ONTMOETINGEN 4
H.: Er zijn in een wedergeboren mens twee willen. In hem is nog steeds de oude "wil des vleses" (Ef. 2:3) aanwezig. Dat zijn onze zondige neigingen, die aan de ketting rukken en slechts eigen bevrediging willen.
Maar daarnaast en daar bovenuit is er een andere wil gekomen. Daarover schrijft Paulus o.a. in Ef. 4:20-24. Het is Gods bedoeling "dat gij zoudt vernieuwd worden in de geest van uw gemoed en de nieuwe mens zoudt aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid".
De Heilige Geest die in ons is komen wonen sinds de wedergeboorte, is als een magneet, die alles in ons, ook onze wil, heentrekt naar Christus toe. Zodra we dan in de Schrift horen wat God van ons wil, spitsen we met ons vernieuwde hart (onze geest) de oren en willen die wil volbrengen.
Dat is het ook wat in Fil. 2:13 staat: "Want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen".
Maar die twee willen in ons voeren strijd tegen elkaar, heel ons leven lang. De "wil des vleses" zal het nooit helemaal opgeven en zich altijd weer opnieuw als een lastig, dreinend kind bij ons aanmelden:
"Want het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, alzo dat gij niet doet wat gij wildet" (Gal. 5:17).
En de overwinning in die strijd behalen we niet vanzelf. Dat kost inspanning. Daarom roept de Schrift ons ook herhaaldelijk op om stand te houden. "En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid van het vlees niet" (Gal. 5:16). "… opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde" (Hebr. 12:3-4).
Als je zegt: "Ik heb de zonde echt gewild", kan het zijn dat het alleen de "wil des vleses" is geweest. Maar zelfs al zou het ook een volkomen 'willen' zijn geweest, vergeet dan niet dat Christus voor échte zondaars is gestorven, niet voor arme schijn-zondaars. God gaf Zijn Zoon in de offerdood voor Zijn vijanden:
"Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven" (Rom. 5:8
Wat wil dat anders zeggen dan dit: Als God al bereid was om ons te vergeven, toen wij alléén maar zondaars waren en zelfs vijandig tegenover Hem stonden, hoeveel te meer moet Hij dan niet bereid zijn ons te vergeven, nadat Hij eenmaal het bloed van Zijn Zoon aanvaard heeft voor de vergeving van onze zonden, toen wij tot geloof kwamen?
Ik meen dat daar de gedachte achter zit, dat God het bloed van Zijn Zoon te kostbaar acht dan dat het vergeefs zou zijn gestort voor iemand, die tot geloof is gekomen. Dat is ook de grondgedachte van Jes. 53 over de lijdende Knecht des Heeren: "Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood en met de overtreders is geteld geweest en Hij veler zonden gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft" (v. 12). Die gedachte vinden we ook weer terug in de lofzang van Fil. 2:6-11.
Jan: Maar wie worden dan in Hebr. 6:4-6 bedoeld?
H.: Ik meen dat daar dezelfde mensen worden bedoeld als zij die de Heere Jezus op het oog had in de gelijkenis van het zaad dat "viel op steenachtige (plaatsen), waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar toen de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord."
Jezus geeft daar deze verklaring van: "Maar die in steenachtige (plaatsen bezaaid is, deze is degene die het Woord Gods hoort en dat terstond met vreugde ontvangt. Doch hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt om het Woord, zo wordt hij terstond geërgerd" (Mat. 13:5 en 20).
Die mensen hebben vreugde beleefd aan het Evangelie, zegt Jezus. En datzelfde wordt ook gezegd van de mensen van Hebr. 6:4-6. Ze hebben "de hemelse d ingen gesmaakt en zijn de Heilige Geest deelachtig geworden".
Het zijn dus mensen die, ondanks de werking van de Heilige Geest in hen, nooit tot een wilsbeslissing zijn gekomen, terwijl juist dat, volgens de Dordtse Leerregels, hét kenmerk is van de ware wedergeboorte: "(God) maakt dat die wil die dood was, levend wordt; die niet wilde, nu metterdaad wilde; die wederspannig was, gehoorzaam wordt. Hij beweegt en sterkt die wil alzo dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen". "En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht wordt gezegd dat de mens door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert" (III-IV, art. 11 en 12).
Daarom is het zo verkeerd om de wedergeboorte, en de daaruit voortkomende bekering en het geloof, voor te stellen als in wezen een gevoelsaandoening. Dan breng je de mensen op een dubbel dwaalspoor. Ik heb daar al vaker over geschreven in IRS, maar ik vind dit van zo groot belang voor het geloofsleven, dat ik meen dit telkens te moeten herhalen.
In de eerste plaats brengt zulk een onjuiste voorlichting sommigen ertoe om altijd maar weer op zulk een min of meer hevige gevoelsberoering te wachten.
Vaak lijden ze daar heel erg onder. Ze willen zich graag heenkeren naar God, maar ze menen dat dit alleen maar mag, wanneer je allerlei emoties hebt ondergaan, die zo maar zich in je loswoelen onder de werking van de Heilige Geest. Zo laten ze soms een heel leven voorbijgaan, dat had kunnen worden besteed aan de grootmaking van Gods Naam, die zondaren wil redden om niet. W ij hoev en niet de horizon af te turen of naar de hemel te staren of misschien ineens de wind des Geestes begint te waaien. De Heilige Geest is vlak bij ons, in het Woord dat Hij geïnspireerd (= uitgeademd, doorademd) heeft.
Paulus zegt dat we niet naar de hemel hoeven op te klimmen om Christus te doen neerdalen naar ons en dat we niet op zoek naar Hem hoeven te gaan in de afgrond. "Maar wat zegt zij (= de rechtvaardigheid die uit het geloof is, v. 6). Nabij u is het Woord in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs dat wij prediken" (Rom. 10:8).
En deze onjuiste voorlichting brengt anderen in de waan dat die gevoelsaandoening die ze misschien in een sfeervolle samenkomst onder een gloedvolle prediking ondergaan, waarbij ze tranen stortten van ontroering, de echte bekering is. Zulke mensen hebben dan niet begrepen dat de wedergeboorte een verandering van de wil is, en daarom van heel hun levenshouding. Pas als hun wil veranderd is, worden ze als een boom die goede vruchten voortbrengt. Maar anders zijn ze als de wonderboom van Jona. die in één dag opkwam en ook even snel weer verdorde, zonder echte vrucht te dragen.
Jan: Maar is het bij mij wel een verandering van de wil geweest? Misschien was het alleen maar een kwestie van gevoel.
H.: Meen je dat werkelijk? Ik kan het me moeilijk voorstellen. Je hebt je toch niet slechts met je gevoel, maar met je hele wil ingezet voor de zaak van Christus. Om slechts één voorbeeld te noemen: Je hebt in je eentje duizenden Alternatieve Pauskranten verspreid; en dat in een roomse- puur-vijandige omgeving; en dat, terwijl jezelf rooms-katholiek bent geweest.
Maar eigenlijk wil ik die kant niet op van het onderzoeken of je bekering iets van het gevoel alleen of van de wil was. I k meen dat het wel goed is om je dat soms af te vragen. Christus Zelf dringt aan op zulk een zelfonderzoek.
Maar je mag er niet in blijven steken. Dan word je een piekeraar. Dan verlies je het kontakt met Christus. Dan word je meer en meereen rank, die aangesloten is op jezelf als de wijnstok. Maar in onszelf zullen we nooit de levenssappen vinden, die nodig zijn om de gehoorzaamheid des geloofs te verwezenlijken in de onderwerping aan Gods wil.
Christus heeft gezegd dat slechts wanneer wij voortdurend door het geloof (nogmaals: niet door het gevoel) met Hem verbonden zijn als de rank met de Wijnstok, wij veel vrucht zullen voortbrengen.
Misschien - mag ik dat zeggen? - heb je nog niet voldoende de eigen aard, de heerlijkheid en de kracht begrepen van het geloof dat God je uit genade geschonken heeft.
Dat geloof is een altijd weer volkomen buiten jezelf treden en je helemaal werpen in de armen van Christus. Je ziet dan vol verrukking - dat kan ook een nuchtere, maar diepe verw ondering zijn - op naar Christus en weet dan - en dat zie je dan tegelijk - dat je in Hem alles hebt (Rom. 8:32).
Dan vergeet je weer jezelf met alle miserie en je weetje, ondanks je eigen zwak heid, sterk in Christus. Met zulk een geloof waardoor je leeg wordt van jezelf en gevuld wordt door Christus en met Zijn Heilige Geest, kun je bergen verzetten, ook bergen van zwaarmoedigheid.
Jan: Ik hoop dat u niet boos bent dat ik in het begin zei dat u volgens eenzijdig bent in uw Schriftverklaring.
H.: Allerminst. Integendeel, ik stelde dat zeer op prijs. Als vrienden onder elkaar moet je elkaar ook alles kunnen en durven zeggen. Je openheid tegenover mij was voor mij een nieuw bewijs van de vriendschap, die intussen al sinds maanden tussen ons is gegroeid.
NASCHRIFT
Dit telefoongesprek duurde 's nachts ongeveer anderhalf uur tot kwart voor 12. Er is, vooral door Jan, veel meer gezegd. Maar dit was toch wel de kern.
Ik heb het nog eens voor hemzelf opgeschreven. Het is vaak een steun, wanneer je iets ook schriftelijk vóór je hebt.
Ik dacht bovendien dat het ook voor andere lezers van IRS van belang kan zijn, want ik heb vaker te maken gehad met mensen, die tobben met de vraag of ze niet de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven.
Ik heb "Jan" (nogmaals zijn werkelijke naam is anders) gevraagd of hij dat goed vond. En het feit dat u het hier in ons blad leest, is een teken dat hij met plaatsing akkoord ging.
Aan het slot van ons gesprek vroeg Jan of ik voor hem wilde bidden. Misschien bedoelde hij: na afloop. Maar ik stelde voor het nu meteen te doen en hij was blij met dat voorstel.
Ik heb dat wel eens vaker gedaan: voor iemand bidden via de telefoon. Er zit voor mij altijd iets ontroerends in, vooral als dat gebeurt in de stilte van de nacht. Dan realiseer ik mij dat wij elkaar niet kunnen zien, alleen maar elkaar kunnen horen. Maar God ziet ons beiden, terwijl wij op tientallen kilometers van elkaar verwijderd zijn. Dan voel je nog sterker de gemeenschap der heiligen, de eenheid met elkaar in de alomtegenwoordige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus.
NAAR ZIJN WIL - Enkele verhandelingen van Calvijn. Het is een uitstekende gelegenheid om rechtstreeks met Calvijn zelf kennis te maken en dus niet slechts over hem te lezen. (Uitg. De Banier, 64 blz. f 6,75).
ONZE SPAANSE EDITIE - Uw artikelen hebben mij geholpen om een dieper zicht te krijgen op wat de Bijbel leert. Ik heb ook enkele universiteitsstudenten kunnen interesseren in uw blad. Hierbij ingesloten hun namen en adressen. Cordoba (Argentinië) ds. Rio Segundo
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1986
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
