Ronselen voor en ranselen naar de biechtstoel
Nu deze paus en de bisschoppen van Nederland de vroegere biechtpraktijk weer willen invoeren, heb ik nog eens nageslagen "Biechthoren" van prof. dr. J. Salsmans, Jezuïet, voorzien van het kerkelijk Imprimatur van het bisdom van Mechelen (België) van 17 dec. 1932, dus in de tijd dat ik deze stof zelf moest bestuderen en erover geëxamineerd werd in het groot-seminarie van de paters redemptoristen van Wittem.
Ik vroeg mij af: Wat moet ik uit dit boek citeren? Van de ene kant schrik ik ervoor terug om dat ongezonde gewroet in de sexualiteit van deze ongehuwde priester over te nemen in ons blad. Maar van de andere kant meen ik dat ik dit toch moet doen, opdat heel Nederland wakker worde geschud, ledereen, met name een rooms-katholiek. moet weten waar de paus-knechten Simonis, Gijsen, Ter Schure e.a. op aansturen.
Blijkbaar vindt Salsmans sommige vragen en adviezen al te cru voor de Nederlandse taal. Dan gaat hij over in het Latijn. Een voorbeeld:
Een plasje doen en de rozenkrans vasthouden
Vanaf p. 47 tot p. 95 handelt Salsmans over wat er omtrent het zevende (r.-k. zesde) gebod gebiecht moet worden. De biechtvader moet niet alleen allerlei vragen stellen omtrent de aard van de bedreven zonden op dat gebied, maar ook de nodige raad geven. Vandaar:
"Tot goed aangepaste raadgeving vrage de biechtvader op welk ogenblik van de dag de bekoring (protestants: verzoeking) doorgaans opkomt.
Er zijn er die moeite hebben om 's avonds in slaap te geraken of 's nachts lang wakker liggen."
In een voetnoot wordt dan in het Latijn eraan toegevoegd: "Het is zeer af te raden (vanwege het gevaar van sexuele verzoeking) om op de buik te slapen. Het bed moet niet te warm en zacht zijn. Wanneer de sexuele bekoring erg sterk wordt, is het aan te raden om op te staan en om te proberen een plas te doen (conatus fit ad mingendum)."
Verdere raadgeving aan jongens en meisjes, die niet gauw de slaap kunnen vatten, zijn: "Dat ze na behoorlijke afmatting en met slaaplust, na een vurig avondgebed, na zich rap en zedig ontkleed te hebben, zo stil mogelijk liggen, de minste zinnelijke gedachte laten wegzinken, hun geest zetten op onverschillige dingen of zachtjes bidden, wellicht het kruisje van hun rozenkrans met beide handen vasthouden" (p. 62-63).
Voorschriften omtrent het nemen van een bad
"Komt de bekoring op bij handelingen, noodzakelijk voor de gezondheid of zindelijkheid, bv. het baden, dan behoort de jongeling (daarmee bedoelt de schrijver blijkens een inleiding zowel jongens als meisjes) zich te wapenen met een goed kruisteken, zonder angst doch zeer vlug (cursivering van de schrijver) en met behoorlijke zedigheid doen wat te doen is, en zijn blikken en zijn aandacht zo goed mogelijk op iets anders vestigen" (p. 64).
Het lijkt mij vrij duidelijk dat de schrijver hiermee zijn eigen celibataire frustraties ten toon spreidt. Dat is zijn zaak. Maar bedroevend is het, dat hij die wil overdragen op normale mensen en zelfs op kinderen.
Vragen aan kinderen
Uitvoerig gaat Salsmans in op de vragen, die de biechtvader moet (mag) stellen aan de biechtelingen.
Eerst handelt hij over de kinderen. Daaronder verstaat hij hen die nog niet de puberteitsleeftijd hebben bereikt.
"Het is best ze te vragen: 'Zijt ge met slechte kinderen geweest?' Antwoorden ze: 'ja', dan vrage men: 'Hebt ge dan slechte praat, vuile klap, gesproken?' Zeggen ze nogmaals 'ja', dan mag de priester ingrijpen: 'Dus die vuile manieren, die slechte werken, waren met die makkers?'
Daarop kan hij veronderstellen dat het ging over oneerbare aanrakingen en spelen: 'En ge hebt gemeend aldus grote zonde te doen?'
Na het getal enigszins te hebben bepaald, zorge de priester ervoor dat ze niet meer met die makkers gaan: 'Hadden uw ouders (meesters) u niet verboden met die jongens te gaan? Nu zult ge dat niet meer doen, nietwaar?'
Daarna kan de priester vragen: 'Hebt ge ook alleen tegen de zuiverheid misdaan … door slechte aanrakingen?' " (p. 53-54).
Salsmans zegt dat je niet meteen moet zeggen dat die 'onkuise handelingen' doodzonde zijn en dat ze daardoor de hel verdienen. "Slechts als enkel door vrees voor grote zonde die kleine zondaar schijnt te kunnen worden gered of als hij duidelijk over de zwaarwichtigheid ondervraagt, zal de priester vlakaf van doodzonde spreken." (p. 55).
Je afdrogen zonder te veel te wrijven
De algemene vragen die de biechtvader moet stellen, luiden: "Hebt ge alleen onkuisheid gedaan of met anderen?" Als het antwoord luidt: 'met anderen', dan moet gevraagd worden: 'met iemand van hetzelfde of van het andere geslacht?' (p. 49). Daarna volgen nog verschillende vragen, die ik echter liever niet in 1RS publiceer. Bovendien worden die in het boek weer in het Latijn gesteld; blijkbaar omdat men er bang voor is dat iedereen in gewoon Nederlands zwart op wit kan lezen welke, volgens mij onbeschaamde, vragen een priester stelt in dat donkere biechthokje.
Wanneer jongens en meisjes in de puberteitsjaren biechten dat ze slechte handelingen verricht hebben, moet de biechtvader "suggereren dat het gaat over vrij willige aanrakingen op oneerbare lichaamsdelen, aanrakingen die bepaald nutteloos zijn en slechts uit zekere drift geschieden; desnoods voege men er bij dat ze wél met een goede bedoeling, eenvoudig, zedig en vlug doen moeten wat voor de zindelijkheid nodig is en zich bv. afdrogen na het bad, zonderal teveel wrijven of zichzelf opzettelijk te bekijken of met zinnelijke voorstellingen bezig te zijn." Salsmans wijst er daarna in het Latijn op dat meisjes wanneer ze niet zijn voorgelicht, soms angsten hebben gekregen na hun eerste menstruatie. Dan moet de biechtvader haar geruststellen en naar moeder verwijzen.
Benen van elkaar en borst vooruit
"Het is aanbevelenswaardig niet te lang in zittende houding te blijven." In een voetnoot wordt eraan toegevoegd: "Het is voordelig de benen wijd van elkaar te zetten en de borst vooruit, om de drukking in het onderlijf te verminderen." "Bij een bekoring werpe de student een oogslag op zijn kruisbeeld, op het prentje van het Heilig Hart of van Onze Lieve Vrouw, op moeders portret, op een geschreven of gedrukt wachtwoord ter opbeuring, die voortdurend onder zijn ogen behoren te zijn."
In de voetnoot: "Soms is ook een lichte lichamelijke pijn of boetedoening nuttig om de prikkelende drift af te wenden."
Praat de prikkeling weg bij een priester
"Gaat de prikkeling niet over, dan blijve hij niet alleen, doch zoeke uiterlijke afleiding, bv. even uitgaan, gaan spreken of studeren met een makker of zelfs, als dat kan, zijn zieleleider opzoeken: deze verricht uitstekend liefdewerk door voortdurend vrije toegang tot zich te verlenen: is het niet veel beter een ongeluk te voorkomen dan het te moeten herstellen? Soms houdt de bekoring op, juist door haar aan een priester bekend te maken: deze prijze dan de jongeling, omdat hij zich flink weert; hij spreke moed in, suggerere krachtig dat het nu goed zal gaan, dat het er slechts op aankomt enige tijd vol te houden en geve bij het afscheid zijn beste priesterlijke zegen" (p. 65).
Onze vraag: 1. Worden de jongens en meisjes op deze manier niet volkomen afhankelijk van de priester gemaakt? 2. Wordt op deze manier niet het vuur van de begeerte aangeblazen bij een priester, die levenslang verplicht is ongehuwd te blijven? 3. Hoe moet die priester dat verwerken, wanneer een meisje aldus bij hem komt om door het gesprek met hem bevrijd te worden van haar sexuele verlangens, waardoor ze op dat moment in brand staat? Of, als die priester homosexuele neigingen heeft, en een jongen komt hem zeggen dat "de prikkeling maar niet over gaat?"
Als middelen om de zonde tegen het zevende (zesde) gebod te voorkomen raadt Salsmans aan: 1. méér godsdienstigheid; 2. méér wilskracht; 3. fysieke middelen zoals zindelijkheid, vooral op de 'gevaarlijke' plekken. Die moeten bewerkt worden met niet te warm water en zonder wrijvingen. (Dit laatste staat dan weerwaarom? - in het Latijn). "De kleren mogen niet te warm zijn of te nauw spannend of wrijvend" (p. 73).
Ook intieme gedachten moeten gebiecht worden
Volgens Salsmans is een slechte gedachte doodzonde (met als straf de eeuwige hel), "indien de voorstelling onkuis en niet enkel zinnelijk of lichtzinnig is en men er helemaal wetens en willens inwendig genoegen in schept."
Deze 'slechte gedachten' moeten dus ook aan de priester gebiecht worden door mannen en jongens, vrouwen en meisjes. Weigert men dat, dan wacht hen slechts het onuitblusbare vuur van de eeuwige hel.
Voor het onderscheid tussen 'onkuis' en 'zinnelijk' verwijst Salsmans naar een artikel van hem in "Verbum", Den Haag, 1930, blz. 105.
Wat mag (niet) in de verkeringstijd?
Dan komen er nog veel aanwijzingen wat jongens en meisjes in de verkeringstijd met elkaar wel en niet mogen. Een voorbeeld:
"Ontwikkelde nupturientes (= die van plan zijn te trouwen) vragen soms of zij reeds denken mogen aan hun toekomstig huwelijksleven. Wat de zedeleer daarop antwoordt, kan wellicht op de volgende wijze begrijpelijk gemaakt worden: Eenvoudig later het huwelijksleven willen leiden is natuurlijk geen zonde, vermits dat u dan zal toegelaten zijn en ge moogt wensen te trouwen. Maar nú daarover denken met vrijwillig genoegen in gevoel en verbeelding mag niet, omdat ge aldus zonder voorbehoud behagen zoudt scheppen in iets dat tot nog toe verboden vrucht is. Daar echter dit onderscheid zeer fijn is, houdt u voorzichtigheidshalve geenszins met zulke gedachten en dromerijen vrijwillig bezig."
Verdere adviezen en voorschriften
"De biechtvader spore de trouwlustigen aan zich aan een grondig geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Het is te wensen dat het gebruik van malkander in alle oprechtheid een medisch getuigschrift voor te leggen in de gezinnen ingeburgerd worde: zo voorkomt men soms groot onheil en gebeurlijk bedrog" (p. 82). Op p. 84-94 krijgen de biechtvaders te horen wat ze vragen en zeggen moeten aan gehuwde biechtelingen. Tot mijn verbazing las ik dat volgens Salsmans "het niet van dagelijkse zonde kan worden vrijgepleit, wanneer gehuwden uitsluitend op de dagen dat er geen bevruchting mogelijk is, samenkomen, als het geschiedt zonder einige goede reden" (p. 92). Op grond daarvan kon de pastoor vroeger aan gehuwden de vraag stellen waarom er al enige tijd geen kindertjes meer waren gekomen in dat gezin.
KOMMENTAAR:
1. Hoe kan men toch denken dat Christus op grond van één tekst nl. Joh. 20:23 aan gehuwde mannen de opdracht zou hebben gegeven om aldus hun neus te steken in het sexuele leven van mannen en jongens, vrouwen en meisjes?
2. Vooral de bisschoppen Simonis, Gijsen en Ter Schure willen deze biecht praktijk, ook voor de kinderen, weer invoeren. Het is begrijpelijk dat in Gulpen door de ouders verzet is aangetekend tegen deken Hafmans, die begonnen is de kinderen naar de biechtstoel te lokken of er onder de bedreiging van de hel weer naar toe te slepen.
3. Wat blijft er van "de vrijheid der kinderen Gods' die Christus voor de Zijnen verworven heeft met de prijs van Zijn bloed over, wanneer Zijn kerk ons leven tot in de kleinste details zou mogen regelen op straffe van hel en vagevuur en ons zelfs zou mogen voorschrijven, hoe we in bed moeten liggen en hoe we een bad moeten nemen en hoe we ons moeten kleden.
4. Christus heeft Zich fel gekeerd tegen de Farizeeën en wetgeleerden van Zijn tijd. die minutieuze voorschriften aan Gods geboden wilden toevoegen om ze als een last aan de mensen op te leggen. Paulus stelt de vraag: "Als gij door uw sterven met Christus bevrijd zijt van de machten van de kosmos, waarom laat gij u dan verordeningen opleggen, louter menselijke voorschriften en leringen, als zoudt gij nog in die wereld leven? Raak niet aan. proef niet, blijf eraf!" (Kol. 2:20-21). Maar de casuïstiek (= leer van de casus, de gevallen) van de R.-K. Kerk is nog veel petieteriger en alomvattender dan die van de Farizeeën en Wetgeleerden van destijds.
5. Ik heb vroeger dapper meegedaan aan die walgelijke biechtpraktijk. Ik hoop dat protestanten enigszins kunnen begrijpen dat ik mij er thans met grote verontwaardiging tegen verzet, nu ik zie dat door deze paus en door de nieuwe bisschoppen van Nederland op listige manier geprobeerd wordt dit alles weer ingevoerd te krijgen. Want de vastenbrief van mgr. Simonis lijkt heel lief en aardig. Hij dreigt niet direkt met de eeuwige hel, maar hij zegt wel nadrukkelijk dat de biecht van de ernstige zonden (hij vermijdt de vroegere term "doodzonden") noodzakelijk is voor het verkrijgen van het eeuwige heil. Maar in feite is dat precies hetzelfde als wat vroeger geleerd werd.
Toen de Galaten door de dwaalleraars in verwarring waren gebracht, omdat die leerden dat de Galaten ondanks hun geloof in Christus toch nog door hun wetjes en uitpluizerijen gebonden zouden zijn, is hij met grote kracht daartegen opgetreden. Hij brandmerkt ze dan als "de binnengedrongen valse broeders, die waren binnen geslopen om onze vrijheid te bespieden die wij hebben in Christus Jezus, met het doel ons in slavernij te brengen. Maar wij zijn geen moment voor hun druk geweken, opdat de waarheid van het evangelie voor u behouden zou blijven" (Gal. 2:4-5).
Zo noem ik de heren Wojtvla. Simonis, Gijsen, Ter Schure enz. met alle beslistheid "valse broeders." Ik heb zelfs moeite om hen nog 'broeders' te noemen, omdat zij net als de dwaalleraars van de Galaten een ander evangelie verkondigen. Maar Paulus bedoelde natuurlijk: mensen die zich onder het mom van 'broeders' aan de Galaten hadden gepresenteerd, maar het waren wolven in schaapskleren. Dat zijn ook deze paus en zijn zetbazen, de nieuwe bisschoppen van Nederland.
De dwaalleraren van de Galatenbrief wilden aan de christenen uit de heidenen de besnijdenis en via de besnijdenis allerlei andere Farizese inperkingen van de vrijheid opleggen. De paus en de bisschoppen willen de christenen naar de biecht sleuren om door middel daarvan hen totaal te knechten en tot onmondige slaven te maken. En hun beider doel? "Zij willen wel dat gij u laat besnijden, om zich daarop te kunnen beroemen" (Gal. 6:13). En dan laat Paulus erop volgen: "Mij moge God ervoor bewaren op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heere Jezus Christus."
En met Paulus roep ik de rooms-katholieken toe: "Voor die vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen" (Gal. 5:1).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
