In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De r.-k. beeldenverering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De r.-k. beeldenverering

11 minuten leestijd

In Katholiek Nieuwsblad verdedigde pastoor F. Langelaan de beeldenverering met déze redenering:

"Bij de Reformatie is er een beeldenstorm door de kerkgebouwen gegaan als een neerhalen van afgodsbeelden, die door God verboden zijn. Ze meenden het goed. maar ze konden toch ook weten dat hun medegelovigen ze niet als afgodsbeelden beschouwden. Door de steen heen zagen de gelovigen zich als één gezin tezamen met Christus, Maria en de apostelen."

ONS ANTWOORD:

Natuurlijk wisten en weten de christenen van de Reformatie dat de roomskatholieken niet dat stuk hout of steen, zilver of goud als God willen aanbidden. Maar wij zijn overtuigd dat de Bijbel de religieuze verering of aanbidding van beelden zonder meer verbiedt, ook al wil men door die beelden heen slechts Christus aanbidden of de heiligen vereren. Redenen:

1. Noch het Oude noch het Nieuwe Testament vermeldt ooit een beperking van het beeldenverbod. Met geen woord staat te lezen dat je wél beelden mag aanbidden of vereren, wanneer je daardoorheen slechts de voorgestelde persoon wilt aanbidden of vereren.

2. Toen de Joden het gouden stierkalf aanbaden, wilden zij daardoorheen niet een afgod, maar de God van Israël aanbidden. "Toen Aaron dat zag, bouwde hij voor het beeld een altaar en liet bekend maken: Morgen is er feest ter ere van Jahweh" (Ex. 32:5 RK Vert.).

Maar ook al wilden de Joden in het stierkalf de kracht van God en in het goud Zijn majesteit aanbidden, desondanks heeft de Heere deze aanbidding van het gouden stierkalf als een vreselijke misdaad veroordeeld en gestraft.

En in het Nieuwe Testament wordt dat beeldenverbod op ongeveer dezelfde manier herhaald: "De majesteit van de onvergankelijke God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een sterfelijk mens en van vogels en van viervoetige en kruipende dieren" (Rom. 1:23 RKV.). Zo doen ook de rooms-katholieken, wanneer zij neerknielen voor een beeld van Christus, die niet slechts Mens, maar ook waarachtig God is.

3. Zelfs door God aangewezen zinnebeelden zoals de koperen slang (Num. 21:9) mochten niet religieus vereerd of aanbeden worden. Toen dat later toch gebeurde, heeft de vrome reformatie-koning Hizkia daar een einde aan gemaakt. "Ook sloeg hij de bronzen slang stuk. die Mozes gemaakt had: tot dan toe hadden de Israëlieten daar offervuur voor ontstoken; men noemde haar Nechustan. Hiskia stelde zijn vertrouwen op Jahweh, de God van Israël; daarin werd hij door geen van de koningen van Juda na hem geëvenaard, noch door één van zijn voorgangers" (2 Kon. 18:4-5 RKV.).

Daarom beschouwen wij het als afgoderij, evenals de Bijbel de aanbidding van het gouden stierkalf en van de koperen slang afgoderij noemt, wanneer de r.-k. het Avondmaalsbrood aanbidden door ervoor neer te knielen. Het is hard om dat te zeggen, maar "hier staan wij; wij kunnen niet anders".

4. In Deut. 4:15-18 geeft Mozes de reden van het beeldenverbod aan. "Omdat gij geen gestalte gezien hebt, toen Jahweh u bij de Horeb uit het vuur heeft toegesproken, moet gij zorgen u niet te bezondigen door beelden te maken van welke gestalte dan ook: of het nu de vorm van een man of een vrouw is, de vorm van een dier dat…" (RKV.).

Het is duidelijk dat het hier gaat over een verbod van het maken van beelden voor de eredienst, dus niet over een verbod van beelden of afbeeldingen voor profaan gebruik.

In de omgang met Hem wil de Heere dat wij slechts steunen op wat Hij gesproken heeft, maar niet op een afbeelding van Hem.

De sakramenten, de Doop en het Avondmaal, zijn dan ook slechts, door Christus ingestelde, uitbeeldingen van wat God aan ons in genade wil doen, maar geen afbeeldingen van Hemzelf.

5. Maar laten we even deze afzonderlijke teksten die de beeldenverering en beeldenaanbidding veroordelen, buiten beschouwing laten. Wanneer wij de gelovige zoals die uit allerlei teksten en uit het geheel van het Nieuwe Testament voor ons oprijst, vergelijken met een rooms-katholiek die neerknielt voor beelden, die beelden bewierookt, er kaarsen voor laat branden en ze in de bloemetjes zet, dan zijn dat duidelijk twee geheel verschillende godsdienstige figuren.

De Nieuw-Testamentische gelovige verwacht alles enkel van genade en van het geloof waardoor hij die genade deelachtig wordt, enkel van Jezus Christus. De rooms-katholiek verwacht alles van ceremonies, van uiterlijke plechtigheden, van dingen die hij moet doen om God. Christus en de heiligen gunstig jegens hem te stellen.

6. Dat het bij de r.-k. beeldenverering niet slechts gaat om de voorgestelde persoon, maar ook om het beeld zelf, blijkt uit de vele bedevaartplaatsen. De Maria die in al die pelgrimsoorden vereerd wordt, is dezelfde, slechts het beeld is anders. Maar aan dat bepaalde beeld wordt een bijzondere kracht toegeschreven. Deze paus heeft zelfs het beeld van Maria van Fatima doen overvliegen naar Rome om aan dat beeld op 25 maart 1983 de hele wereld toe te wijden.

Wij zonden het bovenstaande naar pastoor Langelaan.

ANTWOORD VAN PASTOOR LANGELAAN

Ten tijde van het Oude Verbond bestond er overal een afgodencultus. Men maakte van allerlei schepselen een afgod. Deze schepselen, in beelden uitgedrukt, werden echt als een god vereerd en aanbeden. Het spreekt vanzelf dat dit door God verboden werd. Men was als de dood zo bang dat men een ander dan God aanbad. "Maakt geen gesneden beeld, gij zult die niet aanbidden". Ging het nu om het maken van een beeld of om het maken van afgodsbeelden? Liet God Zelf op de verbondsark ook geen Cherubs aanbrengen (beelden van iets dat boven de aarde is)?

Wij moeten dus geen afgodsbeelden maken. Nu kwam het Christendom. In de catacomben van Rome staat het beeld van de goede Herder, de eerste Christenen zagen daarin geen afgodsbeeld, anders hadden ze zo'n beeld niet toegelaten. Als ik thuis kom zie ik in mijn kamer een beeld van Christus, en ik zie het niet als een afgodsbeeld, ik ben blij met dat beeld, het doet me denken aan Christus. Zou Christus tegen me zeggen: "Doe weg dat beeld, het is afgoderij!" "Je bidt wel bij mijn beeld, maar je doet zonde!"

Ook in de Kerk van Engeland staan de beelden nog en iedere Kathedraal heeft zijn St. Mary-Chapel. Vraag hun, hoe ze daarover denken, zij wilden geen beeldenstorm!

Ook is het afgoderij om voor het avondmaalsbrood te knielen, behalve als we geloven, dat dit brood op 't Woord van Christus, Zijn Lichaam is. Ook U behandelt dit brood met reserve en U gaat er eerbiediger mee om dan met het huiselijk brood. En als wij er zelfs het ware Lichaam van Christus in zien op sacramentele wijze, dan is knielen op zijn plaats.

Wanneer we in het voorafgaande de beelden bevrijd hebben van afgoderij, dan mogen we doen, wat men met ieder beeld doet, bv. bloemen leggen bij 't beeld van Wilhelmina.

Laat het volk zijn gang gaan, het is onschuldig, laat ze er processies mee houdea er bij zingen. Het volk heeft z'n Maria-oorden, die ontstaan zijn in de loop der eeuwen, het zijn niet allemaal vaststaande feiten, die daar gebeurd zijn, daar gaat het op de eerste plaats niet om. Maar laat de mensen zich gelukkig voelen als ze zich bevinden rondom een beeld "van alle smetten vrij". Ik ben blij dat men uit Fatima het beeld van Mona per vliegtuig naar Rome overvloog, dit was geen bom, misschien in uw ogen een afgodsbeeld. Geef mij dat "afgodsbeeld" maar en laat anderen hun heil zoeken in de bom.

De Paus heeft aan dat "beeld" dat Maria uitbeeldde gezegd: Moeder Gods en Moeder van de mensen, help mee aan de arme wereld door Uw en ons gebed. Wat men met de beelden doet is in elk geval geen afgoderij, men zag in die beelden niet God Zelf, men zag een zichtbaar vervangingsmiddel om zo duidelijk te maken zijn liefde en eerbied voor de voorgestelde persoon.

Dat men soms tot vreemde eerbewijzen kwam en bizarre manifestaties is een andere zaak, ik wilde alleen maar aantonen dat het geen afgoderij is.

ONS WEERWOORD:

In de eerste plaats spreken wij er onze vreugde over uit dat déze manier van gedachten wisseling mogelijk is.

In de wereldse oecumene heeft er gedachtenwisseling plaats door verdoezeling van de verschillen. Daarmee erkent men het wederzijdse onvermogen om in alle rust over die verschilpunten van gedachten te wisselen.

Pastoor Langelaan en wij spreken beiden vanuit een duidelijke overtuiging. maar proberen desondanks elkaar te verstaan en te respekteren.

Dat blijkt bv. ook uit het feit dat pastoor Langelaan schrijft: "Ook is het afgoderij om voor het Avondmaalsbrood te knielen, behalve als we geloven dat dit brood, op het Woord van Christus, Zijn lichaam is". Wij geloven dat niet (in de zin zoals de R.-K. Kerk dat leert) en dus is het, vanuit r.-k. standpunt bezien, volkomen juist wanneer wij. christenen van de Reformatie, met de Heidelberger Catechismus de mis een afgoderij noemen.

Het blijkt dat pastoor Langelaan ons toch niet goed heeft begrepen. Nee, ik noem de r.-k. beeldenverering of -aanbidding geen afgodencultus. Ik herhaal: de rooms-katholieken willen in en door het beeld van Christus Hemzelf aanbidden en in en door de beelden van de heiligen willen ze die heiligen zelf vereren.

Ik heb echter getracht aan te tonen dat de Bijbel ook die beeldenaanbidding of -verering verbiedt.

De Bijbel verbiedt niet zonder meer het maken van beelden, maar wél het maken van beelden om die met religieuze eer te omringen. "Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen" (Ex. 20:5 RKV.).

Daarom zien we dat God het maken van de beelden van de Cherubs gebood, maar Hij heeft niet toegestaan dat aan die beelden religieuze eer werd toegebracht.

Daarom gaat de vergelijking met het bloemen leggen bij het beeld van koningin Wilhelmina niet op. Wanneer wij dat doen, brengen wij immers geen religieuze hulde aan koningin Wilhelmina.

PASTOOR LANGELAAN REAGEERDE:

"Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen". De reden is, omdat men in die beelden een god ziet en aan die god goddelijke eer betoont.

Hier ben ik het volkomen mee eens, ik zal nooit voor een beeld buigen en er goddelijke eer aan betuigen als dit beeld een god is.

Ook zal ik niet neerknielen voor een beeld dat de ware God of Christus is, ik kan dat zelfs niet. omdat zulk een beeld niet bestaat, er is geen beeld dat God of Christus is. Geen enkele katholiek heeft zulk een beeld, omdat zulk een beeld onmogelijk is.

Maar als een katholiek een beeld van Christus heeft is het Christus zelf niet, maar is het een voorstelling van Christus, niet Christus zelf.

Deze voorstelling mag ik eren, maar ik kart er geen goddelijke eer aan bewijzen, want dan moest het God zijn. Wel kan er overeenkomst zijn met het knielen voor de levende Christus en de voorgestelde Christus, maar aangezien dit beeld Christus niet is. is deze verering geen goddelijke verering, dus breng ik aan dit beeld geen goddelijke verering in de diepste zin, hoewel het er uiterlijk op lijkt, maar niet is.

Zo overtreden wij dus niet het gebod van Ex. 20:5.

ONS TWEEDE WEERWOORD:

Ik heb de indruk dat we in herhalingen vervallen. Nogmaals, ik heb niet beweerd dat de rooms-katholieken aan de stof waaruit een beeld bestaat (hout, zilver, goud enz.), hulde willen brengen. Zij willen de voorgestelde persoon in en door dat beeld vereren of aanbidden. Maar ook dat wordt volgens ons door de Bijbel veroordeeld en afgoderij genoemd, ook al is deze afgoderij anders dan wanneer men in een beeld niet God, maar een afgod wil aanbidden.

Omdat aan een beeld de eer moet worden toegebracht die de voorgestelde persoon toekomt, moet volgens Thomas van Aquino (Summa Th., III, 25,3) aan een beeld van Christus ook goddelijke eer worden toegebracht.

Dat gebeurt ook in de r.-k. liturgie van Goede Vrijdag. Nadat de priester de derde keer heeft gezongen: "Ziet het kruishout, waaraan het heil van de wereld heeft gehangen - Komt laten wij het aanbidden", draagt hij het naar een daartoe bestemde plaats "en zelf knielend legt hij het neer. Daarna ontschoeit hij zich, knielt driemaal voor het kruis en kust het. Na hem komen allen, twee aan twee, het kruis op dezelfde wijze vereren" (Missaal, uitg. Spectrum Utrecht).

Wij zijn echter overtuigd dat de Bijbel een dergelijke aanbidding van hout, ook al wil men daarin de voorgestelde Persoon Christus aanbidden, afgoderij noemt en onder zware straffen in het tweede gebod verbiedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1986

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De r.-k. beeldenverering

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1986

In de Rechte Straat | 32 Pagina's