Het getuigenis van Patricia van den Brand-Quiroz
Hieronder laten we het getuigenis volgen van Patricia van den Brand-Quiroz, geboren 28 maart 1952 in Santiago (Chili) die in Den Helder woont. Zij wilde liever niet de naam noemen van de groep, die haar de stuipen op het lijf joeg. Ik kan echter wel zeggen dat het geen protestantse groep was.
Mijn leven heeft een radikale verandering ondergaan, sinds enkele mensen bij mij aanbelden om mij het Evangelie te verkondigen. Omdat ik zelf geen Nederlands versta, stuurden ze mij een jongen die het Spaans beheerste.
Ik heb hem toen overladen met vragen, want ik zat boordevol met vragen. Maar zijn antwoorden konden mij niet bevredigen.
Ik weet nog goed dat die jongen mij een keer zei: Als iemand sterft, dan sterft hij helemaal. Alles gaat er dan aan: zijn lichaam, zijn ziel en zijn geest. Slechts bij de wederkomst van de Heere zal hij opnieuw tot leven komen.
Hij verkocht mij veel boeken. Een daarvan stond vol tekeningen, die mij de rillingen over het lijf lieten lopen. Ik zag mensen in ontzetting wegrennen met kinderen op hun arm. Gebouwen stortten ineen. De aarde opende zich. De mensen tuimelden in de enorme kloven, die waren ontstaan. Verschrikkelijk! Verschrikkelijk!
Mijn leven heeft zijn hoogten en diepten gekend. Ik heb het goede en het kwade van dichtbij gezien en doorleefd. Ik heb veel geleden zoals elk mens zijn smarten heeft. Ik zocht God, maar kon Hem niet vinden. Ik zocht Hem op de verkeerde manier.
Ik had nog steeds gesprekken met die jongen over het Evangelie. Maar ik dacht dat mijn zonden te groot en te talrijk waren en dat God mij daarom onmogelijk in genade zou kunnen aannemen. Hij zou het mij nooit kunnen en willen vergeven, al dat kwaad dat ik gedaan had. Dag en nacht piekerde ik daarover.
Op zekere dag trof mijn man mij thuis aan, terwijl ik al maar door zat te huilen, bijna op het hysterische af. Ik wilde dood gaan. Ik wilde niet meer leven. Ik zag de zin van het leven niet meer.
Als de wereld eenmaal zou vergaan, waarom zou mijn zoontje dan nog de school aflopen? Waarom zouden we dan nog plannen opzetten, mijn man en ik, wanneer er straks een bitter einde komt aan deze aarde en er voorgoed met alle zondaars zal worden afgerekend?
Geen straaltje van hoop drong nog in mijn dagelijkse bestaan door, ofschoon ik onvermoeid bleef lezen in de boeken die men mij aanraadde om te lezen. Ik raakte geheel en al elke koers kwijt. De boeken en de mensen die ze aan mij opdrongen, lieten mij in het onzekere. Wat ze vertelden, was allemaal vaag en verward.
Ik las de Bijbel, maar begreep de inhoud ervan niet. Ik zag niet de reden, waarom Christus aan het kruis was gestorven. En dat ondanks het feit dat ik roomskatholiek was. Al moet ik eraan toevoegen dat ik de kerk maar heel weinig bezocht heb. Maar ik heb toch mijn eerste communie (= nam deel aan de viering van het Avondmaal volgens r.-k. opvatting) gedaan en ontving het sakrament van het vormsel (= het sacrament waardoor een rooms-katholiek de volheid van de Heilige Geest ontvangt - althans volgens de r.-k. leer). Maar wat dan nog? Pas nu ben ik gaan begrijpen hoezeer wij onze Heere beledigen vanwege ons onbegrip.
Ze zeiden dat God liefdevol, maar ook naijverig is en dat we ons eerst tot Hem moeten wenden en dan pas tot Christus.
Soms zat ik hele middagen in mijn stoel en prakkezeerde mezelf suf. De vele gedachten tuimelden over elkaar heen en werden een onontwarbare knoop. Ik werd ziek van waanzin en obsessie. Ik was bang voor alles. Elk sprankeitje van geluk was uit mij weggevloeid. Ik was verbitterd. Hele dagen bleef ik thuis en kwam niet buiten de deur.
Ik kwam in een ziekenhuis terecht. Twee maanden verbleef ik er. De Boze kwam bij mij binnen. Ik wilde niet meer over God horen. Ik vond God wreed en onrechtvaardig.
Ik had last van ondragelijke hoofdpijn. Lang heb ik in deze vreselijke toestand doorgebracht. Het was alsof er naalden in mijn hoofd werden gestoken.
Ik voelde mij volslagen eenzaam. Ik bewoog mij vrij onder de overige patiënten, maar als iemand mij wilde aanspreken, gedroeg ik mij als een doofstomme en ontstonden er krampbewegingen in mijn gezicht.
Soms had ik de indruk dat er in mij een botsing plaats had van verschillende persoonlijkheden. En een van die persoonlijkheden was mijn eigen 'ik', een zelfzuchtig, ijdel en onverdragelijk 'ik'.
Op een dag bezocht ik zaal na zaal in het ziekenhuis. En ik vroeg mij af: Waarom al dat lijden? Heeft dat lijden enige zin?
Na die twee maanden keerde ik terug in huis. Ik wilde met niemand meer iets te maken hebben. Allen die mij benaderen wilden, wees ik met alle beslistheid af, behalve een vrouw die voor mij een tweede moeder is geworden. Met haar zachtheid, begrip en geduld heeft zij mij de eerste stappen doen zetten op de weg naar de Heere.
Elke dag vertelde zij mij over de wonderen van de Heere, over Zijn grote liefde voor ons. En zo zakte de angst een beetje in mij weg.
Soms praatten we een hele dag over het vele dat een mens moet leren op zijn speurtocht naar de Heere. Maar de angsten verdwenen niet geheel en al. Telkens keerden de depressies terug en dat waren tijden, die het voor mijn man heel moeilijk maakten.
Ik begon de baptistenkerk te bezoeken samen met mijn vriendin Carmen (de Heere zegene haar!), ook al verstond ik er niets van, want ik kende geen woord Nederlands. Maar wel bemerkte ik duidelijk de liefde van deze gemeenteleden onderling. Ze waren zo heel anders dan de mensen met wie ik dagelijks omging. Ik begon nu ook een beetje meer van de Bijbel te begrijpen. En eens besloot ik mij aan de Heere over te geven. Maar het duurde maar kort. Spoedig daarna bevond ik mij weer op de enge weg van mijn angsten.
Intussen had ik ook een Italiaans echtpaar leren kennen. Zij zijn voor mij een onschatbare hulp geweest tot nu toe. Zij leenden mij ook verschillende boeken. Een van die boeken droeg tot titel: "Wat is geloven?". Ik heb het in één ruk en in één zucht uitgelezen. Ik begreep alles. De schrijver (Herman J. Hegger) gebruikte geen moeilijke woorden. Alles was doorzichtig als water.
Ik las nog meer van hem. En zo smolten mijn twijfels en angsten langzamerhand weg als sneeuw voor de zon.
Toen begon er echter een strijd binnen in mij. Als ik bad, kwam mijn hele voorbije leven met alle ongerechtigheid die zich daarin had voorgedaan, mij voor de geest. Ik had er een grondige afschuw van. Ik kon maar moeilijk aannemen dat God dat allemaal vergeven wilde.
Ik schreef naar het kantoor van 'in de Rechte Straat'. Ze zonden mij nieuwe lektuur, waarin ik weer antwoord kreeg op mijn duizend en één vragen en twijfels.
Er begon iets nieuws in mij te groeien. Wanneer ik de Bijbel las, deed ik dat veel rustiger. En elke dag bad ik met steeds meer vertrouwen dat de Heere Zijn hand niet van mij zou terugtrekken. Mijn vriendin Carmen en ik baden veel samen. En zo begon een vrede mijn hart binnen te stromen, die ik eigenlijk niet beschrijven kan.
Eens zei ik in mijn gebed tot de Heere: "Heere, mijn Heere, vergeef mij mijn opstandigheid. Help mij elke dag, zodat ik niet van U wegga. Ik heb U zo nodig, zo nodig! U bent voor mij het leven. Ik wil Uw weg volgen. Vergeef mij mijn voorbije leven. Ik ben er zozeer verbroken om. Ik betreur dat leven van zonde van ganser harte. Ik heb er een diep berouw om. Ik wil alle beproevingen die U mij wellicht overzendt, aanvaarden, als ze maar dienen tot Uw liefde en Uw eer. Heere, ik geef mij geheel aan U over."
Sindsdien is alles aan en in mij veranderd. Ik heb geen angsten meer. Ik ben blij om de kleinste dingen. Ik houd van mijn zoontje en van mijn man meer dan ooit. En niet alleen houd ik van hen, maar ook van allen die mij omringen.
Ik heb geen twijfels meer, en wanneer die toch nog eens opkomen, vraag ik aan de Heere Jezus dat Hij mij wil helpen met Zijn oneindige goedheid.
Jarenlang heb ik in de duisternis rondgezworven, maar nu is de Heere mijn Licht. Hij is mijn Gids.
Heere, mijn God en mijn Vader in Jezus Christus, hoe oneindig is Uw goedheid en uw erbarmen jegens hen die U zoeken! Uw liefde overtreft alles en is met niets te vergelijken. U bent de Balsem in mijn nieuwe leven. U brengt de rust in mijn pijn, mijn droefheid, mijn verwarring. U hebt mij geleerd om nederig, geduldig en vol begrip voor mijn naasten te zijn. U hebt mij geleerd dat ik vol gebreken ben. En dat besef helpt mij om mij in afhankelijkheid van U steeds meer innerlijk te reinigen.
In mij is er een sterk gevoel van liefde voor U, o Heere, om alles wat U in genade aan mij hebt tot stand gebracht. Ik prijs U, o eeuwige Vader, om de genade die U aan mij hebt bewezen. Ik ben een zondares, maar ik weet nu dat al mijn schuld is weggewist door het kostbare bloed van Uw Zoon.
Het raakt mij nu niet meer of ze van mij zeggen dat ik een dwaas en een fanatica ben. Tegenover de rijkdom en de heerlijkheid van Uw belofte valt al het andere in het niet. U zij de lof en de eer tot in de eeuwen der eeuwen! Amen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
