Brief aan charismatische priester
Maar ik moet ophouden met dit loflied op Gods genade in Christus, anders wordt mijn brief te lang. Want ik wilde u nog enkele vragen stellen.
De kernvraag stelde ik al in het begin: Zijn wij één in dezelfde Christus, zodat we elkaar op grond daarvan, en niet vanuit een goed bedoelde wederzijdse vriendelijkheid, broeders in Christus kunnen noemen?
Als ik uw brief en uw artikel "De komst van de paus" lees, dan krijg ik de indruk dat u toch nog heel wat van uzelf verwacht, van uw vroomheid, uw goede voornemens, uw levensheiliging.
Als dat zo is, dan kunt u in die mate Christus niet deelachtig worden. Want naar de mate dat u het van de wet, van uw eigen goeie gedrag, verwacht, verwacht u het niet van Christus. Paulus is daar radikaal in: "Is het echter uit genade, dan niel om verdienstelijke werken; anders zou de genade geen genade meer zijn" (Kom. 11:6). En als wij ons opnieuw onder de wet stellen om van de vervulling van de wet het eeuwige leven te verwachten, dan stellen we ons daarmee tegelijk buiten Christus. Dat is zijn hele betoog o.a. in de brief aan de Galaten.
Dan kun je jezelf nog wel een zweverig beeld van Christus voorhouden, maar dat is dan een produkt van je eigen ver-beeld-ing. Dan kniel je neer voor het maaksel van je eigen denken, voor je denk-beeld. Je kunt zulk een eigen gemaakt Christusbeeld dan hullen in de wierookwolken van allerlei eigenwillige vroomheid. Je kunt er misschien voor "wegsmelten in devotie." Maar het is alles schijn, loos. zonder werkelijke inhoud. Het is niet de Christus der Schriften.
Is Christus niet genoeg?
Als U werkelijk de Christus der Schriften kent. hoe kunt U dan nog enige behoefte hebben aan het aanroepen van een ander mens. Maria? U schrijft in uw artikel: "We hebben tot de Moeder van de Kerk gebeden in het stellige vertrouwen dat zij ons zal verhoren."
Nee, dat kan ik niet meemaken. Als ik dat zou proberen, zou ik zeker weten dat ik
Christus daarmee beledigen zou. Hij zou mij verwijtend aankijken: "Herman, ken je Mij nu nog niet? Ik heb je toch de volle diepte van Mijn liefde laten zien. Hoe kun je dan een ander mens aanroepen, ook al is dat Mijn eigen moeder?"
Ik kan dit Christus niet aandoen. Ik weet: "Hij heeft zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?" (Rom. 8:32). Dan kan ik niet tegen God zeggen: "Nee, de gave van Uw Zoon is niet genoeg. Daar is ook voor nodig de voorbede van Maria. En ik vertrouw daar méér op dan wanneer ik mij rechtstreeks tot Uw Zoon zou wenden."
Ik ga dus voorbij aan het feit dat de Schrift mij nergens opwekt tot het aanroepen van Maria als Middelares van alle genade en dat ik mij dus ongehoorzaam en eigenzinnig zou vinden, wanneer ik op grond van redeneringen, helemaal buiten de Schrift om, langs een ander die daartoe niet door God is aangewezen, mij tot Hem wend. nl. via de Middelares van alle genade.
Ik bedoel, dat het voor mij een innerlijke onmogelijkheid is, omdat ik in Christus alles vind.
De Schrift verheerlijkt Christus als de enige Hogepriester, die door één offerande voor altijd hen heeft volmaakt die geheiligd worden (Hebr. 10:14). Op grond daarvan nodigt God ons uit: "Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp" (Hebr. 4:16).
Nogmaals, ik zou het een belediging vinden van Christus en van de hemelse Vader, wanneer ik nu zou zeggen: "Nee, ondanks Uw uitdrukkelijke uitnodiging durf ik nog niet tot U te naderen, tenzij een ander mens tussen U en mij bemiddelt nl. Maria."
De geringsten der Mijnen
U schrijft ook: "Jezus is het die ons land nadert. Hij komt ook door en in de paus Nee, ook dat vind ik in strijd met de Bijbel. In Mat. 25 zegt Christus dat Hij te vinden is in "de geringsten der Mijnen", in hen die honger en dorst lijden, die ziek zijn en in de gevangenis zuchten, de vreemdelingen, over het algemeen: in de armen, verdrukten en vervolgden. De God van de Bijbel is niet de God van de machtigen, maar de Vader van de weduwen en wezen, van de verstotenen, de paria's.
Toen Christus geboren werd in de stal van Bethlehem, nodigde Hij niet de groten der aarde, de kerkleiders van Jeruzalem met hun plechtige gewaden en brede gebedskwasten, uit, maar de eenvoudige herders.
Maria heeft gezongen: "Hij toont de kracht van Zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven en rijken zendt Hij heen met lege handen" (Lk. 1:51-53).
Nee, ik kan niet geloven dat de nederige Christus die op een ezel Jeruzalem binnenreed en niet op een paard, ons tegemoet treedt in de paus met zijn pausmobiel, de paus die als staatshoofd door onze koningin en onze regering wil ontvangen worden. In zulk een figuur herken ik niet de Christus der Schriften met Wie ik in voortdurende geloofs- en liefdesgemeenschap verkeer.
Teleurgesteld
Er zijn nog meer vragen die ik op grond van uw brief en uw artikel zou willen voorleggen, maar ik wil het voorlopig hierbij laten en wacht eerst uw antwoord af.
Wel moet ik zeggen dat ik diep teleurgesteld ben. Ik had nog steeds enige verwachting van de charismatische beweging in de R.-K. Kerk, omdat ik meende dat men zich daar serieus met de Schrift bezig hield; dit in tegenstelling met de conservatieve en vrijzinnige vleugel binnen uw kerk. Uw brief en artikel heeft mij ook die hoop ontnomen.
Intussen met hartelijke groeten,
Herman J. Hegger
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
