Anno Domini 1000-2000
Dit boek van dr. F. de Graaf, ondertitel: "De duizend jaren bij de gratie van de dode god" (uitg. Kok-Kampen, 472 blz. f 69,65), bevat vele diepe gedachten. De schrijver heeft een zeer oorspronkelijke kijk op de geschiedenis van het westen.
Volgens de Graaf had slechts Israël een direkte relatie tot de Schepper. De andere volken en kuituren konden de relatie met God slechts onderhouden door tussenwezens, die daartoe door God zelf waren aangesteld. Zou God dat niet hebben gedaan, dan zou de schepping geheel door de zonde vernietigd worden. Het toebeschikken van deze engelenwezens als middelaars tussen God en de volken "is een lankmoedige bewaring van Godswege" (p. 41).
De Graaf baseert zich daarbij o.a. op Deut. 4:19, verder op ps. 82 waar die tussenwezens "goden" worden genoemd en op Daniël 10, waar zij "vorsten" worden genoemd. Hij aanvaardt dus niet de traditionele exegese van ps. 82 nl. dat met de goden in ps. 82 de rechters van Israël zouden zijn bedoeld.
Volgens de Graaf had God ook aan de westerse wereld en haar cultuur een god, een engelenwezen, geschonken als bemiddelaar. De opkomst, de bloei, het verval, ja zelfs het vergaan van een cultuur, dus ook van de westerse christenheid, hangen samen met dit engelenwezen (p. 44).
In de uitzonderlijke situatie van de ballingschap ontving ook Israël een engel als tussenwezen een "vorst" nl. Michaël. Maar "Michaël betekent letterlijk: Wie is als God? Dat wil dus zeggen: De naam Michaël sluit in beginsel uit dat hij door zijn Volk, waarvoor hij als vorst optreedt, als god vereerd kan worden. De andere 'vorsten' daarentegen werden op den duur meestal wel als god vereerd in hun cultuur" (p. 45^16).
Constantijn wendde zich tot de god van de christenheid
Ook in de Christeli jke Gemeente ontstaat verkilling. "De verharding van het hart ontstaat doordat de onmiddellijke relatie met God die doorde Heilige Geest was gewekt, minder innig werd. Daarom werd die relatie steeds minder indirekt. Het gevolg is dat ook voor de Christelijke Gemeente, uit de heidenen afkomstig, tussenwezens of engelenmachten gaan optreden, die bemiddelen tussen God en de Gemeente" (p. 48).
En wat is gebeurd bij de 'bekering' van Constantijn? "De Keizer zag dat het Rijk de prooi van de demonen zou worden. De ondergang scheen nabij. Was er redding? Bestond er een macht, die sterker was dan de demonie? De oude goden misten die kracht. Toen heeft Constantijn in het benarde uur hulp gezocht bij de 'god der christenen', de hoeder van de machtige eenheid der Kerk. Deze god kon de dreigende vernietiging van het Rijk afwenden. Vanaf dat ogenblik is de eenheid der Kerk en de eenheid van het Romeinse Rijk dezelfde" (p. 58).
Incarnatie van de god van het westen
De Graaf is van mening dat in ps. 82 God aan de 'goden' (= tussenwezens, engelenmachten) het oordeel aankondigt nl. dat zij als mensen zullen sterven, wanneer zij de barmhartigheid niet betrachten: "Doet recht aan de arme en de wees; rechtvaardigt de verdrukte en de arme."
Hij laat dan zien dat in de tiende eeuw de barmhartigheid inde westerse christenheid steeds meer met voeten wordt getreden. Wat gebeurt er dan? "Het is duidelijk: de laatste en grootste poging, die de god van het Avondland aanwendde om het oordeel over zich en de Christenheid af te wenden, moest in keizer Otto 111. die de vleesgeworden eenheid van de christelijke cultuur was, gedaan worden. Otto I en II waren instrumenten van de god. Was Otto III meer dan instrument? De tekenen wijzen in die richting. Zou het niet mogelijk zijn dat de god van het Avondland, de schutsengel derchristenheid, inde kleine tijd die nog open was om het oordeel af te wenden, zelf op aarde verscheen in een incarnatie? De feiten uit het leven van Otto III geven aanleiding tot die veronderstelling. Duidelijk is dat hij door de god in bezit is genomen. Zijn hoog zedelijk leven, zijn geniale daden reeds op zeer jeugdige leeftijd, zijn hoog roepingsbesef, zijn afzondering in het leven, ze wijzen alle in deze richting" (p. 67).
"Als het Hoofd van de oecumene wil hij boete doen voor de ongerechtigheid van de christenheid. Otto bedrijft de uiterste ascese tot de geselingen toe" (p. 69). Maar het grote keerpunt in het leven van Otto III is, wanneer hij de Romeinse opstandeling Crescentius op dringend verzoek van paus Gregorius V laat terechtstellen.
"In de toestemming tot de executie staakt Otto iedere poging om de Christenheid tot bekering te brengen. De laatste mogelijkheid van bekering die het oordeel van het jaar 1000 kan afwenden, is nu voorbijgegaan, als de Christenheid bij monde van de paus de barmhartigheid weigert" (p. 70).
Plaatsvervangend offer
Otto III "trekt zich echter niet terug van zijn onbekeerlijke cultuur, maar offert zich plaatsvervangend voor haar, opdat het oordeel over haar zou worden uitgesteld" (p. 77).
Paus Silvester II moet dat offer voltrekken. Hij heeft dat gedaan doordat hij de grondslagen legde van het moderne abstracte denken, "dat de schepping reduceert met behulp van de voorstelling tot handelbaar en beheersbaar object" (p. 84).
Ik moet hier ophouden. Ik meen echter dat ik aldus heel kortdegrondbedoeling van het boek heb weergegeven.
De konklusies die dr. de Graaf uit zijn hypothese trekt, zijn echter bijzonder vreemd, bijv.: "Van de offerdaad door de opperpriester Silvester begaan hangt het voortbestaan van het Avondland af. Daarom moet die offerdaad steeds herhaald worden. Dit geschiedt in het misoffer. Van de herhaling van het misoffer hangt daarom het voortbestaan van het Avondland af' (p. 85).
Vertekeningen van de thomistische leer
De Graaf komt ook tot verklaringen van de r.-k. theologie waarin geen enkele r.k. theoloog zichzelf zal herkennen.
"Niet Jezus wordt in de transsubstantie direct opgeroepen, maar de geofferde god van het Avondland. Slechts indirect verwijst de transsubstantiatie naar het offer van Golgotha inzoverre als de dood van de god van het Avondland navolging is van het sterven van Jezus" (p. 99).
Ook wat hij schrijft over het begrip "substantia" is geheel en al in strijd met de leer van Thomas van Aquino en van Aristoteles. Ik kan daar in ons blad niet verder op ingaan. Men leze bv. "Elementa Philosophiae Aristelico-Thomisticae, I, p. 142-145 van Dr. J. Gredt.
Volkomen onjuist geeft hij ook de scholastieke leer over de natuur en de bovennatuur weer, wanneer hij schrijft: "De verlaten wereld wordt dan Natuur genoemd, het transcendente gebied waarin de god zich heeft teruggetrokken, de Bovennatuur" (p. 125). Zie ook p. 140, waaruit blijkt dat hij de leer van Thomas: "De genade vernietigt niet, maar onderstelt en voltooit de Natuur" niet begrepen heeft.
Ik ben eenzelfde vertekening van de thomistische filosofie en theologie ook tegengekomen in het boek van dr. Ouweneel: "Het domein van de slang." Heus, die filosofie was zeer diep. Ze vergde een hoogste vorm van abstrakt denken. En wanneer je er slechts oppervlakkig van hebt kennis genomen en ze dus niet begrepen hebt, is het maar beter om je er niet over uit te laten. Anders verval je onvermijdelijk in zulke simplificaties dat je tot een grove vertekening komt van de leer van een ander; en die kun je dan gemakkelijk bestrijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
