ONTMOETINGEN
Guatemala, 7 aug. '86
Geliefde broeder,
Vandaag kreeg ik het mei-juninummer 1986. Heel hartelijk dank! Graag wilde ik u een vraag stellen niet het verzoek om uw antwoord vanuit de Bijbel hetzij in een persoonlijke brief hetzij via uw blad.
Wij hebben een dochter van 36 jaar. 7.e is gehuwd en heeft twee kinderen. Het is een fijne dochter en ze heeft steeds alle zorg voor ons gehad. Helaas is ze ziek geworden. Men ontdekte dat ze kanker heeft en een borst is van haar weggenomen. Ze is nog steeds onder behandeling.
Als goede christin heeft mijn dochter haar ziekte met gelatenheid aanvaard. Maar soms komt ze in opstand legen God en soms lijkt het erop alsof ze tegen God vloekt.
Erg pijnlijk is het, wanneer zij zegt: 'Misschien moet ik betalen en lijden vanwege de zonde van mijn voorouders, zoals te lezen staat in Ex. 20:5: "Want Ik, de Heere, uw God, ben een naijverig God die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan hel tierde en vierde (geslacht) van hen die Mij haten".
Mijn vrouw en ik hebben daar veel verdriet van. Het knaagt aan ons en doel schade aan ons geestelijke leven.
Volgens mij heeft dit vers betrekking op de kinderen, die aan beeldenverering doen, die zich ervoor neerbuigen en aldus de afschuw van de Heere opwekken. Maar mijn dochter begrijpt dal niet en zo wordt zij aangevreten door bitterheid. W 'ij hebben tegenover haar ook al uit Ezechiël geciteerd: "De ziel die zondigt, die zal sterven: de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon: de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zijn " (18:20).
Indien u via uw blad antwoordt, dan graag zonder vermelding van mijn naam. Maar een antwoord via uw blad zou wel belangrijk zijn, want wij hebben de indruk dat vele gezinnen hier met dal probleem zitten.
ONS ANTWOORD:
Dit probleem kan ik volkomen begrijpen. In Latijns Amerika zijn er miljoenen tot bekering gekomen van wie de ouders aan beeldenverering in allerlei vormen hebben gedaan. Geldt voor ons - ik sluit mijzelf erbij in - dan de vervloeking van Ex. 20'.'
De dag nadat ik uw brief had ontvangen, hadden wij een samenkomst van predikanten van de gereformeerde gezindte. Ik maakte daarvan gebruik om uw brief voor te lezen en ter bespreking voor te leggen. De volgende gedachten werden naar voren gebracht:
1. Wij vroegen ons af: Is het wel juist dat uw dochter haar ziekte met gelatenheid (con resignación) aanvaardde? Moeten we eerst niet intens bidden en smeken om genezing? Pas als het volkomen duidelijk is dat de Heerede ziekte niet van ons weg wil nemen, moeten wij de ziekte aanvaarden. Maar niet met gelatenheid in een geest van : "Er is niets aan te doen. We moeten ons noodgedwongen schikken in ons lot". We moeten dan bidden om de eenswillendheid met God, zodat we onze ziekte niet gelaten, maar tot op zekere hoogte blijmoedig aanvaarden.
2. Christus is een volkomen Zaligmaker. Zodra wij tot geloof gekomen zijn, valt alle schuld van heden en verleden van ons af, dus ook alle schuld die onze voorouders op zich hebben gelaten, een schuld die doorwerkt tot in het derde en het vierde geslacht.
3. Voor gelovigen heeft lijden nooit meer het karakter van een vergeldingsstraf. De straf is immers voor hen door Christus uitgeboet en God gaat die straf niet nog eens dunnetjes verhalen op ons. God straft de zonde niet twee keer: eerst aan Zijn Zoon en daarna nog eens. hoewel in mindere mate, aan ons. Deze gedachte ligt ten grondslag aan het roomse vagevuur, maar is volkomen onbijbels.
4. Het lijden dat God ons overzendt, heeft voor de gelovigen een ander karakter nl. van de kastijding, 'indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt God Zich jegens u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt?)" (Hebr. 12:7). Achter de kastijding steekt altijd de liefde van de Vader voor ons, die in Christus Zijn geliefde zonen en dochters zijn geworden.
Die liefdebedoeling van God bestaat daarin dat Hij door het overzenden van lijden, in welke vorm ook, ons reinigt en steeds meer vrij maakt van onze ikzucht. Daardoor maakt Hij ons leeg van onszelf, zodat Hij die ruimte die daardoor ontstaat, kan vullen met Zichzelf, met Zijn heerlijkheid. Zijn glans. Zijn innige liefde.
5. Alle lijden komt van God. "Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad; Ik, de Heere, doe al deze dingen" (Jes. 45:7).
God volvoert het kwade meestal niet Zelf, maar geeft aan de duivel de macht daartoe. "En de Heere zeide tot de satan: Zie. hij (Job) zij in uw hand. doch spaar zijn leven" (Job 2:6). Job is uit deze beproeving gelouterd tevoorschijn gekomen.
Ook Paulus vermaant in de kracht van de Heilige Geest de gemeente van Korinthe dat ze hem. die met de vrouw van zijn vader leefde, moeten "overgeven aan de satan tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden moge worden in de dag van de Heere Jezus Christus"! I Kor. 5:4). In dat geval ging het niet om een lijden als loutering, maar als een middel om iemand tot bezinning en tot bekering te brengen.
6. Tot aan de komst van Christus beschikte de duivel de macht over de dood, maar toen Christus aan het kruis stierf, werd de satan als koning van de dood onttroond: "… opdat Hij door de dood te niet zou doen degene die het geweld des doods had, dat is de duivel, en verlossen zou al degenen die met vreze des doods, gedurende heel (hun) leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren" (Hebr. 2:14-15).
Zij die in Christus geloven, hoeven dus niet meer bang te zijn voor de dood, want die is voor hen de doorgang naar Gods heerlijkheid.
7. God heeft het lijden en de dood nog gelaten, ook na de overwinning van Christus, om het mensdom te wijzen op het verschrikkelijke van de zonde van Adam en Eva waardoor de dood intrad in de wereld, en het verschrikkelijke van elke zonde van ons.
Maar daarnaast laat de Heere telkens door wonderbare genezingen, ook in onze tijd, de tekenen glanzen van de overwinning van Christus.
8. Wij vormen als gelov igen één lichaam van Christus. Dat betekent dat wanneer iemand van de gemeente ziek wordt of sterft, dit ons allen aangaat.
Het moet ons weer herinneren aan de vloek die de zonde met zich heeft meegebracht. En wanneer er velen in de gemeente ziek zijn en sterven, dan moeten wij ons afvragen: Zijn er soms grove misstanden in de gemeente waarom God onze gemeente aldus kastijdt? Zie 1 Kor. 11:30.
We moeten ons dan vernederen "onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd" (1 Petr. 5:6).
We moeten dan tot belijdenis van onze schuld komen tegenover God, maar ook tegenover elkaar: "Belijdt elkander de misdaden en bidt voor elkander, opdat gij gezond worde; een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel". "Is er iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente en dat zij over hem bidden" (Jak. 5:14-16).
9. Bovenal moeten wij ons steeds weer inleven in Gods grote liefde, die Hij getoond heeft door de gave en de offerande van Zijn enige Zoon. Van Hem geldt: "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft H ij gedragen" (Jes. 53:4). Maar als de Heere toch toelaat dat wij ziek worden en ziek blijven en door die ziekte sterven, ook dan moeten we daarachter Gods liefdebedoelingen zien. Zie boven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
