In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Teelinck over vasten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Teelinck over vasten

9 minuten leestijd

Behalve een algemene beschouwing over de Nadere Reformatie worden behandeld: Willem Teelinck, Gisbertus Voetius, Jodocus van Lodenstein, Jacobus Koelman. Wilhelmus a Brakel, Herman Witsius, Bernardus Smytegelt, Wilhelmus Schortinghuis, Theodorus van der Groe en Alexander Comrie.

Vasten

"Te midden van deze vromen rees in de jonge Teelinck het verlangen theologie te gaan studeren en predikant te worden. Toch deinsde hij ervoor terug. Hij legde toen zijn wens neer in de kring van zijn vrienden. Deze schreven daarna een vasten-en bededag uit, onderwierpen hem aan een ernstig gewetensonderzoek en kwamen tot de overtuiging dat Teelinck inderdaad predikant kon worden" (p. 18).

Onze verzuchting: wat zou het een zegen voor de kerk des Heeren zijn, wanneer zij die verlangen om predikant te worden, op eenzelfde intense wijze dat verlangen aan de Heere zouden voorleggen, samen met andere broeders en zusters in de gemeenschap der heiligen!

"Minstens één keer per jaar hield het hele gezin van Teelinck een vastendag. Dan werd niet alleen in het geheel niet gegeten en gedronken, maar was er ook al in de vroege morgen een 'verootmoediging' voor God, met veel geween, als vrucht van een nauwgezet zelfonderzoek. Teelinck wilde hiermee de straffen Gods over eigen gezin, over Middelburg en het vaderland en over de kerk van zijn tijd afweren" (p. 20).

Scholastiek

Die trof ik aan bij Voetius. "De genade moet opgevat worden als iets dat gelijkt op een geestelijk vermogen, een bovennatuurlijke aanleg" (p. 62). "Bij de wedergeboorte wordt ook het eerste beginsel van het geloof ingestort: een zaad, een wortel van het geloof, een geestelijke dispositie, waaruit door middel van geestelijke daden meer en meer een volledige hebbelijkheid groeit" (p. 64).

Zo had ik het vroeger zelf geleerd in het thomisme, dat weer stoelde op de filosofie van de heiden Aristoteles met zijn leer over de hebbelijkheden (habitus) en de deugden. Sinds ik echter ben gaan drinken uit de bron van het levende water van Gods Woord, heb ik een tegenzin gekregen tegen al die speculaties van het redenerend verstand. Waarom kunnen we ons niet eenvoudig aan dat Woord houden? Toch was Voetius een zeer vroom christen, die de verborgen omgang met de Heere goed kende. Zijn beschrijving van de geestelijke aanvechting en verlatenheid hebben mijn volle instemming (p. 71).

Ecclesia reformanda

De eenmaal hervormde kerk moet steeds weer hervormd worden. Dat is een thema dat bij de Nadere Reformatie telkens terug komt.

Volgens Van Lodenstein is de diepste oorzaak van het verval van de protestantse kerk van Nederland "dat daarin een herhaling heeft plaatsgevonden van wat er in het Pausdom is geschied". Daar ben ik het grondig mee eens. Ik heb het rooms-katholicisme in zijn verval pas goed begrepen, toen ik enige jaren het protestantisme van binnenuit kon gadeslaan. Ik zag er dezelfde aanzetsels, die in de R.-K. Kerk uiteindelijk heeft geleid tot haar verschrikkelijke dwalingen. Die dwalingen zijn niet zo maar uit de lucht komen vallen, maar zijn het resultaat van een proces van eeuwen.

"Het aspekt van de herhaling in het verval brengt Lodenstein ertoe om te spreken van een voortdurende reformatie. Zij blijft altijd nodig, "omdat wij nooit tot de volmaaktheid komen en men altijd nederwaarts zakt" (p. 93).

Conventikels

Daaronder verstond men samenkomsten van vromen, buiten de normale kerkdiensten op zondag, waarin men 'de gemeenschap der heiligen' beoefende, doordat men onder elkaar het geestelijke leven uitwisselde zoals: de indruk die een tekst of een Bijbelgedeelte op iemand persoonlijk heeft gemaakt, de verborgenheden in de omgang met de Heere, de aanvechtingen en overwinningen, de verootmoedigingen en de vreugden.

Reeds in 1629 werden zij op de synode van Zuid Holland te Leiden kerkelijk geregeld en in de tweede helft van de 17e eeuw zijn zij sterk toegenomen.

Over het algemeen stonden de leidende figuren van de Nadere Reformatie er positief tegenover, al waarschuwden zij wel telkens voor de gevaren, met name van de antikerkelijkheid.

"In totaal voert Koelman 25 argumenten aan, die elke vorm van twijfel zouden kunnen wegnemen omtrent nut en oorzaak van deze conventikelen" (p. 140).

Ook Bucer in Straatsburg zag het nut van dergelijke conventikels om het geestelijke leven van de kerk gunstig te beïnvloeden. "Hij organiseerde met een aantal predikanten z.g. christelijke gemeenschappen, kleine kringen ter bevordering van de persoonlijke vroomheid binnen de gemeenschap der heiligen. Maar de overheid was ervan niet onder de indruk en na Bucer's vertrek naar Engeland (1549) verdween dit middel" (p. 142).

Het is dit conventikel, gezelschap, levende Bijbelkring of hoe men het ook noemen wil, dat ik heb bedoeld in mijn boek "Zij is Mijn bruid". Maar ik heb toen de term 'huisgemeente' gebruikt en dat heeft, zoals achteraf bleek, aanleiding gegeven tot een volkomen misverstaan van mijn boek.

Het Verbond

Het zicht op het Verbond is de reden geweest dat de schrijvers van de Nadere Reformatie zich niet van de kerk hebben willen afkeren. Daardoor zijn zij niet mee willen gaan met de afscheidingsbeweging van de ex-priester Jean de Labadie.

Inderdaad, wanneer men het zicht op het Verbond verliest, vervalt men tot sektarisme, geestelijke hoogmoed met alle wrange gevolgen van dien.

"De Labadie (een Franse ex-jezuïet) was mede op aanbeveling van Voetius en Essenius in Nederland ingehaald. Men koesterde van hem grootse verwachtingen: Hij zou de in slaap gesukkelde kerk wakker kunnen maken. Hij beschikte over een welsprekendheid. die zijn gehoor de tijd deed vergeten. Hij wist de vlam van zijn enthousiasme te laten overslaan. Maar het dreigde een brand te worden, die niemand meer kon bedwingen. Velen die zich over zijn komst verblijd hadden, keerden zich nu tegen hem" (p. 143).

Israël

Bij verschillende schrijvers zien we een grote verwachting voor de toekomst van Israël als Joodse natie.

"Brakel verdedigde de stelling dat de gehele Joodse natie tot bekering zal komen. De voornaamste grond daarvoor was voor hem Romeinen 9 tot 11. Met Israël en met het volk van God wordt door Paulus niet de kerk van het Nieuwe Testament bedoeld, maar de Joodse natie" (p. 175).

"Zou God dat eeuwige verbond verbreken? Zou Hij Zijn beloften niet vervullen? Dat is onmogelijk. Het is Zijn volk en het zal Zijn volk blijven" (p. 176).

"Hij geloofde ook dat de Joodse natie weer terugkeren zou naar Kanaan en dat Jeruzalem herbouwd zou worden. Daarvoor beriep hij zich op teksten uit het Oude Testament" (p. 176-177).

De innerlijke mens

Bijzonder heb ik genoten van het hoofdstuk over Witsius. We citeren:

"De kracht van de geestelijke godzaligheid (voor r.-k. lezers: daarmee is de vroomheid bedoeld. HJH) heeft haar voornaamste zetel in de innerlijke mens. Het eerste kenmerk van een echt godzalig mens is dat hij een verstand van God heeft gekregen, dat verlicht is door het Evangelie van de heerlijkheid van Christus. Daardoor is er een binnengaan in de binnenkamers van de geheimenissen van God en van Jezus Christus, die te danken is aan de zalving van de Heilige. Het is een ondervindende kennis, waardoor de mens ziet bij het zonlicht van de Heilige Geest, dat de ziel van binnen bestraalt. Het hemelse licht verspreidt ook een heilige warmte in de ziel en in alle anderen krachten van de ziel. Het geestelijke hart wil nergens anders in rusten dan in God" (p. 202).

Heerlijke taal die je zo enorm goed kan doen. Ik ben het dan ook met Witsius eens: "Als zij anderen aantreft in wie zij iets van Christus opmerkt, geeft haar dat veel vreugde. Zij heeft lief wie God liefhebben".

"Maar als we zien, hoe het nu in Nederland is, moeten we uitroepen: Behoud, o Heere, want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen (ps. 12:2). Waar is die geheiligde kennis die alleen in de academie geleerd wordt? Sommigen houden deze kennis zelfs voor een droom van geestdrijvers en Quakers. Waar is de verwondering over Gods oneindige volmaaktheden en de vreugde in God; waar de volkomen overgave aan God en de bereidheid zich enkel aan de leiding van de Geest over te geven?" (p. 203).

Naar aanleiding van zijn preek over 1 K.or. 15:58: "Tot het goede dat uit het doen van het werk des Heeren voortkomt, rekende hij dat de ziel erdoor geheiligd en vergoddelijkt wordt. Laat uw gedachten weiden in de oneindige omtrek van al de eigenschappen van God. Gij zult gewaar worden dat gij door die overdenkingen vervoerd. verrukt, buiten en boven uzelf verheven en met God verenigd en hoe langer hoe meer naar Zijn gelijkenis veranderd wordt (2 Kor. 3:18)" (p. 204). Ja, zo is het! Amen! Halleluja tot eer van de Allerhoogste!

Kenmerkenleer

Een gevaar van zulk een beschrijving van het innerlijke leven is dat men dan kenmerken gaat opstellen, die geput worden uit persoonlijke ervaringen en niet uit de Schrift en die men anderen gaat opleggen en waarnaar men hen (ver)oordeelt.

Smytegelt zag dat als een gevaar van de conventikels. "Het is gevaarlijk te eisen dat iemand zijn hele staat openlegt en dat anderen daar keurmeesters over menen te kunnen zijn. Men geeft een oordeel en durft het vonnis van leven en dood uit te spreken, waar de uitnemendste predikant beeft om het hart van de rechtvaardigen niet te bedroeven en het hart van de goddelozen niet te stijven. Zo triomfeert de hoogmoed en vertrapt men de kleinen in de genade".

Van de andere kant: "Als men werkelijk met een heilig oogmerk biddend samenkomt, dan zijn het goede oefeningen" (p. 240).

Volgens drs. Exalto is Schortinghuis op dit punt over de schreef gegaan, met name omdat hij de christen veel te veel naar zijn eigen bevindingen verwijst. "Als Kleingelovige (in de 17de samenspraak van 'Het innige christendom') zegt: 'Ik mis de verzekerdheid', dan is er geen sprake van dat Schortinghuis verwijst naar het Woord Gods en naar doop en avondmaal, maar hij zegt: Ga eens naar uw vorige bevindingen; zijn er niet de hoekjes en de plaatsjes waar uw ziel werd verkwikt?" (p. 268).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Teelinck over vasten

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's