III DE ONONDERBROKEN HANDOPLEGGING?
Voor de beide predikanten die onlangs rooms-katholiek werden, geldt als een belangrijk argument: Het ambt in de gemeente van Christus is gebonden aan een ononderbroken keten van handopleggingen. We zullen uit de Schrift nagaan of die bewering juist is.
1. Paulus schrijft vanuit de gevangenis in Rome, terwijl hij met ketenen geboeid is en zijn terechtstelling voor de deur staat (2 Tim. 4:6): "Maar het Woord Gods is niet gebonden" (2:9 SV).
Dat Woord laat zich niet in boeien slaan. Nergens lezen we dat Christus dit Woord zou vastgeklonken hebben aan de ketenen van een ononderbroken handoplegging van ambtsdragers. En nog minder dat christenen, op straffe van de eeuwige dood in de hel, verplicht zouden zijn om de Schriftverklaring van die ene mens die te Rome zetelt, als onfeilbaar te aanvaarden.
2. De eerste gelovige die tot een ambt werd geroepen, nl. Matthiasdiede plaats innam van Judas, werd aldus aangesteld: "Toen liet men hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen" (Hand. 1:26). De SV heeft meer letterlijk: "En hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen". NBG: "En hij werd gekozen verklaard bij de elf apostelen".
Daarbij wordt met geen woord gerept over een handoplegging door de andere apostelen. Als de handoplegging van zo wezenlijk belang zou zijn voor de voortzetting van het ambt en zelfs van de Kerk. waarom wordt die handoplegging dan hier niet vermeld bij de eerste die na de opstanding van Christus in een ambt wordt bevestigd? Is die noodzaak van een handoplegging dan niet pure menselijke fantasie, gebaseerd niet op het Woord Gods, maar op de wensdromen en redeneringen van mensen? En in Hand. 10:44 lezen we dat de Heilige Geest viel op de aanwezigen voor wie Petrus het Evangelie verkondigde, … zonder handoplegging door deze zogenaamde eerste paus. Als de handoplegging een noodzakelijk gegeven was, hoe kan de Heere dan Petrus op deze manier helemaal opzij zetten?
Wij geloven dat de discipelen op voorstel van Petrus terecht voorzien hebben in de vacature van Judas, want van hen staat geschreven: "Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed" (Hand. 1:14).
Toch lijkt het erop dat de Heere heeft willen onderstrepen dat dergelijke menselijke regelingen nuttig en noodzakelijk kunnen zijn en in overeenstemming met Zijn wil, maar dat Hij steeds de Soevereine blijft die vrij beschikt, soms helemaal buiten de kerkordelijke lijnen om.
Immers niet Matthias is de grote apostel van de heidenen geworden, maar Paulus. Bovendien: a. Niet een van de twaalf apostelen, maar een zekere Ananias werd geroepen om Paulus de handen op te leggen (Hand. 9:17). b. De Heilige Geest zei tot vier profeten in Antiochië, niet tot Petrus of tot een van de twaalf: "Zondert Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen" (Hand. 13:2).
3. En laten we bovendien eens naar de geschiedenis kijken. Kan men daar een keten van ononderbroken handopleggingen aanwijzen? Volgens een dekreet van paus Eugenius IV "Pro Armenis" van 22 nov. 1439 bestond het wezen van de priesterwijding in het overreiken (door de bisschop) van de kelk met wijn met daarop de pateen (deksel) en de hostie (= het te wijden brood), terwijl de bisschop tegelijk de woorden uitspreekt: "Ontvang de macht om het offer op te dragen in de kerk voor levenden en doden, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest" (Denz. 701).
De handoplegging werd dus door deze paus (in aansluiting aan de leer van Thomas van Aquino) niet als behorend tot het wezen van de priesterwijding beschouwd (ook al werd de handoplegging bij de wijding tevens ook verricht).
Pius XII heeft echter in een Constitutio Apostolica van nov. 1947 bepaald dat het wezen van de priesterwijding uitsluitend bestaat in de handoplegging en in de praefatiewoorden: "Da… presbyterii dignitatem enz."
Zelf ben ik in 1940 gewijd onder de oude opvatting. Het toen geldende Pontificale Romanum schreef voor, dat eerst de handpalmen van de wijdeling gezalfd en daarna zijn beide handen tegen elkaar vastgebonden moesten worden.
Vervolgens moest je tot de bisschop naderen, die de kelk met wijn, met daarop de pateen en de hostie, voorhield. Je moest dan tegelijk met deze gebonden handen kelk en hostie aanraken. Gebeurde dat niet tegelijkertijd, dan was de wijding ongeldig. Aldus Pontificale Romanum, deel I p. 70.
Daarom was dit een zeer nerveus gebeuren. Ik zou het nog vaak benauwd krijgen, als ik er later aan terugdacht.
4. Het is volkomen onbijbels om de genade voor te stellen als een "iets" waarover de ambtsdragers in de kerk de beschikking zouden hebben gekregen.
De genade is niet een "iets" in de mens, maar is Gods goedgunstige gezindheid jegens de mens, de barmhartige liefde waarmee de Vader van Jezus Christus ons verzoenend tegemoet treedt.
Nergens lezen we in de Bijbel dat de heilige God aan mensen de beschikking zou hebben gegeven over Zijn liefde en barmhartigheid. Gods welbehagen waarmee Hij een zondaar vergeeft en in en door Christus als Zijn kind aanneemt, komt soeverein uit Hemzelf voort.
5. Deze leer dat het doorgeven van het eeuwige leven zou afhangen van nauwgezette vervulling van uiterlijke ceremonies, is geheel en al in strijd met de "aanbidding in geest en waarheid" (Joh. 4:24), die volgens Christus de plaats zou innemen van de plaatselijk of ritueel gebonden godsdienst (v. 21).
Het is een terugvallen tot ver achter de godsdienst van het Oude Testament. Zelfs toen gold dat het niet ging om de uiterlijke ceremonie van de besnijdenis, maar om de besnijdenis van het hart (o.a. Deut. 10:16).
Om de besnijdenis te kunnen toedienen was er ook geen aparte wijding nodig. Elke vader (in geval van nood de moeder) kon dat doen. Het latere jodendom heeft er een aparte functionaris voor gecreëerd, de "moheel". Maar ook die behoefde niet een afzonderlijke wijding te ondergaan.
Indien Christus gewild had dat het heil voortaan zou afhangen van minutieus te volbrengen ceremonies, waarom heeft Hij Zich dan zo fel gekeerd tegen de Farizeëers en wetgeleerden en hen verweten dat zij alles precies uitpluisden en op grond van hun overleveringen allerlei zelfgemaakte wetten en wetjes aan de mensen oplegden? Zie o.a. Mat. 23 met het herhaalde: "Wie u, gij huichelaars!"
6. De mens wordt niet wedergeboren uit de liturgie, maar Petrus schrijft dat wij moeten zijn "als mensen die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke Woord van de levende en eeuwige God" (1 Petr. 1:23).
En hij vervolgt: "Want alle vlees is als gras en heel zijn luister als een veldbloem. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord des Heren blijft in eeuwigheid". Wanneer wij niet wedergeboren zijn uit het Woord Gods, kan de liturgie zijn als een met bloemen bestikte lijkwade.
Wanneer wij niet tot bekering zijn gekomen, "zijn wij voor God" geen "reukwerk van Christus", maar een "dodelijke walm" (2 Kor. 2:15-16).
Wij zijn allen gevallen in Adam. We wankelen als beschonkenen ten dode. Maar "in het geloof staat gij vast genoeg" (2 Kor. 1:24), niet in de liturgie.
7. Dr. H.B. Visser, vroeger gereformeerd predikant, die ongeveer 30 jaar geleden overging tot de R.-K. Kerk, heeft 24 gestencilde brochures geschreven tegen de "Onttakeling en ontreddering van de misliturgie" door de door Rome toegestane nieuwe misliturgie. En nu, nadat hij de 80 al is gepasseerd, is hij bezig met de strijd tegen de vernieuwingen in de andere sacramentsliturgieën. Ik citeer uit de 24ste brochure: "Eén altaardwaal (= gewijde doek. HJH) is nu voldoende en deze hoeft niet afhangend te zijn; de bedekking hoeft alleen tijdens de Heilige Mis, zodat er doorlopende altaarontbloting is; geen canonborden meer; crucifix en kandelaars behoeven niet op het altaar te staan en zelfs niet erbij; relikwieën in het altaar zijn niet meer nodig". Dit is allemaal een gruwel in de ogen van deze ex-dominee.
"De kus op het altaar is nu facultatief. Dit is vermindering van eerbetoon aan het altaar en aan de relieken der heiligen". "Het exorcisme van het water verviel, waardoor het wijwater veel minder kracht heeft".
"Tussen 'gratias agens' (= terwijl Hij de dankzegging uitsprak. HJH)en'benedixit'(= Hij zegende) staat geen komma meer. Ogenschijnlijk een kleinigheid, maar in feite van ver strekkende betekenis".
"De priester houdt de hostie (ouwel. HJH)niet meer met duim en wijsvinger van beide handen vast; er is geen voorschrift meer hoe hij de kelk moet vasthouden; de priester knielt niet meer direkt na elk der beide consecraties (= nadat de transsubstantiatio heeft plaatsgevonden. HJH); de priester houdt na de handeling duim en wijsvinger van beide handen niet meer tegen elkaar; het gebruik van de altaarbei is verzwakt". Dr. Visser komt tot "de huiveringwekkende konklusie" dat vanwege deze nieuwe liturgie er geen transsubstantiatio meer plaats heeft en: "Het bederf gaat van Rome uit". Visser hoort dan ook tot de traditionalisten van de kring van mgr. Lefebvre.
In de reeks: "Onttakeling, ontreddering en opheffing van de sakramenten der kerk" door en na het Tweede Vaticaans Concilie" afd. 2 "De heilige wijdingen" (72 blz.) schrijft Visser:
"Het overreiken (aanraken) van kelk en pateen is vervallen". Opmerking: 1. Wij hebben ons dus voor niets vroeger zo nerveus gemaakt. 2. Wat door een vorige paus (Eugenius IV) als het wezenlijke van de priesterwijding werd geproklameerd, wordt door een latere paus volledig opzij geschoven. Wie van beiden was onfeilbaar?
Visser wijst erop dat ook de Catechismus van Trente in VII, 25 schreef: "Verder… reikt hij (de bisschop) hem (de wijdeling) de kelk en de pateen met de hostie, zeggende: 'Aanvaard de macht om het offer op te dragen en de Mis te celebreren voor levenden en doden'. Door die ceremoniën en die woorden wordt de priester aangesteld".
Dr. Visser is er verontwaardigd over dat de duim en de wijsvinger niet meer apart gezalfd worden en dat de handen van de wijdeling niet meer worden samengebonden.
Dat is dan het droevige einde van iemand die destijds vanwege de leer van het vagevuur meende te moeten overgaan naar Rome.
Ik heb Dr. Visser dan ook een brief geschreven en hem met de apostel Paulus gesmeekt: "God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen!" (2 Kor. 5:20)… voordat het voor altijd te laat is.
Ex-dominees die rooms werden, voeren tenslotte een strijd over punten en komma's, over altaardwalen en wijwater, over de houding van duim en wijsvinger enz.
Ik meende ineens begrepen te hebben wat Christus bedoelde met Zijn: "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij doorkruist zee en land om één bekeerling te maken, maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een helle-kind, tweemaal erger dan gijzelf!" (Mat. 23:15).
Zulke bekeerlingen tot het Jodendom stortten zich blijkbaar met nog meer ijver op de zaligmaking door de goede werken en op het nauwgezet vervullen van de door de rabbi's voorgeschreven ceremonietjes. Zij wogen "munt, anijs en komijn" (Mt. 23:23) af niet slechts per gram, maar per milligram. Ze schroefden hun zielen helemaal toe voor het Evangelie van de zaligmaking door genade en geloof in Christus alleen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
