In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ONTMOETINGEN 11

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTMOETINGEN 11

9 minuten leestijd

Tot twee keer toe heb ik de afgelopen tijd een avond bijgewoond van 1RS en ik lees ook uw blad.

Nu heb ik een probleem waar ik zelf niet uit kan komen en ik dacht zo: misschien kunt u mij er een beetje mee op weg helpen.

U stelt in uw blad en in uw spreken altijd die mens voor ogen die niets is, onwaardig om voor God te bestaan, tot niets goeds in staat, totaal onmachtig om iets te doen wal Gode behagen kan. U benadrukt dat het 'ik' ten onder moet worden gebracht.

Dat is de geestelijke kant van de zaak en ik ben het volkomen met u eens. Ook ik heb mogen zien dat zonder de Kruisverdienste van Christus de weg tot God radikaal is afgesloten. Maar nu is er in mijn leven een probleem, waar ik niet uit kan komen nl.:

Ik ben al een hele poos psychisch niet in orde. Daarbij heb ik diezelfde ervaring: Tot niets goeds in staat (in eigen ogen), minderwaardigheidsgevoelens, verkeerde gedachten over God en de naaste en erg wantrouwend t.a. v. alles en iedereen. Ik hoop dat u begrijpt hoe hierdoor èn mijn geloofsleven èn mijn psychische leven dikwijls door elkaar gegooid ligt. Ja zelfs zo, dat de gedachte me dikwijls bekruipt: Heb ik wel geloof? Is het niet enkel de psyche die in mijn leven een rol speelt, omdat ik constateer dat de beide levens samengaan.

Ik hoop dat u een beetje aan mij kunt duidelijk maken, hoe het gelovige en het psychische leven in de gelovige kan funktioneren, ook wanneer er een storing is ingetreden. Ik heb er al veel over gelezen, maar kan nergens een bevredigend antwoord vinden.

ANTWOORD:

Uw vraag vind ik zo teer en zo ingrijpend dat ik er behoefte aan heb om eerst samen met u te bidden om het licht van Gods Geest.

"O eeuwige en heilige God, ontzagwekkend en aanbiddelijk Wezen, die tegelijk de Vader der barmhartigheid in Jezus Christus bent, we hebben er behoefte aan om U te smeken om licht en wijsheid. En we weten dat U die schenken wilt, uit genade, door Uw Heilige Geest, die woont in de harten van Uw kinderen en zelfs in hun lichamen. Leg gij de woorden in onze geest, maak ons een met Uw Heilige Geest, zodat wij slechts zeggen en schrijven wat U wilt. Wij zingen vol vreugdeen vol vertrouwen: "Geen vader sloeg met groter mededogen op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen dan Israels Heer op ieder die Hem vreest". Hemelse Vader, deze dingen liggen zo teer, ze luisteren zo nauw. Geef Gij ons de juiste nuance, de juiste kleur, de lieflijke toon aan wat ik volgens U antwoorden moet. Hoor ons, in de vergeving van onze zonden, enkel om Christus' wil. Amen.

Ik ben erg blij met uw vraag, want die geeft mij de gelegenheid om een ernstig misverstand uit de weg te ruimen.

Zelf maakt u al zeer terecht het onderscheid tussen het psychische en het geestelijke leven. Wanneer wij dat onderscheid niet goed voor ogen houden, kan dat zeer schadelijk zijn voor ons geestelijke leven.

Wanneer ik schrijf over de totale onmacht en onwaardigheid van de mens, dan bedoel ik dat van de mens, staande tegenover de heilige God.

Zulk een 'sterven aan je eigen ik' betekent ook pijn, maar tegelijk brengt dat een onvoorstelbare zoetheid teweeg. Waarom? Omdat het samengaat met een opstaan tot het nieuwe leven, een herboren worden in het grote ik' van Christus overeenkomstig wat Paulus schrijft: "Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, (doch) niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20).

Het weten dat ik voortaan leef in Christus en dat Hij in mij leeft (Joh. 15:5), schenkt een zalige rust. Dan mag ik zien naar de reinheid en de vrede van mijn Geliefde en ik mag door het geloof daarin wegzinken, er mij in laten wiegen. Dan vloeit alle spanning uit mij weg. Dan kan ik alles vergeten en mij verlustigen in die ene zekerheid: God heeft mij uit genade lief in Christus.

Maar heel iets anders is het minderwaardigheidsgevoel tegenover de andere mensen.

Uit eigen ondervinding weet ik dat dit een akelige, doffe, neerdrukkende pijn is. Je kunt er je nameloos beroerd onder voelen. Het is als een psychische motregen, die overal in je ziel doordringt en alles koud en klam maakt.

Je raakt dat pijnlijke gevoel ook niet kwijt, zoals dat wel het geval is met het geestelijke sterven aan je eigen 'ik'. Dan vind je het heerlijk om jezelf steeds meer kwijt te raken, omdat je naar diezelfde mate meer opgaat in God, steeds inniger Zijn vergeving ervaart, de liefdevolle verzoening met Hem.

Op grond van een psychisch mechanisme probeer je het pijnlijke minderwaardigheidsgevoel te ontvluchten of het te compenseren in de geldingsdrang. Je probeert dan aan de anderen te laten zien dat je wèl heel veel betekent en dus helemaal niet minderwaardig bent in vergelijking met hen, doordat je je op allerlei gebied waar tracht te maken en zoveel mogelijk wilt presteren.

Vanuit die geldingsdrang heb ik destijds al mijn kunnen zo hoog opgevoerd, mijn energie zozeer uitgerekt, dat ik in 1940 totaal overspannen werd. Ik heb daarover een keer in IRS geschreven.

Ik wist toen echter niet dat de grond van mijn overspanning mijn minderwaardigheidsgevoel, en de daaruit voortvloeiende geldingsdrang, was. Dat ben ik gaan ontdekken, toen ik, aanvankelijk onder leiding van een psychiater, mijn onderbewustzijn begon te ontleden.

Zodoende ben ik dat psychische minderwaardigheidsgevoel voor een groot gedeelte kwijt geraakt. Ook de zucht om mijzelf waar te maken door veel te presteren is daardoor steeds meer naar de diepte teruggezakt.

Maar juist daardoor werd ik ook steeds minder erdoor gehinderd dat ik mij, wanneer ik mij nietig en zondig voor God voelde, tegelijk ook minderwaardig zou voelen tegenover de mensen.

Ik kan mijzelf nu vanuit mijn schuld en onreinheid geheel en al uitschreien voor Gods aangezicht, terwijl ik tegelijk weet dat de hemelse Vader Zelf die tranen uit mijn ogen wegwist.

Daarom is dat onderscheid van zo groot belang. Indien bij u, wanneer u zich voor God verootmoedigt, steeds weer het psychische minderwaardigheidsgevoel. dus het je minder-voelen t.o.v. andere mensen, mede naar boven komt, dan vertroebelt dat de sfeer van rust en blijde overgave aan de barmhartige God en Vader.

Het lijkt mij goed om een konkreet, persoonlijk voorbeeld aan te halen. Misschien wordt alles dan nog duidelijker.

Ik heb een nieuw boek geschreven: "Hoe leef ik met een genadig GodT', dus over de verborgen omgang met God. Ik heb het twee weken geleden naar een uitgever gestuurd en wacht nu op antwoord of hij het wil uitgeven. Gewoonlijk gaat daar een marktonderzoek aan vooraf, want het is begrijpelijk dat een uitgever min of meer zeker wil zijn dat een boek voldoende afnemers zal hebben, zodat hij er geen financiële strop aan heeft.

Vroeger zou ik vanwege mijn minderwaardigheidsgevoel en daaraan corresponderende geldingsdrang heel erg daarover in spanning hebben gezeten. Nu echter heb ik het heel kalm in de handen van de Heere kunnen overgeven.

Ik heb zelfs moeite om te bidden dat het boek zal worden uitgegeven. De Heere weet Zelf veel beter dan ik of zulk een boek Zijn Koninkrijk zal dienen, ja of nee. Als Hij nodig vindt dat het wordt uitgegeven, dan zal Hij ook wel voor een uitgever zorgen. En als Hij het niet nodig vindt, dan is het immers ook goed. Wel moet ik zeggen dat ik vreugde aan het boek beleefd heb. In de eerste plaats de scheppingsvreugde. Die bestaat in het pleizier dat zulk een geesteskind uitje geboren wordt. Daarin is de mens gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, die ook vol vreugde terug zag op wat Hij gemaakt had: "En zie het was goed, zeer goed".

Deze scheppingsvreugde, het pleizier in het maken van iets, is heel iets anders dan de zondige geldingsdrang, de ijdelheid, de trots, de hoogmoed.

Ja, die probeert telkens bij mij, en bij ieder mens, weer om de hoek te komen kijken: "Geweldig, wat die Herman gepresteerd heeft! Wat een knappe vent!". Als ik aan die streling zou toegeven, zou ik zonde doen, want dan zou ik de eer van God stelen. Immers alle talenten en gaven heb ik van Hem gekregen. Hem alleen zij dus alle eer! Wie roemt, roeme in de Heere, zegt Paulus.

En een tweede reden van vreugde bij het schrijven van dat boek was dat ik daarin mijn hart heb kunnen uitschrijven voor het aangezicht van de Heere. Het is een genot om God groot te maken, om Hem openlijk dank te zeggen voor de gave van Zijn Zoon, voor de uitstorting van Zijn Geest, voor de liefdevolle, vergevende Vaderarmen die Hij om Zijn kinderen heenslaat.

En een derde reden was dat ik hoop dat mijn boek een middel mag zijn in Gods hand om voor gelovigen, voor Gods kinderen, de poort naar het paradijs van de zalige eenheid met God, reeds op de aarde, zo wijd mogelijk open te zetten, zodat ook zij zich steeds meer in Christus "verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8).

Ook u moogt dus genieten van alles wat u doet. Als u lekker eten hebt gekookt, leuke kleren hebt gemaakt voor uzelf of uw kinderen, als uw huis er gezellig uitziet zodat het de bezoekers opvalt, verblijd u daar dan gerust over. Dat is scheppingsvreugde.

En als het minderwaardigheidsgevoel toch telkens weer aan u knaagt - want dat bent u zo maar niet kwijt; dat zult u heel uw leven lang, zij het misschien niet meer zo intens, moeten meedragen - leer daar dan mee te leven. Verdraag het als een pijn, zoals er zoveel onaangename dingen zijn in het leven. Bespreek het eenvoudig met de Heere. Zeg het tegen Hem: "Daar is het weer, dat bijtende en soms lome gevoel. Ik wil het aanvaarden, omdat het Uw ondoorgrondelijke beschikking is. U hebt het toegelaten dat ik in mijn jeugd - want daaruit stamt het - dat minderwaardigheidsgevoel heb opgelopen. U hebt daar Uw wijze bedoelingen mee gehad. Gebruik het om mij dichter naar U toe te trekken, zodat ik van meer nabij Uw liefde en heerlijkheid mag zien." Vervolg op pag. 32.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ONTMOETINGEN 11

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's