Geloofsbeproeving
Zijn er gelovigen, die nooit worden aangevallen door twijfels? Misschien, ik weet het niet. Als dat zo is, mogen we hen niet benijden. De Heere is soeverein. Maar verreweg de meeste gelovigen hebben soms (vaak) te lijden onder aanvechtingen. Natuurlijk wil de Heere ons daarmee niet kwellen, maar Hij gebruikt dit lijden om ons verder te leiden naar Zijn liefde, zodat ons lijden loutering wordt en ons dichter bij Hem brengt.
In (bijna) alle levensbeschrijvingen van Nieuw-Testamentische geloofsgetuigen kom je de aanvechting tegen. Theresia van Lisieux beschrijft hoe ze van kindsbeen af is gaan verlangen naar dat wondere land, waar de Heere leeft, de hemel. Maar vanaf pasen, 5 april 1896 of kort daarna, begint voor haar de nacht van het geloof, die tot aan haar dood op 30 sept. 1897 zal voortduren. Dan vreet de twijfel haar ziel stuk: Is er wel zulk een heerlijk land na mijn dood? Ze schrijft:
De nacht van het niets
"Zoals het genie van Christoffel Columbus hem een voorgevoel gaf van het bestaan van een nieuwe wereld, toen niemand daaraan dacht, zo voelde ik dat er een ander land was dat mij eens een blijvende verblijfplaats zou bieden. Maar ineens worden de mistbanken om mij heen dikker; zij dringen binnen in mijn ziel en omgeven haar zo dicht dat ik onmogelijk nog het zo dierbare beeld van mijn vaderland kan terug vinden, alles is verdwenen! Als ik mijn, door die duisternis vermoeide, hart wat rust wil schenken door te denken aan het lichtende land waarnaar ik verlang, dan wordt mijn kwelling verdubbeld. Het lijkt wel of de duisternissen de stem aannemen van de zondaars en spottend tegen mij zeggen: 'Je droomt van het licht, van een vaderland vol heerlijke geuren, je droomt van hei eeuwige bezit van de Schepper van al die wonderen, je denkt op een dag uit de mistbanken te komen die je omgeven. Toe maar, toe maar, verheug je over de dood die je niet geven zat watje hoopt, maar een nog diepere nacht, de nacht van het niets.'
Het beeld dat ik u wilde geven van mijn zieleduisternis, is even gebrekkig als een schets vergeleken met het model. Maar ik wil er niet langer over schrijven, ik zou bang zijn dat ik God ging lasteren…
Ach, moge Jezus het mij vergeven als ik Hem verdriet heb gedaan, maar Hij weet het wel: al geniet ik niet van het geloof toch probeer ik tenminste om naar het geloof te handelen. Ik geloof dat ik sinds een jaar meer akten van geloof heb gesteld (= dwars tegen alle twijfels in, desondanks, zijn geloof innerlijk uitspreken voor de Heere) dan gedurende mijn hele leven. Zo kan ik toch uitroepen ondanks deze beproeving die mij iedere blijdschap ontneemt: 'Heer, U overstelpt mij met vreugde door alles wat U doet' (Ps. 91:5). (Ps. 92:5 SV: "Want Gij hebt mij verblijd. Heere met uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen"). Uit: "Ik geloofde in Gods liefde", uitg. Carmelitana te Gent, p. 248-249.
Haar laatste woorden
De laatste woorden van haar dagboek waren: "Ja, ik voel het, al had ik alle zonden op mijn geweten die je kunt bedrijven, dan zou ik nog met een hart verteerd van berouw mij in de armen van Jezus werpen, want ik weet hoeveel Hij houdt van de verloren zoon die naar Hem terugkeert. Ik verhef mij naar Hem in vertrouwen en liefde" (p. 301).
In haar doodsstrijd zei ze: "Ik heb er geen spijt van dat ik mij heb overgegeven aan de Liefde". Daarna nog eens met nadruk: "O nee, ik heb daar geen spijt van, integendeel!". "Ja, mijn God, alles wat U wilt, maar heb medelijden met mij! Mijn God, heb medelijden met uw arme dochtertje".
En haar laatste worden waren: "Ik houd van Hem". En even later: "Mijn God… ik… houd van U!…". "Haar gezicht krijgt weer het uiterlijk van toen zij nog in goede gezondheid verkeerde. Het lijkt of zij in extase is. Zo kijkt zij een poosje. Daarna doet zij de ogen dicht en sterft" (p. 314-316).
Niet iets vreemds
Ik was erg getroffen en getroost, toen ik las van die nacht van geloofsaanvechtingen van Theresia van Lisieux en ik denk dat dit ook voor sommige lezers het geval zal zijn.
Petrus schrijft: "Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte (der verdrukking) onder u. die u geschiedt tot verzoeking alsof u iets vreemds overkwam" (1 Petr. 4:12). "Verwondert u niet over de brand die in uw midden woedt om u te louteren, alsof u iets ongewoons overkomt" (RKV).
Petrus noemt die beproeving zelfs een oorzaak van blijdschap: "Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, (alzo) verblijdt u, opdat gij ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen" (v. 13).
Inderdaad, op grond van onze roeping tot deelname aan het lijden van Christus zouden we reeds moeten weten: "In de wereld lijdt gij verdrukking" (Joh. 16:33). "Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij" (Lk. 9:23).
Het is dus onjuist wanneer sommigen ons voorspiegelen dat je alleen maar blijdschap wacht, wanneer je Christus volgen wil. Er zijn er zelfs die allerlei welvaart, een mooi huis en een prach tige auto beloven, wanneer je tot geloof in Christus bent gekomen. Dat is een grove misleiding.
En tot de verdrukking die ons te wachten staat, behoort ook de verzoeking die God over ons zendt om ons te louteren.
Eén grote zelfsuggestie?
En het doetje onwillekeurig goed, wanneer je van andere christenen die oprecht de Heere zoeken zoals dat met Theresia van Lisieux het geval was. leest dat ook zij soms lange tijd het zware kruis van de aanvechtingen hebben moeten torsen. Dan realiseer je je op nieuwe wijze dat ons niets vreemds overkomt, wanneer de duisternis ook over ons heentrekt.
Zelf heb ik nooit langer dan twee weken in zulk een volstrekte duisternis moeten verkeren als waarover Theresia schrijft. Ik ben daar erg dankbaar voor, want het moet verschrikkelijk zijn, wanneer zulke sombere dagen zich alsmaardoor achter elkaar voortslepen.
Maar ook ik word geregeld aangevochten door de twijfel die de boze mij toesist: "Is alles niet één grote waan? Is je verwachting van een eeuwig heil niet het produkt van een wensdroom? Is dat land waar God Zelfde zon zal zijn. die stad met zijn straten van goud aan de zee van kristal niet een sprookje? Zul je straks niet wegzinken in het niet zoals de dieren?".
Maar wanneer zulk een twijfel benauwend dicht bij mijn hart komt, is het alsof de Heere Zelf die twijfel met een windvlaag van vreugde wegvaagt. Wanneer ik even die vraag tot mij toelaat, is het alsof Hij meteen tegen mij zegt: "Maar hier ben Ik immers". En dan weet ik het zekerder dan ooit: Straks zal Hij mij voor altijd opnemen in Zijn genadige liefde. Dan zal ik Hem rechtstreeks mogen aanschouwen.
Wél kan ik de Heere soms indringend, bijna als een lastig kind, vragen: "Toon mij nu Uw heerlijkheid" (Ex. 33:18). Want al zie ik de Heere, toch is dat nooit een rechtstreeks aanschouwen. Het is altijd een aanschouwen door het matglas van het geloof. En soms verzucht ik dan: "Heere, neem dat matglas weg. Toon mij Uw aangezicht onversluierd". Maar ik weet ook: "Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien en leven" (Ex. 33:20). "Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen" (2 Kor. 5:7). "M ijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Kor. 12:9).
Ik hoop dat u iets hebt aan wat ik hier neerschreef, dat ook u erdoor getroost wordt, wanneer u te lijden hebt onder aanvechtingen en twijfels. Maar wees verzekerd: "Want ik houd het ervoor dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen (niet opweegt tegen - RKV) de heerlijkheid, die ons zal geopenbaard worden" (Rom. 8:18).
Maar het is wél goed om vanuit de gemeenschap der heiligen geregeld hen die aangevochten worden, te gedenken in onze gebeden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
