Elke ketter heeft zijn letter
De apostelen hebben het anders begrepen
1. De apostelen die dit de Heere Jezus hebben horen zeggen, hebben die woorden nooit opgevat als een verplichting voor de gelovigen om hun zware zonden aan de ambtsdragers van de gemeente te biechten. Weten de pausen, weet mgr. Simonis dan in de twintigste eeuw beter wat Jezus daarmee bedoeld heeft, dan de apostelen zelf?
Nooit hebben de apostelen de biecht gepraktiseerd. Nooit hebben ze de christenen bedreigd: Als jullie je zware zonden, vooral op sexueel gebied, niet aan de ambtsdragers van de kerk, de presbyters (= de ouderlingen of oudsten) biechten, gaan jullie voor altijd naar de hel.
Waar haalt mgr. Simonis dan het recht vandaan om van vrouwen en meisjes onder de zwaarste bedreigingen te eisen dat zij hun intieme innerlijk bloot geven aan hem en zijn priesters? Denkt hij dat Christus zulk een aanmatiging, en dat nog wel in Zijn Naam, ongestraft zal laten?
Ook de christenen van de eerste eeuwen hebben geen verplichte biecht van hun zonden op sexueel gebied aan de ambtsdragers van de kerk gekend. "Eerst in het begin der middeleeuwen werd onder invloed van de Ierse monniken de langzaam in verval geraakte openbare boete geheel in de privé-boete omgezet." "Bestond er in de oude Kerk iets dat te vergelijken is met onze oorbiecht? Duidelijke teksten in deze richting ontbreken en de vele uiteenzettingen der Vaders over de middelen tot vergiffenis der zonden schijnen er geen ruimte voor over te laten, evenmin als de levensbeschrijvingen der bisschoppen uit die tijd" (Dr. E. Hendrikx in Theologisch (r.-k.) Woordenboek 1, kol. 540).
Nu is het getuigenis van de oude kerkvaders op zichzelf nog niet doorslaggevend. Beslissende norm is alleen de Schrift. Maar het moet toch als een grote aanmatiging worden gebrandmerkt dat de bisschoppen en priesters, onder aanvoering van de pausen vanaf de middeleeuwen, van de christenen eisen dat zij hun geheime zondige daden en begeerten aan hen openbaren; en dat op straffe van doodzonde en hel.
2. Deze tekst komt alleen hier voor. Overal elders wordt met nadruk gesteld dat de vergeving van onze zonden ons geschonken wordt langs de weg van het geloof in Christus.
Men doet onrecht aan de Schrift, wanneer men de gehele Schrift gaat interpreteren vanuit één tekst, in plaats van die éne tekst te interpreteren vanuit de gehele Schrift. Dat doen alleen de sektariërs, die er met hun eigen tekstje vandoor gaan.
En een christen zou dubbel voorzichtig moeten zijn met de interpretatie van éèn tekst, wanneer die interpretatie hem persoonlijk veel winst oplevert in de vorm van macht, eer, bevrediging van ongezonde nieuwsgierigheid enz. In dit geval kan de wens om te heersen over de gewetens van anderen, het plezier te zien hoe anderen zich volkomen van jou afhankelijk weten, omdat jij mag beslissen over hun eeuwig wel en wee, de pret dat je zo maar mag rondneuzen in de innerlijke roerselen van vrouwen en meisjes, gemakkelijk de reden zijn, waarom je Joh. 20:22-23 gaat verklaren als een verplichting om de zonden aan de priesters, dus ook aan jou. te biechten.
3. Laten we wél wezen: Hoe je het keert of wendt, in deze tekst wordt in elk geval niet gesproken over een verplichting om je zonden aan een ambtsdrager van de gemeente te biechten.
Zulk een verplichting moet men met veel redeneringen uit die tekst vandaan toveren. De voornaamste redenering luidt: Als de ambtsdragers de macht hebben ontvangen om de zonden van de christenen al of niet te vergeven, dan moeten ze ook het recht hebben om van hen te eisen dat de christenen hun zonden aan hen biechten.
Ons antwoord: Maar waarom zou Christus die verplichting er dan niet aan hebben toegevoegd? En waarom zouden de apostelen zulk een belangrijk gegeven dat noodzakelijk is voor het verwerven van het eeuwige heil (volgens Rome), dan nooit in hun brieven vermeld hebben?
Waarom eindigt Johannes zijn boek Openbaring met een vreselijke bedreiging aan hen die iets daaraan zouden toevoegen, terwijl hij in geen enkele van zijn geschriften ook maar met een woord rept over een verplichte zondebelijdenis aan de ambtsdragers van de kerk?
En mag je op grond van je eigen redenering jezelf zulk een ingrijpende macht over andere christenen toeëigenen?
Johannes schrijft: "Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden" (1 Joh. 2:1-2). Waarom voegt hij er dan niet aan toe: "En we hebben de priester bij wie wij onze zonden kunnen biechten, wanneer we na onze Doop opnieuw zware zonden hebben bedreven, zodat we door de vrijspraak van de priester weer opnieuw met God kunnen worden verzoend?"
Hoe verklaart mgr. Simonis (en de zijnen) dan Jac. 4:12, waar staat: "Er is een enig Wetgever die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij dat gij een ander oordeelt?" Waarom voegt Jakobus er dan niet aan toe: "Maar God heeft die macht om te verderven en te behouden aan Zijn priesters in het N.T. overgedragen en daarom moeten alle christenen hun zonden aan de priesters biechten, opdat zij over de biechteling kunnen oordelen?"
4. Hoe moeten we die woorden van Joh. 20:22-23 dan wél verstaan? We zullen die moeten verstaan vanuit het geheel van de Schrift. En dan zien we:
a. In Mat. 18:15-18 spreekt Jezus over iemand, die na persoonlijke vermaning zich van zijn uiterlijke zonde niet wil bekeren en geen gehoor wil geven aan de oproep van de gemeente. Dan moet de gemeente tegenover hem deze houding aannemen: "Hij zij u als de heiden en de tollenaar." Daarop laat Jezus dan deze woorden volgen: "Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden zijn." Het is duidelijk dat de macht van de gemeente om via haar ambtsdragers te binden of te ontbinden slaat op uiterlijke zonden. En vervolgens dat het gaat over de uitsluiting uit de gemeente hier op aarde. In die geest moeten we ook Joh. 20:2223 verstaan.
b. We zagen reeds dat Jezus in Lk. 11:52 sprak over de sleutel van de kennis, hoe we het Koninkrijk Gods kunnen binnengaan. Hij heeft die sleutel overgedragen aan Zijn apostelen en aan alle christenen. De sleutel om tot het Koninkrijk binnen te gaan is volgens Christus niet het eigen werk of een of andere ceremonie, maar het geloof in Hem als de enige en volkomen Zaligmaker.
c. Jezus blaast eerst op Zijn apostelen en zegt daarna: "Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden enz.." Dat betekent dus dat Hij de macht van de apostelen om zonden te vergeven nauw verbindt met de Heilige Geest.
Welnu aan de Heilige Geest wordt in de Bijbel nooit toegeschreven dat Hijzelf zonden vergeeft. Dus kan ook hier niet bedoeld zijn dat de apostelen daardoor de macht kregen om zelf de zonden te vergeven.
Wel wordt aan de Heilige Geest toegeschreven dat Hij van zonde overtuigt (Joh. 16:9) en dat Hij in de gelovigen getuigt dat zij kinderen van God zijn(Rom. 8:16). En de Heilige Geest doet dat op grond van het Woord van God.
Daarom moet de macht die de apostelen op dat moment van Christus ontv ingen, in dezelfde lijn liggen. Zij ontvingen daardoor de belofte dat zij in de kracht van de Geest en op grond van Gods Woord de mensen van zonden zouden kunnen overtuigen en tevens tegenover hen zouden kunnen getuigen dat hun zonden vergeven zijn op grond van het verzoenende werk van Christus zoals ons dat in de Schrift getekend wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
