ONTMOETINGEN 5
Deze keer enkele vragen, plus mijn antwoorden, van Heieen Roeleveld van Honeydew in Zuid Afrika.
1. Uw artikelen in IRS brachten mij ertoe de Dordtse Leerregels weer eens te gaan lezen. Wat zijn die mooi en wat ligt het remonstrantisme (de leer dat de mens nog tot heel vee! goeds in staat is) hij ons altijd weer op de loer! U schreef over mensen die anderen kunnen verhinderen het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Maar dat kan toch niet! Geen mens kan uitverkorenen Gods tegenhouden.
ANTWOORD:
Die woorden heb ik van Christus overgenomen. Hij verwijt de Farizeeën dat zij zelf het Koninkrijk niet binnengingen en ook anderen verhinderden om binnen te gaan (Lk. 11:52). Natuurlijk kan niemand uitverkorenen Gods tegenhouden. Ook dat is een leer, die Christus verkondigt. Maar in de Bijbel kunnen uitspraken die ogenschijnlijk in strijd zijn met onze menselijke logica, een diepe goddelijke wijsheid bevatten. Daarom moeten we in nederig geloof alle uitspraken van de Bijbel aanvaarden, ook al kunnen we ze soms niet met onze logica aan elkaar knopen.
2. Ik heb in het gebed het bloed van Christus aan de deurpost van mijn hart aangebracht. Maar mag ik dat doen? Of moet God dat doen? Altijd is er bij mij die akelige twijfel.
ANTWOORD:
In de Bijbel staat niet dat God Christus moet aannemen, maar dat wij dat moeten doen. Zie Joh. 1:12.
Wél staat er dat wij dat slechts kunnen doen in de kracht van de Heilige Geest. Daarom komt alle eer voor onze bekering alleen God toe. Zie Joh. 6:44.
3. De Heere heeft mijn blinde ogen geopend en ik heb liefde in mijn hart voor Hem en ik wil niet mijn hele leven in twijfel doorbrengen. Maar ik krijg vaak te horen: "Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten".
ANTWOORD:
a. Inderdaad, het is jammer dat sommigen pas op hun sterfbed tot de heilszekerheid komen. Zodoende is hun leven voorbijgegaan, zonder dat ze God konden verheerlijken vanwege geloof in Zijn liefde door Christus.
b. Natuurlijk is het waar dat God gevonden wordt door degenen die Hem niet zochten. Niemand gaat uit zichzelf op zoek naar God. De Heere moet het initiatief nemen. Hij moet ons roepen en in dat roepen de lokkende kracht van Zijn liefde leggen. Anders gaat niemand van ons op stap naar Hem.
Wanneer een mens dus in zich bemerkt dat hij op zoek is naar God, dan moet hij meteen God danken, omdat God blijkbaar met hem bezig is, want het zoeken naar God komt nooit uit onszelf voort.
En diezelfde God die dat zoeken naar Hem door Zijn Geest in ons heeft gewekt en gewerkt, zegt: "Wie zoekt, zal vinden" (Lk. 11:10). Wij moeten dus geloven in de waarachtigheid van de belovende God.
TELEFOON
Nadat ik het bovenstaande op papier had gezet, werd ik gebeld door een dame van 79 jaar. Ze zei mij dat ze nog steeds zoekende is en nog niet met alle stelligheid kan getuigen dat ze een kind van God is.
Toen dacht ik weer aan wat ik boven in 3a had geschreven en ik maakte mij zorgen: Misschien gaat een bejaarde daar schuldgevoelens over krijgen, omdat hij/zij nog steeds niet tot de volle verzekerdheid van het geloof is gekomen. Daarom deze aanvulling:
Dat we zelfs op hoge leeftijd, ondanks geregeld kerkbezoek en veel lezen uit en over de Bijbel, nog niet tot de blijde heilszekerheid zijn gekomen, kan vele redenen hebben. Ik noem er enkele:
1. Het kan een beschikking van de Heere zijn. Hij is soeverein en we mogen Hem nooit ter verantwoording roepen. En Hij heeft met alles Zijn wijze en goede bedoelingen.
2. Het kan het gevolg zijn van een verkeerde prediking.
3. … of van een zwaarmoedig karakter.
Vermeng Wet en Evangelie niet
4. Soms vraag ik me af of men ongemerkt Wet en Evangelie is gaan vermengen. Dat kan gemakkelijk gebeuren, wanneer je al heel vroeg met de prediking van beide bent opgegroeid.
Bij mij was dat niet het geval. Ik ben opgegroeid met de Wet alleen. Zeker, ons werd ook de genade gepredikt. Maar genade betekende slechts een extra-injectie van bovennatuurlijke kracht, waardoor ik beter in staat werd gesteld om goede werken te verrichten, waarmee ik de hemel moest verdienen.
Ook voor de vergeving der zonden moest ik steeds iets 'doen'. Ik móest mijn zonden aan de priester biechten; ik móest berouw hebben over mijn zonden en een vast voornemen om die zonden nooit meer te doen. Ik móest, ik móest, ik móest! En slechts wanneer ik precies gedaan had wat de kerk mij voorschreef, mocht ik aannemen dat mijn zonden vergeven waren.
Maar altijd weer kon ik twijfelen of ik mijn zonden wel goed gebiecht had en of ik wel een echt berouw (dat niet enkel voortkwam uit de vrees voor de straf) had gehad en een vast voornemen om de zonde niet meer te doen. Daarom had ik als rooms-katholiek ook nooit echte heilszekerheid.
Toen ik dan ook voor het eerst in Brazilië van gelovige protestanten het Evangelie hoorde en begreep dat de genade niet een extra-kracht in mij is, maar de goedgunstigheid van God jegens mij, zondig mens, die Hij om niet begenadigen wil door de toerekening van de gerechtigheid van Christus, was dat voor mij een volstrekte verrassing.
Voor mij kwam er toen een radikale streep door mijn leven, een streep tussen verleden en heden. Tot dan toe had ik alles van mijn eigen inspanning, mijn eigen geestelijke prestaties, verwacht; maar nu zag ik ineens dat ik alles geheel en al van Christus mocht verwachten.
Ik kón toen niet meer twijfelen. Ik had na jarenlange inspanningduidelijk gezien dat er in mij geen enkel goed woont, omdat alles in mij is aangevreten door de zelfzucht. Toen Christus Zich dan ook door Zijn Woord aan mij openbaarde zoals Hij werkelijk is, begreep ik ook ineens waarom het Evangelie een blijde boodschap is, een boodschap van eeuwige hoop voor wanhopige zondaars. De weg van de werken werd daardoor voor mij radikaal afgesneden.
Laat God 'doen'
Daarom zou ik hen die jarenlang een juiste prediking hebben mogen beluisteren en desondanks nog steeds niet durven zeggen dat ze behouden zijn, willen vragen:
1. Hebt u wel met voldoende duidelijkheid gezien dat u op grond van wat u ook doet, nooit voor God kunt verschijnen; dat Hij u voor altijd van Zich moet werpen, wanneer Hij u zou moeten oordelen op grond van wat u gedaan en nagelaten hebt in uw leven?
2. Hebt u voldoende duidelijk gezien dat 'geloven' op geen enkele wijze een prestatie is van de mens? Het is alleen maar het aannemen van een geschenk en dat geschenk is niemand minder dan Jezus Christus Zelf: "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, (namelijk) die in Zijn Naam geloven" (Joh. 1:12)? Ook al is'geloven'een werkwoord, toch heeft het op geen enkele wijze het karakter van een 'doen'. Het is een uitschakeling van je eigen 'doen' en een inschakeling van Gods 'doen'. Wie gelooft, houdt op zelf te 'doen' en laat God 'doen':
Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
gij die de Heer van harte vreest,
hoort wat mij God deed ondervinden,
wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. (ps. 66:8 ber.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
