In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Zedenmeester of profeet?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zedenmeester of profeet?

10 minuten leestijd

Dhr. Van Middelkoop verweet mij dat ik in mijn publikaties mij uit "als een Oud-Testamentisch profeet." Daar begreep ik werkelijk niets van. In de eerste plaats heeft Mozes immers de verzuchting geslaakt: "Ware het gehele volk des Heeren profeten!" (Numeri 11:29).

En vervolgens: vanaf de pinksterdag is die verzuchting van Mozes in vervulling gegaan. Petrus zei dat de uitingen van de discipelen die leken op een dronkenschap, aldus door Joel voorspeld waren: "En het zal zijn inde laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren."

Hoe kan men dan een Nieuw-Testamentisch christen er een verwijt van maken dat hij in zijn optreden lijkt op een Oud-Testamentisch profeet?"

En wat doen we dan met een tekst als: "Jaagt de liefde na en ijvert naar de geestelijke (gaven), maar meest dat gij moogt profeteren" (1 Kor. 14:1)? En: "Blust de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet" (1 Thess. 5:19-20)?

Het lijkt mij daarom goed het verschil aan te geven tussen de zedemeester en de profeet.

A. DE ZEDEMEESTER

1. De zedemeester spreekt vanuit de wet als een abstrakt stelsel van geboden en verboden, los van de levende God. die die wet gegeven heeft. Daarom kan hij met iedereen die met een of meer onderdelen van die wet akkoord gaat, samen werken, ongeacht de verdere levensbeschouwing van degene met wie hij meent te kunnen samenwerken vóór een ethisch reveil en tegen het bekende rijtje: abortus enz.

2. Een gevolg van de zedemeesterij is de casuïstiek = de leer van de casus, de gevallen. Een voorbeeld: wat mag je op zondag wél en niet? Fietsen, breien, haken, wandelen en zo ja hoe lang, hoe moet je gekleed gaan enz.? Paulus brandmerkt zulk een insteling als een godsdienst van het: "Raak niet en smaak niet en roer niet aan." Tijdens het noviciaat bij de paters redemptoristen dat een jaar duurde, mochten wij bv. niet de planten en bloemen van de tuin aanraken.

3. De zedemeester is hard en zonder hart. Als dorre, wandelende wetboeken steken ze hun muffe neus in het boeiende en bloeiende leven en vertrappen elke bloem en doven elke sprankelende lach.

Christus zegt over deze perkamente figuren met hun zure en zelfvoldane glimlach: "Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij vertient (geeft een tiende van) de munt en de dille en de komijn en gij laat na het zwaarste der wet, (namelijk) het oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten" (Mat. 23:23).

4. Daarom is de zedemeester steeds een huichelaar. Want hij onderkent niet de begeerte van zijn eigen hart. Hij roemt in de uiterlijke, stipte wetsvolbrenging zoals Paulus dat deed vóór zijn bekering. Christus heeft die zedemeesters rond de vrouw die op echtbreuk was betrapt, aldus ontmaskerd: "Wie van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar" (Joh. 8:7).

5. Een andere karaktertrek van de zedemeester is het hoogmoedig neerzien op de anderen. Christus heeft dat getekend in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lk. 18:9-14).

B. DE PROFEET

1. De inhoud van de profetie is "het oordeel en de barmhartigheid en het geloof' (Mat. 23:23).

a. Het oordeel. "Ik heb gedacht, o Heere, aan Uw oordelen van ouds her en heb mij getroost" (ps. 119:52).

Dat kon die psalmist zingen, omdat hij als profeet de wet Gods zag als een uitstraling van de Eeuwige Zelf, de glans van Diens gerechtigheid en heiligheid en liefde. Hij zag al die geboden en verboden als vervuld van Gods heerlijkheid. Vandaar dan ook die lange psalm 119 die één grote lofzang is op de schoonheid en verhevenheid van Gods wet.

"Ik heb gedacht aan Uw oordelen." De profeet leeft zich helemaal in in die oordelen Gods. Allereerst over zijn eigen leven. Hij erkent en belijdt met zijn hart dat hij het oordeel Gods, het oordeel van de eeuwige verwerping, ten volle verdiend heeft. Hij staat aan Gods kant als de Rechter die hem móet vonnissen.

Maar hij weet en gelooft eveneens dat "de barmhartigheid roemt tegen het oordeel" (Jak. 2:13). Daarom kan hij zo vol dankbaarheid rusten inde vergeving der zonden, rusten in de barmhartige liefde van de hemelse Vader.

Daarom durft hij ook, ondanks de zondigheid die hem blijft aankleven, anderen het oordeel aanzeggen, want ook die oordeelsaanzegging aan de anderen zal hij nooit losmaken van de barmhartigheid Gods.

De profeet weet zich één met God door het geloof. Hij kent de gloed van de verontwaardiging Gods. De ijver voor Gods huis verteert hem. Profeten wagen zichzelf, wagen hun leven, omdat ze opbranden van liefde voor Gods Naam. Hij ziet al die goddeloosheid en zedeloosheid van Nederland en van de hele wereld en hij beaamt ten volle: God is volkomen in Zijn recht, wanneer Hij die hele mensheid vervloekt en verdoemt.

In al de rampen van de natuur, in het vastlopen van het mensdom onder de milieuvervuiling en de dreiging van de atoomvernietiging, hoort hij het grommen van Gods toorn: De mensen zullen het wel merken dat ze zichzelf naardeafgrond helpen, wanneer ze aldus Mijn wet met voeten treden. Hij is mee-vertoornd met God.

b. De barmhartigheid. De profeet leeft in de paradox van de barmhartigheid, die roemt tegen het oordeel. Deze pijnlijke en tegelijk zoete spanning doortrekt hem helemaal. "Heere, toen ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd… Gedenk in de toorn aan het ontfermen" (Hab. 3:2). "Wie zal voor Zijn gramschap staan en wie zal voor de hittigheid van Zijn toorn bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur en de rotsstenen worden door Hem vermorzeld. De Heere is goed. Hij is tot sterkte in de dag der benauwdheid en Hij kent hen die op Hem bouwen"(Nahum 1:6-7).

De profeet gaat gebukt onder de dreigende oordelen Gods. Hij draagt ze als een last met zich mee. Hij beluistert de droefheid van Gods Vaderhart door Zijn toornen heen. Hij weet dat de Heere geen plezier heeft in het verdelgen van de goddeloze, "maar daarin (heb Ik lust) dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft." En daarom klinkt die toornende smeekbede van God: "Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?" (Ez. 33:11). "God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2:3^4).

c. Het geloof. Van Gods kant predikt de wet naar ons toe: het oordeel en de barmhartigheid.

Maar diezelfde wet roept ons tegelijk op tot het geloof in dat oordeel en in die barmhartigheid van God. Volgens de wet zelf is ongeloof de ergste, de eigenlijke zonde.

De ongelovige vertrouwt op zijn eigen goede werken, ook al heeft die ongelovige zichzelf gesierd met de naam 'christen.'

Hij beledigt God uitermate doordat hij meent zijn van zelfzucht stinkende, vieze 'goede' werken aan de heilige God te kunnen aanbieden en dat hij daarmee zelfs verdient om voor eeuwig bij God te worden toegelaten, om in Diens onmiddellijke nabijheid te mogen vertoeven.

Daarom wil de profeet, net als Paulus, het er bij ons inhameren dat we alleen door geloof gerechtvaardigd worden. Als Jesaja roept hij het ons toe: "En daarom zal de Heere wachten, opdat Hij u genadig zij en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme. want de Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten" (30:18).

2. De bron van de profetie

Dat is allereerst het in ootmoed leven voor Gods aangezicht. "Doorzoek uzelf nauw, ja doorzoek nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt (gij losgeslagen volk. RKV). Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van de toorn des Heeren over u nog niet komt. (Voordat gij wordt weggeworpen als kaf dat op één dag verstuift, voordat op u neerkomt de gloeiende toorn van de Heere. RKV). Zoekt de Heere, alle gij zachtmoedigendes lands, die Zijn recht werken. Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in de dag van de toorn des Heeren. (Dan vindt gij misschien een schuilplaats op de dag van de toorn van de Heere. RKV)" (Zefanja 2:1-3).

Een tweede bron van de profetie is het beven voor Gods Woord. "Op deze zal Ik zien. op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft" (Jes. 66:2). De profeet huivert voor de heilige God. die Zich in Zijn volstrekte, blinkende zuiverheid in de Schrift openbaart.

De zekerheid van de vergeving van zijn zonden. Dat is nodig, want anders zou hij het voor het aanschijn van de God van de onverbiddelijke gerechtigheid niet uithouden. Hij moet met alle vrijmoedigheid tot de troon van de genade durven naderen (Hebr. 4:16) om daar Gods stem te vernemen.

Christus openbaart de geheimenissen Gods aan Zijn vrienden: "Maar Ik heb u vrienden genoemd, want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, (dat) heb Ik u bekend gemaakt" (Joh. 15:15).

"Gewis, de Heere Heere zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard heeft" (Amos 3:7).

De profeet moet zich solidair in de schuld weten. "Wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddeloos gehandeld en gerebelleerd door af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten. En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken…" (Dan. 9:5-6). "Wij", niet "zij."

De profeet zal de beschuldigende vinger steeds ook naar zichzelf laten wijzen. Anders is hij niet waarheidsgetrouw en slechts een farizeeër, die zichzelf verheft door eigen zonden niet te willen zien en slechts de afdwalingen van de anderen te hekelen.

Hij moet zich helemaal afhankelijk van de Heilige Geest weten. Anders rammelt hij alleen met wat Bijbelteksten of tovert ons een toekomstschema voor de ogen op grond van teksten, die hij als een computer naar zijn believen gerangschikt heeft.

Alleen het levende Woord bevat de profetie. En dat Woord wordt voor ons alleen toegankelijk gemaakt door de Heilige Geest. Zonder de Geest verstaan we er de eigenlijke, de levende, de goddelijke bedoeling niet van.

Dat betekent dus dat hij voortdurend moet leven in de gebedshouding. "Ga heen. mijn volk, ga in uw binnenste kamers en sluit uw deuren achter u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overgaat" (Jes. 26:20).

PROFETEN EN ZEDEMEESTERS ZIJN GEHAAT

… maar om verschillende redenen.

De zedemeester is gehaat, omdat hij de wet verkondigt als een kille codex. Dat is vaak de grote vergissing in menig huwelijk. Men wil elkaar voortdurend de les lezen. Maar op den duur is het ondragelijk, wanneer je altijd met een perkamenten wetboek naar bed moet, wanneer je steeds in hetzelfde huis verkeert met iemand, die rondloopt met de opgeheven, veroordelende vinger. Dat doodt de liefde.

De profeet is gehaat, omdat hij de mens leidt naar de levende God en hem stelt voor de laatste beslissing. De haat die in hem naar boven komt, omdat hij God afwijst, draagt hij dan over op de profeet. Maar "zalig zijt gij, als u (de mensen) smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u… want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u (geweest) zijn" (Mat. 5:12).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Zedenmeester of profeet?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's