Liefde… van Christus
Ik kan dromen van de liefde, van de échte liefde. Niet van lievigheid, niet van de romantische poespas, die vaak met het etiket 'liefde' wordt versierd. Ik droom van de liefde, die stoer is, rustig, maar tegelijk heel diep. Een liefde die opbloeit uit het innigste van mijzelf, uit mijn wil. uit mijn 'ik'.
Een liefde die bereid is tot het volstrekte offer van eigen begeren; een liefde die allereerst aan de ander denkt.
Een liefde die uitstroomt uit een hart dat wijd open staat voorde noden van de mensen die ik ontmoet, zoals er grote schelpen staan opgesteld om de geluiden uit het heelal op te vangen en te vertalen in licht.
Een liefde die de ánder op het oog heeft, die hem ziet als een persoon, als een eigen 'ik', als een beeld en gelijkenis van Ciod. geschonden weliswaar, al of niet herschapen in Christus door de wedergeboorte.
Deze éne mens. uniek, onvervangbaar, onherhaalbaar. Deze mens met zijn eigen pijn, zijn eigen verlangens, zijn eigen dromen, zijn remmingen, zijn zonden en onvolkomenheden.
Als ik zó zou liefhebben,
dan zou ik mij altijd beheersen, dan zou ik niet opstuiven, wanneer ik mij gekrenkt voel, dan zou ik niet terugslaan. wanneer ik (met woorden)geslagen word. Zulk een liefde zou mijn zelfzucht telkens wegspoelen, zou mij de verrukking geven van de liefde zelf. de vreugde van het liefhebben, van het vergeten van mijzelf, van het wegcijferen van eigen belangetjes.
Dan zou ik mij inzetten voorde naaste vlakbij - ja. dat allereerst - maarevenzeer voor de naaste ver af, de hongerenden en naakten in de Derde Wereld. Dan…
Dan … zou ik de liefde van Christus bezitten. Hij heeft zó liefgehad. Hij heeft Zieh totaal ingezet voor het zondige mensdom, voor mij. Hij heeft eindeloos geduld met mij gehad. Hij heeft Zich nooit geïrriteerd van mij teruggetrokken, terwijl Hij daar voortdurend alle reden voor had.
Hij verdroeg, verdroeg mij, u, allen die zich in geloof aan Hem hebben overgegeven. Wij moeten onuitstaanbaar zijn voor Hem in Zijn heiligheid. Zijn reinheid, Zijn pure liefde. Wij … met ons vieze egoïsme, met de vunzige gedachten die soms in ons opkomen en die we, al is het misschien maareven, koesteren. Wij … met altijd weer de neiging om allereerst onze eigen belangen zeker te stellen. Wij … met onze petieterigheid, onze grootheidswaan. We denken dat we geweldige zuilen zijn van Gods geestelijke huis, van de gemeente van Christus. Want wij vechten ons dood voor dit en voordat, voor het zoveelste gereformeerde beginsel, voor dit of dat zedewetje. Maar door onze verbetenheid hebben we ons hart laten verbitteren en verzuren en is de liefde eruit weggevloeid. We zijn innerlijk doodgebloed. Hoe vaak zou Christus ook niet tegen ons moeten zeggen:
"Maar wee u. Farizeeën, want gij verdient munt en ruit en alle moeskruid en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten" (Lk. 11:42).
Wat is er onder zeer orthodoxe christenen vaak niet een verdachtmaking! Als iemand schrijft over Christus, de "Heer" of de "Here", dan is hij meteen al gebrandmerkt. Wanneer iemand een andere Bijbelvertaling gebruikt dan de SV, ligt hij er helemaal uit. Enzovoort. Zou Christus dan niet tegen ons zeggen: "Dit moet gij doen (bv. strijden voor een nauwgezette Bijbelvertaling), maar boven alles gaat de liefde. Die liefde misten de Farizeeën, ondanks al hun strijden voor de jota en de komma in de Bijbel, ondanks al hun zedelijke gestrengheid en orthodoxe rechtlijnigheid. Wordt niet gelijk aan de Farizeeën".
En terwijl ik dit schrijf, vraag ik me af: Ben ik nu wel in de echte liefde? Reageer ik nu niet vanuit een persoonlijke geprikkeldheid? O God, wees mij, zondaar, genadig!
Ik droom van de liefde, maar ik weet dat ik de volmaaktheid daarvan nooit op aarde zal bereiken. Maar ik weet tegelijk dat ik daar wel in kan groeien. Hoe? Door zo innig mogelijk te leven in en vanuit Christus. Als ik naar Hem zie. dan zie ik de Liefde levend vóór mij. lk mag mij door het geloof dompelen in Hem, in Zijn liefde. Ik mag die warme stroom van Zijn liefde door mij heen laten trekken, die liefde van Hem die mij tegelijkertijd reinwast van mijn schuld en zonde. Deze hoop op de uitgroei van de liefde in mijn leven "beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is" (Rom. 5:5). Laten wij daarom door het geloof de schelp van ons hart wijd openzetten, opdat wij daarin de heerlijke geluiden van Gods liefde mogen opvangen en die vertalen in woorden en daden en in de hele gezindheid van de liefde tot God en tot de naaste.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
