Argumenten van mgr. Simonis en ons antwoord
Het ergste vind ik dat mgr. Simonis de prachtige gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:12 tot slot) als argument aanvoert. Hij schrijft: "Zoals de omarming van de verloren zoon door zijn vader in Jezus' liefdevolle handoplegging en vergevende woorden zichtbaar en tastbaar worden, zo wil Hij dat Gods vergeving zich sacramenteel voortzet in het daadwerkelijke teken van de
Juist die gelijkenis weerspreekt helemaal de kwelling van de biecht, die mgr. Simonis opnieuw als een wet aan de mensen wil opleggen.
In de eerste plaats is uit die gelijkenis duidelijk dat die vader - en volgens Jezus is dat Zijn hemelse Vader - alleen maar blij is dat die verloren zoon is teruggekeerd en zijn schuld voor Hem heeft uitgesproken. God verlangt niets anders, geen aparte boetedoening. De vergeving komt als een overweldigend geschenk van de Vader over de verloren zoon.
En vervolgens is het helemaal in strijd met de grondgedachte van die gelijkenis, wanneer die vader van zijn zoon zou eisen dat hij eerst aan een ander, bv. aan de buurman of aan de Joodse priester van dat dorp, zijn voorbije zondige leven zou belijden en dat hij anders zijn zoon niet in genade zou willen aannemen.
Hoe kan Simonis de heilige, liefdevolle bedoelingen die Christus in die gelijkenis tot uitdrukking heeft gebracht, zo grondig vertekenen! Eens zal hij daarvoor verantwoording moeten afleggen, wanneer hij voor Christus zal verschijnen.
En wanneer heeft Jezus ooit door handoplegging kenbaar gemaakt dat iemands zonden zijn vergeven? Toen Hij tot de verlamde in Mrk. 2:1 e.v. zei: "Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven", gebeurde dat zonder handoplegging.
Het woord, niet het sakrament der verzoening
Simonis meent zich ook te mogen beroepen op 2 Kor. 5:19: "Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd." RKVert.: "Ja, God was het die in Christus (dus niet in de r.-k. priesters. HJH) de wereld met Zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap (niet het sakrament. HJH) van de verzoening mee."
Jezus beschuldigt de Joodse leidslieden aldus: "Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; gijzelf zijt niet ingegaan en die ingingen, hebt gij verhinderd" (Lk. 11:52).
De ingang tot Gods Koninkrijk is het eenvoudige geloof in Jezus Christus. Mgr. Simonis ontkent, net als de wetgeleerden uit de dagen van Jezus, dat dit geloof ons de toegang van Gods genade geeft en hij probeert anderen die door die deur, die door Christus Zelf is aangewezen, het Koninkrijk Gods willen binnengaan. tegen te houden, doordat hij ze verwijst naar de biechtstoel. Christus heeft gezegd: "Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47). Nee, zegt mgr. Simonis mede in opdracht van de paus, slechts wie voor mij of vooreen van mijn priesters zijn zonden op sexueel gebied belijdt, krijgt het eeuwige leven. Geloof in Christus is niet genoeg. Aldus hebben de pausen besloten en wij met hen.
Is mgr. Simonis bijzonder heilig?
Mgr. Simonis schrijft: "De zondejuist in haar diepste ernst-dus in de zin vaneen echte verbroken relatie met God - kan alleen maar door de gewijde bedienaar worden vergeven."
Maar in het N.T. zijn van de ene kant alle gelovigen op eenzelfde manier aan de Heere toegewijd, d.i. heilig, afgezonderd voor God. Daarom schrijft Paulus steeds tot alle gemeenteleden als 'heiligen' b.v.: "Allen die te Rome zijn, geliefden Gods en geroepen heiligen" (Rom. 1:7). "Aan de gemeente Gods die te Corinthe is, de geheiligden in Christus Jezus" (1 Kor. 1:2). "Aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn" (Fil. 1:1). Enzovoort.
Waar haalt Simonis dan het recht vandaan om zichzelf op een bijzondere manier gewijd en heilig te beschouwen, terwijl de Schrift hem daar geen enkele grond voor geeft? Is dat geen aanmatiging en eigenwillige zelfverheffing?
Christus werd priester zonder ceremonies
In de tweede plaats laat de brief aan de Hebreeën duidelijk zien dat er met Christus een heel ander priesterschap is aangevangen. De Aäronitische priesters moesten inderdaad gewijd worden. Vooral ook de wijding van iemand tot hogepriester gebeurde door veel ceremoniën.
Maar de brief aan de Hebreeën voegt er dan ook aan toe, dat die priesters niet de vergeving der zonden konden brengen. Ze konden alleen maar de rituele onreinheid die door bepaalde handelingen over iemand was gekomen, wegnemen. De offers van de Aäronitische priesters konden "de inwendige volkomenheid niet geven" (9:9). Zij konden "de verontreinigden" slechts "heiligen zodat zij wettelijk rein worden" (9:13). Maar "door de eeuwige Geest heeft Hij Zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer dat onze zielen zuivert van dode werken om de levende God te eren" (9:14). "Het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen" (10:4; alles R K vert.).
Priester naar de orde van Melkizédek
Christus is echter niet uit de stam van Aäron, maar van Juda. Zijn priesterschap is van een andere orde nl. van de orde van Melkizédek. Hij is priester in eeuwigheid geworden, niet krachtens een ceremonie of een rituele wijding, maar krachtens Zijn onvergankelijke leven (7:16).
Wanneer Simonis de vergeving der zonden bindt aan mensen, die op grond van een uiterlijke ceremonie priester zijn geworden zoals in het Oude Testament, dan sluit hij zichzelf en die priesters buiten het priesterschap van Christus naar de orde van Melkizédek. En dan is het meteen duidelijk dat hij en zijn priesters geen zonden kunnen vergeven evenmin als de priesters van het O.T.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
