De belangrijke vraag
"Ja, ik oordeel ook mijzelve niet" (1 Cor. 6:3)
Daar is een grote vraag, die 'k brandend ben te weten;
Een vraag, die mij zo vaak beangstigt en verdriet;
Mag ik met enig recht een kind des Heeren heten?
Ben ik zijn eigendom, of ach! ben ik het niet?
Zou ooit mijn hart zo koud, zo dor, zo aodig wezen,
Zou ooit 't gebed voor mij een taak, een moeite zijn.
Zou iedere beuzeling mij klagen en doen vrezen,
Wanneer ik zeggen kon: des Heilands liefde is mijn?
Als ik in de eenzaamheid mijn hart tracht te onderzoeken,
Dan vind ik alles vol ijdelheid en kwaad,
Dan vind ik ongeloof en zonden in alle hoeken:
Kan 'k Zijn verloste zijn in zulk een slechte staat!
Wanneer ik bid, of hoor, of 's Heeren Woord wil lezen,
Word ik in al mijn doen door zonde steeds gekweld;
Gij, die in waarheid weet Gods kinderen te wezen,
Spreekt, zegt mij, is het ook aldus met U gesteld?
Nochtans, de boze lust kan mij niet meer behagen;
De zonde is mij een smart, een last ondraaglijk zwaar;
Zou ik, om wat ik denk of voel, dus kunnen klagen,
Zo van de liefde niet een aanvang in mij waar?
Zou 'k blijdschap voelen als ik kinderen Gods ontmoette;
Zou 'k vreugd zien in een weg, dien 'k vroeger haatlijk vond;
Zou ik in 's Heeren Woord soms proeven van het zoete,
Zo van zijn liefde niet een vonkje in mij bestond?
Mijn Heiland! wil Gij zelf de zware vraag bepalen.
Gij, die het zonlicht zijt, waarbij Uw volkje leeft.
Wil met een liefdestraal Uw eigen werk bestralen.
Indien 't genadewerk in mij reeds wortel heeft!
Leer mij U meer en meer van hart en ziel beminnen.
Indien Gij Uw gena reeds hebt geplant in mij.
Maar indien niet, o Heere, laat mij dan beginnen,
En help mij door Uw Geest, opdat het heden zij.
(Uit het Engels: "'t Is a point I long to know")
('t Is een punt wat ik wil weten)
NASCHRIFT
Dit gedicht lees ik steeds opnieuw met bewogenheid. Een wolk van bijbelse deemoed waait mij daaruit tegemoet. Ik kan mij daarin volledig vinden. Wel móet ik getuigen dat ik de zekerheid van mijn heil in Christus mag bezitten.
Ik weet mij verzegeld door de Heilige Geest. Ik weet dat ik Gods kind ben. Zijn eigen Geest doet mij tot Hem roepen: Abba, Vader!
Ik ken de Heere van te nabij. Hij heeft Zichzelf zo onweerstaanbaar aan mij geopenbaard door Zijn Woord, dat ik niet meer kan twijfelen dat Hij in Christus mijn genadige Vader wil zijn.
En toch zou ik nooit die houding willen missen van verbrokenheid, die ik in dit gedicht beluister.
Zij die de bevindelijke ervaring niet kennen, zullen dat niet met elkaar kunnen rijmen. Ze zullen vragen: Hoe kunt u van de ene kant zo zeker zijn van Gods eeuwige liefde, die u in Christus omvangt, zodat u in Hem juicht met een "onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8), terwijl u van de andere kant de strekking van dit gedicht volkomen beaamt?
Ik geef toe dat dit logisch niet lijkt te kloppen. Maar, zo zei Pascal terecht, het (gelovige) hart heeft zijn redenen, die de rede niet verstaat.
Wanneer een gelovige die grondhouding van de deemoed en de volstrekte afhankelijkheid van Gods genade mist, dan is er reden om zich af te vragen of hi j inderdaad wel een kind van God is.
Vergeet niet: als u juicht om uw heil, dan juicht u tegelijk over bloed dat gestort is voor u, het bloed van de onschuldige Zoon van God, die als een Lam uw schuld op zich nam. Je kunt dat bloed, die pijn, die nood van de uiterste verlatenheid van Christus niet losmaken van uw heilsvreugde. En je mag nooit vergeten dat daar weer achter staat: úw zonde, úw zelfhandhaving, die zelfs zo ver ging dat u in staat was God te haten als een sta-in-de-weg voor de bevrediging van uw eigen begeerten.
De geestelijke hoogmoed ligt zo gauw bij ons op de loer, wanneer wij vergeten dat de reine Zoon van God ons uit de modder van allerlei bederf moest halen, en dat ten koste van diepste vernedering en van een verschrikkelijk sterven. De Heere walgt van zulke geestelijk-zelfvoldane "rinkelende cimbalen."
God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen schenkt Hij Zijn genade. Laten we altijd weer bidden om de genade van de ootmoed.
DR. W. GODDIJN IN DE ARNHEMSE COURANT:
"Rome zet tegenwoordig gegalvaniseerde, keiharde bisschoppen in, die zich in al hun lijn bewezen hebben." "Nederland is het podium geweest van de vernieuwing van de kerk en het zal ook het kerkhof worden." "Ik vind het hard om te zeggen maar de kerk zelf zorgt voor de aftakeling van het ware geloof in God. Zij doet alsof ze Onze Lieve Heer in de zak heeft. Ze voelt zich zozeer de plaats-bekleder op aarde en legt daar zo de nadruk op dat op het laatst niemand meer luistert naar God." Aldus deze r.-k. priester.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
