplegging zoals dat vanaf de oudste kerk aan de bisschoppen is toevertrouwd". Het nieuwe r.-k. kerkelijke wetboek van 1983 legde dit aldus vast:
"De Bisschop van de Kerk van Rome, in wie het door de Heer alleen aan Petrus, de eerste van de apostelen, verleende en aan diens opvolgers over te dragen ambt voortbestaat, is het hoofd van het Bisschoppencollege, Plaatsbekleder van Christus en Herder van de gehele Kerk hier op aarde; daarom bezit hij krachtens zijn ambt de hoogste, volledige, onmiddellijke en universele gewone macht in de Kerk, die hij altijd vrij kan uitoefenen" (canon 331).
"De Bisschoppen, die krachtens goddelijke instelling in de plaats treden van de Apostelen door de Heilige Geest die hun geschonken is, worden in de Kerk tot Herders gesteld om ook zelf leraren van de leer, priesters van de gewijde eredienst en bedienaren van de leiding te zijn" (Canon 375).
Letterlijk betekent "apostolische successie": opvolging van de apostelen. Men kan dat op twee manieren verstaan:
1. als continuïteit, voortzetting van de leer van de apostelen. Zo verstaan de christenen van de Reformatie de apostolische successie. Zij sluiten aan bij wat er over de eerste christenen geschreven staat: "Zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen" (Hand. 2:42). De SV meer letterlijk: "Zij waren volhardende in de leer der apostelen".
2. Als voortzetting van het ambt van de apostelen. Zo verstaat de R.-K. Kerk het. Daarom eerst nu de vraag: Wat zijn apostelen? En dan zullen we vanuit de Bijbel moeten vaststellen dat er drie soorten apostelen zijn:
1. De twaalf apostelen
Zij worden fundament van de gemeente genoemd (Ef. 2:20; Openb. 21:14). Dus niet alleen Petrus (Mat. 16:18).
Hoe is dit te verenigen met 1 Kor. 3:11: "Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus"?
Een antwoord op die vraag ontvangen we, wanneer we nagaan wat volgens de Bijbel de funktie is van de twaalf apostelen. De enige plaats waar dit wordt aangegeven, is Hand. 1:21-22.
Daar is aan de orde wie in de plaats van Judas als lid van het apostelcollege moet worden gekozen. Aan welke voorwaarde moet een kandidaat voor dat ambt beantwoorden? En dan zegt Petrus:
"Dus moet een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van Zijn verrijzenis".
Christus is fundament van de gemeente door wat Hij voor haar heeft gedaan. Hij is voor de gemeente gestorven en Hij heeft door Zijn kruisdood de verzoening bewerkt voor hen die in Hem geloven. Hij is voor de gemeente opgestaan uit de doden om haar het leven en de eeuwige opstanding te kunnen schenken. Hij is heengegaan naar het huis van Zijn Vader om daar de woningen te bereiden voor de Zijnen (Joh. 14:2) en om van de Vader de Heilige Geest te zenden (Joh. 15:26).
De apostelen echter zijn niet fundament van de gemeente door wat zij voor de gemeente hebben gedaan. Integendeel, Petrus heeft de Heere driemaal onder ede verloochend en ook de anderen hebben Hem in de steek gelaten en zijn gevlucht.
Zij zijn slechts fundament van de gemeente, doordat zij getuigen van wat Christus voor de gemeente heeft gedaan.
Om dit te kunnen getuigen was nodig: a. dat zij Hem hadden gekend vóór en na Zijn opstanding; b. dat zij daartoe door Christus Zelf (ofwel door de keuze van de gemeente en door het lot zoals in het geval van Matthias) waren aangewezen.
(Ik heb daarover uitvoeriger geschreven in mijn boek "Het zwaard over de herder" en in de brochure "Het pausdom in bijbels licht").
Daaruit blijkt al meteen dat de pausen en bisschoppen geen opvolgers van de twaalf apostelen kunnen zijn.
Zij voldoen immers niet aan de wezenlijke voorwaarde voor dit apostelschap, omdat zij Christus niet hebben gekend tijdens Diens aardse leven en Hem niet hebben aanschouwd als de Opgestane.
Christus zegt in het hogepriesterlijke gebed over de apostelen, die op dat moment bij Hem zijn: "Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven" (Joh. 17:20).
Inderdaad, het geloof wordt wel bewerkt door de Heilige Geest, maar Die doet dat door het Woord heen. En in dat Woord Gods bekleedt het getuigenis van de twaalf apostelen een fundamentele plaats.
Op grond van hun duidelijke getuigenis als mensen die Christus van nabij gezien en gehoord hebben (1 Joh. 1:1-4), zijn wij er zeker van dat wij ons geloof niet laten rusten "op vernuftig bedachte mythen" (2 Petr. 1:16), "kunstig verdichte fabels" (SV). Wij echter geloven niet in Christus op grond van het woord van pausen en bisschoppen of op wat (verschijningen) meestal aan kinderen, voornamelijk meisjes, zouden hebben gezegd, maar op grond van het getuigenis van achtenswaardige mannen, van wie de meesten hun getuigenis hebben bezegeld met hun bloed.
Al de toevoegingen aan Gods Woord door de R.-K. Kerk in de loop der eeuwen verwijzen wij, op grond van de Schrift, naar het rijk van de fabels.
2. De apostel Paulus
Hij is als apostel enig in zijn soort. Hij schrijft: "Gij hebt immers vernomen hoe de genade Gods, die mij met het oog op u gegeven is, zich heeft verwerkelijkt: dat mij door openbaring de kennis van het geheim is meegedeeld, zoals ik het reeds in het kort heb beschreven" (Ef. 3:2-3).
Paulus had dat geheimenis reeds aldus aangeduid: "Want Hij is onze vrede. Hij die de twee werelden (Joden en heidenen. HJH) één gemaakt heeft, en de scheidsmuur heeft neergehaald, door in Zijn vlees de vijandschap, de wet der geboden met haar verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in Zijn persoon uit de twee één nieuwe mens te scheppen en die beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft" (Ef. 2:14-16).
En opnieuw verkondigt hij dat geheimenis enkele verzen verder: "Nooit is het onder vroegere geslachten aan de kinderen der mensen bekend gemaakt, zoals het nu door de Geest is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten: dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het Evangelie, waarvan ik bedienaar geworden ben krachtens de gave van Gods genade, mij geschonken door de werking van Zijn macht" (Ef. 3:5-7). De pausen en de bisschoppen kunnen dus ook geen opvolgers zijn van de apostel
Paulus, want hun is geen apart geheimenis van God geopenbaard.
3. De andere apostelen
Maar ook Barnabas wordt apostel genoemd (Hand. 14:4), terwijl nergens wordt vermeld dat hij een unieke zending heeft gekregen zoals de twaalf en Paulus.
Datzelfde geldt voor Jakobus, de broeder des Heeren, die evenmin tot de twaalf behoorde (Gal. 2:9). Paulus noemt hem zelfs als eerste in de rij: "Jakobus en Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden".
Ook in 1 Kor. 15:7 wordt over apostelen gesproken, terwijl blijkbaar niet de twaalf zijn bedoeld (zie v. 5).
Titus wordt, samen met anderen, apostolos genoemd in 2 Kor. 8:23, hoewel dit woord daar misschien moet worden vertaald met "afgezant". Hetzelfde betreft Epafroditus in Fil. 2:25 en Andronicus en Junias in Fil. 2:25.
En uit het feit dat dwaalleraars zich de titel van apostel aanmatigden (2 Kor. 11:5, 13; 12:11), blijkt dat het voor de eerste christenen geen uitgemaakte zaak was dat de titel 'apostel' slechts een ambtsvoorrecht van de twaalf (of van Paulus) was. Anders zouden immers die dwaalleraars geen schijn van kans hebben gehad, wanneer zij zich zulk een titel aanmatigden, terwijl iedereen ervan overtuigd zou zijn geweest dat die titel alleen aan de twaalf (en aan Paulus) toekwam.
Op grond van dit alles schreef ik in "Zij is Mijn bruid": "Wij menen daaruit te moeten afleiden - ook al omdat het apostelschap meerdere keren vermeld wordt in de rij van de bedieningen, die blijvend zijn - dat de Heere te allen tijde aan dgemeenten van Christus apostelen wil geven d.i. broeders die een grondleggendefundamentele betekenis hebben voor het universele lichaam van Christus en didaardoor tevens de eenheid van de gelovigen sterk bevorderen" (p. 103 e.v.). Ondehen reken ik bv. de reformatoren en opwekkingspredikers van de kerkgeschiedenis
Maar nergens blijkt dat dergelijke apostelen door andere apostelen of door dgemeente moeten worden gekozen en aangesteld. Zij zijn een rechtstreekse gave van de Heere aan de universele gemeente zoals de Nieuw-Testamentische profeten een gave zijn aan de plaatselijke gemeente.
Nergens wordt gezegd dat de twaalf of Paulus of de overige apostelen een bestuursfunktie uitoefenden. Dat dit niet het geval was, blijkt ook daaruit dat als voorwaarde voor een nieuwe apostel in de plaats van Judas niet gesteld wordt dat hij bestuurscapaciteiten moet hebben, maar enkel dat hij Christus moet hebben gekend tijdens Zijn omwandeling op aarde en als de Opgestane na Zijn dood.
De apostelen hadden wel gezag. Dat blijkt o.a. uit Hand. 15. Maar het was een charismatisch gezag, niet een gezag op grond van een bestuursfunktie.
Nergens bli jkt ook dat de apostelen aan het hoofd stonden van een bisdom of een aartsbisdom. De enige min of meer territoriale terreinscheiding treffen we aan in Gal. 2. Daar spreekt Paulus over een onderlinge afspraak tussen Jakobus, Petrus en Johannes van de ene kant, en Paulus en Barnabas van de andere kant: "W ij zouden naar de heidenen gaan en zij naar de besnedenen"(v. 9). Bovendien ging het hier niet over een pastoraal bestuur, maar over een zendingstaak.
Op grond van dit alles moeten wij een opvolging van de apostelen door middel van een benoeming of keuze van mensen met alle stelligheid afwijzen.
Johannes Paulus II noemde zich bij aankomst op het vliegveld van Bonn-Keulen (30 april 1987) "de opvolger van Petrus".
Wij moeten u echter noemen "de navolger van Petrus die de Meester onder ede verloochend heeft".
Immers deze paus heeft bij zijn aanvaarding van het ambt als professor aan een grootseminarie, als bisschop, als kardinaal en als deelnemer aan het tweede Vatikaanse Concilie zich onder ede gesteld achter de vervloekingen van Trente, waarin de Christus der Schriften geloochend wordt. Hij heeft bovendien in canon 833 van het nieuwe kerkelijke wetboek van 1983 opnieuw geëist dat allen die een belangrijke funktie in de R.-K. Kerk aanvaarden, die eed afleggen.
Voor protestantse lezers: Het Concilie van Trente heeft in de zesde zitting uitgesproken:
"Indien iemand beweert dat de mens gerechtvaardigd wordt alleen door de toerekening van Christus… of dat de genade waardoor wij gerechtvaardigd worden, slechts een gunst van God is, die zij vervloekt" (Canon 11).
"Indien iemand beweert dat het geloof waardoor wij gerechtvaardigd worden, niets anders is dan het vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid die ons de zonde vergeeft om wille van Christus, of dat wij alleen door zulk een vertrouwen gerechtvaardigd worden, die zij vervloekt" (canon 12).
"Indien iemand beweert dat de gerechtvaardigde mens zelf door de goede werken… het eeuwige leven niet waarlijk zou verdienen, die zij vervloekt" (canon 32).
Dat is juist datgene wat wij, christenen van de Reformatie, belijden. Wij worden dus door die vloek getroffen.
Maar wat veel en veel erger is: ook Christus wordt getroffen door die vloek, want Hij heeft als Eerste deze leer (die we ook reeds kunnen vinden in het Oude Testament) duidelijk verkondigd nl. dat we niet door onze goede werken, maar enkel door geloof in Hem en uit louter genade het eeuwige leven ontvangen.
Ook de apostelen worden door die vloek getroffen, want ook zij hebben deze leer van Christus verkondigd. Met name ook Petrus, die na zijn verloochening tot bekering is gekomen en daardoor meer dan de andere apostelen kon getuigen van de alles overtreffende genade, de vergevende liefde van God in Jezus Christus. Daarom nam hij een eerste plaats in onder de andere twaalf getuigen van Christus; zie Lukas 22:32. Maar zoals voor Petrus zo is er ook voor de pausen en bisschoppen de mogelijkheid van vergeving, wanneer zij zoals Petrus bitter wenen om de verloochening van de Meester en zich bekeren en hun verloochening openlijk herroepen.
NB. In Katholiek Nieuwsblad las ik dat ds. Los meent dat de R.-K. Kerk respekt heeft voor het ambt van predikant in een protestantse kerk, omdat zij slechts gewezen predikanten toelaat tot een priesterwijding, terwijl zij getrouwd kunnen blijven (dit in tegenstelling met alle andere priesters, die ongehuwd moeten leven).
Dit is echter zeer beslist een vergissing. Objektief kan de R.-K. Kerk geen respekt hebben voor het ambt van een predikant, daar zij immers hen die de leer van de Reformatie verkondigen, nog altijd vervloekt. Subjektief kan zij wèl respekt hebben voor predikanten, voorzover zij aanneemt dat die "te goeder trouw dwalen". (Dit onderscheid tussen objektief en subjektief wordt in het protestantisme niet of nauwelijks gebruikt).
De redenen waarom slechts een protestant die predikant is geweest, priester gewijd kan worden en toch gehuwd blijven, zijn van geheel andere aard:
1. Het gebeurt maar zelden dat een predikant overgaat naar de R.-K. Kerk; het toelaten van die weinigen betekent daardoor nog geen bedreiging voor de wet van het priestercelibaat. Dat zou anders worden, wanneer elke protestant die rooms wordt, een gehuwd priester zou kunnen worden.
2. Dan zou zo iets vrij normaal worden. Daardoor zou de nieuwsfactor eruit verdwijnen en zou ook de propagandistische waarde verminderen van een predikant die rooms wordt en nederig uit de hand van de paus het verlof ontvangt om priester gewijd te worden en toch gehuwd te blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
