In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De gelijkenis van de barmhartige vader

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De gelijkenis van de barmhartige vader

12 minuten leestijd

We zijn gewend om te spreken over de gelijkenis van de verloren zoon. Maar als we dat ontroerende verhaal van Lukas 15:11 -32 op ons laten inwerken, zullen we bemerken dat in het centrum daarvan de barmhartige vader staat.

"Een zeker mens had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot de vader: Vader, geef mij het deel van het goed dat (mij) toekomt".

Daarmee tekent Christus elk mens ten voeten uit. Wij gaan altijd uit van ons vermeende recht, ook tegenover God.

Dat doet de oudste zoon ook: "Zie, ik dien u (nu) zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden vrolijk mocht zijn".

Dat is het enorme verdriet van deze vader: Geen van die twee zonen heeft de klop van zijn vaderhart gehoord. Ze hebben hem ten diepste niet begrepen.

Wat moet dat voor de hemelse Vader niet verdrietig zijn dat de kerk van Rome die zich de enige, ware kerk van Christus noemt, een kerk met 750 miljoen leden die zich christenen noemen, onder vervloeking een leer heeft verkondigd endaar nog altijd aan vasthoudt, waarin dit Vaderhart van God geloochend wordt: "Indien iemand beweert dat de eenmaal gerechtvaardigde mens door zijn goede werken niet waarlijk het eeuwige leven verdient, die zij vervloekt" (Conc. van Trente, zesde zitting, canon 32).

"En hij deelde hun het goed". De vraag rijst onmiddellijk: Hoe kon die vaderdat doen? Hij kon toch van te voren wel weten dat die jongen alles erdoor zou draaien?

Zo stellen velen in onze tijd de vraag: Hoe kan God al die wreedheid die de mensen elkaar aandoen, toelaten? Waarom grijpt Hij dan niet in?

Rabbijn Kushner, de schrijver van het in vele talen verschenen boek: "Als het kwaad goede mensen treft", stelt de vraag: Waarom heeft God niet op tijd gezorgd voor een hartstilstand van Hitier? Dat was toch een kleinigheid voor Hem! Dan zouden er geen zes miljoen Joden zijn omgekomen in de gaskamers. En ook bij ons kunnen dergelijke vragen opkomen zoals: Waarom heeft God niet ingegrepen, toen de kerk steeds meer ging ontsporen, toen het Evangelie geleidelijk aan vervalst werd. totdat een volstrekt ander Evangelie verkondigd werd? Waarom heeft het zo lang geduurd, voordat de Reformatie kwam? Waarom konden zoveel oprechte kinderen Gods op last van de pausen die zich tooiden met de titel: "plaatsbekleder van Christus op aarde", gefolterd en ter dood gebracht worden.

Het antwoord is alleen maar: "En hij deelde hun het goed". De Heere laat Zich niet opjagen door onze hijgende vragen. Hij heeft Zijn eigen plannen met de mensengeschiedenis en laat Zich daar niet van afbrengen.

We moeten ons door de psalmist laten vermanen: "Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode". En waarom? Niet omdat we bukken voor de overmacht van een grillige tyran, maar omdat we God hebben leren kennen als de barmhartige Vader, die ons nooit zal teleurstellen: "Want van Hem is mijn verwachting. Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil" (ps. 62:6-7).

We hoeven onze vragen niet in te slikken en te verdringen. We hoeven van ons hart geen moordkuil te maken: "Stort uw hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht" (v. 9).

Wij, mensen, kunnen die barmhartige liefde van de hemelse Vader maar moeilijk begrijpen. Wij willen er liever meteen op lostimmeren.

We lezen in Lukas 9:52-56 dat een dorp van de Samaritanen weigerde logies te verlenen aan de Heere, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem, dus naar een stad van een ander kerkverband.

De kerkelijke toorn ontbrandt dan bij de apostelen Jakobus en Johannesen ze vragen: Heere, wilt Gij dat we het vuur van de hemel afroepen om hen te verslinden? En wat is het antwoord van de Heere?

"Maar Zich omkerende bestrafte Hij hen en zeide: Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt. Want de Zoon des mensen is niet gekomen om de zielen der mensen te verderven, maar om te behouden."

De zachtmoedige Jezus wil geen ruzie. Hij vermijdt de kerkelijke confrontatie. "En zij gingen naar een ander vlek".

Dat is waarschijnlijk de reden geweest, waarom de Heere aan deze broers de naam Boanerges = zonen van de donder gegeven heeft (Mk. 3:17). Het waren blijkbaar donderpredikers.

Dus ook Johannes had toen nog die verkeerde geest. Het is goed om dat te bedenken, want des te meer kunnen we dan de genade Gods in hem bewonderen, omdat hij later de apostel der liefde is geworden. Zo kunnen we Christus pas goed verheerlijken om de radikale verandering die Hij bij Paulus heeft teweeggebracht, wanneer we niet alleen 1 Kor. 13, het hooglied der liefde dat Paulus ook praktisch beleefd heeft, beluisteren, maar ook lezen wie hij vroeger was: "blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren" (Hand. 9:1).

Zelf heb ik behoord tot de kloosterorde van de paters redemptoristen. Wij stonden bekend als de boetepredikers, die de mensen bang maakten met onze verkondiging van dood, oordeel en hel. Wij werden daarom de 'donderpaters' genoemd. Wat ben ik sinds mijn bekering tot Christus als de volkomen Zaligmaker alles anders gaan zien en, naar ik hoop, ook gaan beleven. Nu mag ik de onbegrensde barmhartige liefde verkondigen van de Vader van Jezus Christus. En dat is een intense vreugde voor mij: te zien hoe door de prediking van dit Evangelie de hoop in de harten der mensen begint te ontwaken en te groeien.

De zoon pakt alles bij elkaar; vermoedelijk heeft hij het eerst zoveel mogelijk te gelde gemaakt. En de vader laat dat allemaal onder zijn ogen gebeuren. We lezen niets over pogingen om die onverlaat er nog van te weerhouden.

En dan vertrekt hij, met nog een laatste kus voor en van zijn vader? Die vader ziet hoe die jongen zijn ondergang tegemoet gaat. En hij zwijgt.

Zo zag God ook dat Eva het gesprek begon met de slang. En Hij greep niet in. Geen stem klonk van de hemel: "Eva, Adam, wat doen jullie? Denk toch aan het vonnis dat Ik jullie in het vooruitzicht heb gesteld: de dood voor jullie en voor je hele nageslacht."

Daar gaat de zoon. De begeerte gloeit in zijn ogen. Nu kan hij zich gaan uitleven. Daar in de vreemde heeft hij niet meer die stille, verdrietige aanwezigheid van zijn vader, die altijd een beetje roet gooide in de zwelgpartijen van de zonde. En het gaat er van 'Janje, schep op'. "Ik geef weer een rondje". Het geld rolt en de meisjes die je zonder liefde kopen kunt, rollen mee. Leve de pret en de lol!

Maar aan alles komt een einde. Dreigend komt het op hem af: zo meteen zit ik in de rode cijfers. En op krediet kan hij niet rekenen. Zijn rijke vader waarmee hij schermt, die zit ver weg. De bankiers willen keiharde bewijzen. Ze hebben genoeg van die praatjes moeten aanhoren.

En zijn vrienden en vriendinnen? Die zijn in geen velden of wegen te bekennen. Zodra het gerucht begon te lopen van zijn berooide en beroerde situatie, werd overal de deur voor zijn neus dicht gesmeten.

Bovendien zijn de vette jaren in dat land voorbij. Er is een economische krisis gekomen. Het percentage werklozen is enorm gestegen. En dan worden de vreemden en gastarbeiders in het land zonder sociale voorzieningen daar het eerst de dupe van.

Er zit niets anders op. Hij gaat van deur tot deur. Eindelijk komt hij bij een boer terecht, die er een beetje toegeeflijk uitziet en niet meteen de hond op hem afjaagt om hem van het erf te verdrijven.

Eigenlijk heeft die man ook geen werk, maar de maag van de jongen rammelt. Hij blijft aandringen. In het Grieks wordt hier het werkwoord 'kollaoo'gebruikt (Zie IRS dec. 86 p. 2). Dat betekent: Hij bleef plakken.

En tenslotte zegt die boer: Goed, ga dan maar naar het veld om de varkens te hoeden.

Wat een vernedering voor die jongen! Dat vieste van alle werk moet hij opknappen. Bovendien - dat zal nu waarschijnlijk in zijn herinnering naar boven gekomen zijn - de varkens waren voor een Jood ook wettelijk, liturgisch onrein (Lev. 11:7). Zo had hij het vroeger ook in het leerhuis, op de catechisatie, gehoord. De Misjna zegt zelfs: "Vervloekt de man die varkens fokt".

En dan: Hij werd met een hongerloontje afgescheept. Die boer wilde niet meer uitbetalen.

Zie hem daar zitten. Daar wordt weer het voer gebracht voor de varkens. Die stormen er knorrend op af. Hij hoort ze slobberen en elkaar verdringen.

En hij ziet scheel van de honger. Hij zou met zijn hand willen graaien in de zwijnendraf. Maar hij durft het niet. Ze loeren op hem en hij zou meteen ontslagen worden.

"En tot zichzelf gekomen zijnde…". Toen hij zich bewust werd van de ellendige en uiterst vernederende situatie waarin hij zich bevond, ging hij een gesprek aan met zichzelf.

Tot dan toe had hij maar doorgehold. Nee, geen sombere gedachten! Geen zwartkijkers! Zo danste Jantje Plezier over alle vragen heen.

Nu echter kan hij zichzelf niet meer ontlopen. Hij gaat nadenken. Hij gaat zijn leven tot nog toe overzien en de rekening opmaken.

En je zou verwachten dat het eerste wat bij hem bovenkomt is: "Wat heb ik toch mijn lieve vader aangedaan! Hoe heb ik die goeie man zoveel verdriet kunnen aandoen! Ik ga meteen naar huis om het weer goed te maken en om uit de grond van mijn hart te vragen of hij het mij vergeven wil."

Zo wordt het soms voorgesteld. Maar ik kan het in de tekst niet vinden. Deze gelijkenis laat in die beide zonen zien wie wij, mensen, zijn: ondankbare honden die alleen maar aan zichzelf denken:

"En tot zichzelf gekomen zijnde zeide hij: Hoeveel huurlingen van mijn vader hebben overvloed van brood en ik verga van honger".

Ik, ik, ik! Ach arme, ik ben er zo ellendig aan toe! Dat zijn vader thuis er treurig aan toe is, dat komt blijkbaar niet bij hem op.

Ja, hij besluit wel: "Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u".

Maar… 1. Dat zegt hij met de bedoeling om op grond daarvan doorzijn vader te worden toegelaten als een knecht, zodat hij geen honger meer hoeft te lijden. Een geprogrammeerde schuldbelijdenis dus, prachtig ingepast in zijn zelfzuchtige levenshouding.

2. Hij zal dat ook wel eerlijk gemeend hebben, maar het is slechts een schuld belijdenis van het verstand. Ze dringt niet door tot zijn hart. Hij is helemaal niet kapot vanwege het verdriet en het onrecht dat hij zijn vader heeft aangedaan. Zo zijn er vele christenen, die wel met hun verstand erkennen dat ze fout zijn geweest en nog dagelijks zondigen, maar ze zijn innerlijk totaal niet verscheurd om wat ze de heilige en liefdevolle God hebben aangedaan. Het blijft bij een intellektuele, berekende schuldbelijdenis. Ze menen dat ze door zulk een zondebelijdenis hun eeuwige hachje redden en straks bij de Vader zullen worden toegelaten, waar hemels brood in overvloed is.

Dat het die zoon niet gaat om zijn vader, maar om hemzelf, blijkt ook uit wat hij eraan toevoegt: "En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen".

Hij wil zich niet afhankelijk weten van de liefde van de vader. Hij wil zijn brood in overvloed zelf verdienen.

Het is duidelijk: hij heeft het vaderhart nog steeds niet begrepen. Hij ziet niet dat hij door dat kille voorstel om in een zakelijke verhouding tot de vader te komen staan, die vader opnieuw verdriet zal aandoen.

Misschien zegt iemand: Maar hij erkent dan toch ootmoedig: "Ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden".

Maar moeten we die erkenning niet zien in het hele kader van zijn gedachtengang op grond waarvan hij besluit om naar de vader terug te keren? Mensen kunnen soms heel zware en vrome taal zalvend uit hun mond laten stromen, terwijl toch hun hart verre van de Heere is (Mat. 15:8).

Ik zou het zelf ook prettiger gevonden hebben, wanneer die zoon op grond van zijn ellende eerst aan zijn vader had gedacht en een diep berouw had gekregen over wat hij zijn vader had aangedaan. In deze gelijkenis wordt immers de mens, worden u en ik getekend.

Maar deze gelijkenis laat niets meer van ons heel. Wij, mensen, worden er totaal in ons hemd gezet.

En als ik terug zie op mijn eigen leven, dan zie ik steeds duidelijker dat niet ik God zocht, maar dat Hij in eindeloos geduld op mij heeft gewacht en naar mij is toegekomen.

Toen ik volkomen was vastgelopen, dacht ook in niet in de eerste plaats aan de Vader, die ik bedroefd had door mijn vele afdwalingen. Ik dacht aan mezelf: Hoe geraak ik uit die wanhopige toestand? Hoe voorkom ik dat ik straks in de eeuwige hel die ik verdiend heb, terecht kom?

En is dat bij u ook niet zo? Maar dan mag ik u nu reeds deze troost meegeven: "Zalig hij die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft; hij die door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft; die zijn hoop, in 't hachlijkst lot, vestigt op de Heer, zijn God" (ps. 146:3 ber.).

Zo eindeloos goed is God, dat Hij ons niet van Zich afstoot, ook niet als wij slechts door de nood gedreven tot Hem komen.

In het vervolg van deze gelijkenis, dus in het volgende nummer, hoop ik vanuit de tekst aan te tonen, hoe deze zoon wel tot echte verbrokenheid des harten is gekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De gelijkenis van de barmhartige vader

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

In de Rechte Straat | 32 Pagina's