HET BEZOEK VAN DE KARDINAAL
Sommige indrukken van je kinderjaren kunnen nooit meer uitgewist worden. Ze lichten telkens weer voor je op, wanneer je herinnering terugglijdt naar vroeger. Een van de gebeurtenissen die ik nooit meer vergeten zal, is de benoeming van een nieuwe kardinaal voor Chili en alles wat zich daaromheen afspeelde.
Ik was toen acht jaar en zat in de derde klas van de lagere school. Wij woonden in een dorp van middelmatige grootte. In die tijd was er nog niet de betovering van de televisie. Onze enige informatiebron was de krant en de radio. Misschien was dat de reden waarom niet of nauwelijks tot ons was doorgedrongen dat de vorige kardinaal overleden was.
Maar wél hadden we gehoord dat het Vatikaan - de heilige stad, zo heel ver weg van ons vandaan - zich verwaardigd had een nieuwe kardinaal voor ons land te benoemen.
Iedereen was enthousiast. Vol verwachting klopten onze harten. We waren niet meer alleen. Ons land had weer een van God gezonden leider. Wezen die weer een vader hadden gekregen.
In onze hiërarchische wereld van Chili was hij de hoogste gezagsdrager. "Het Hoofd van de kerk", zeiden sommige kranten. "De Kerkvorst", schreven anderen.
De direkteur van onze school (een openbare school, staatsschool) had besloten dat alle klassen zich moesten inzetten voor een grootse ontvangst van de kardinaal. Want hij zou ons dorp passeren op weg naar de grote stad, waar hij zijn residentie had.
Alle onderwijzers en leerlingen togen vol geestdrift aan het werk. Toespraken, gedichten, koorzang en solo's, toneelstukken enz. werden ingestudeerd.
Onze klas had zich geworpen op schets, waarin wij de installatie uitbeelden van de kardinaal, die in de grote stad zou plaats vinden. Enkelen zouden daarbij een rol spelen, de overigen zouden dienst doen als toejuichende menigte. Wij waren overtuigd dat de prestatie van ónze klas daarmee verreweg als de beste van allemaal eruit zou springen.
Voor ons was dat een heerlijke tijd. Geen lastige rekensommen, geen vervelend opdreunen van aardrijkskundige namen. Met opzet maakten we soms wat fouten om daardoor de kans te krijgen telkens opnieuw te mogen oefenen. Het onderwerp van de gesprekken was dan ook steeds weer: dé kardinaal. Sommigen stelden zich hem voor als een zeer bejaard iemand, een statige oude man, met extra-lange klederen, versierd met veel goud en edelstenen. Anderen dachten dat hij toch wel niet zó oud zou zijn.
Maar allen waren we er van overtuigd dat hij een indrukwekkend-grote "sombrero", hoed met brede rand, zou dragen. We wisten dat de bisschoppen reeds een zeer grote sombrero droegen van wel een halve meter omvang. Maar de kardinaal moest hen daarin beslist aanmerkelijk overtreffen. Hoe zou hij anders zijn grootheid tegenover deze ondergeschikten ten toon kunnen spreiden?
Een andere vraag waar wij ons mee bezig hielden, was de macht waarover de kardinaal beschikte. De kardinaal komt in rangorde na de paus, die weer in rangorde onmiddellijk volgt op God Zelf. Maar dan, zo redeneerden wij, zou hij ook wel in staat zijn om wonderen te verrichten. Zou een kardinaal ooit een druipneus hebben vanwege een verkoudheid, zodat hij de ene zakdoek na de andere zou moeten volsnuiten? Zou hij ook wel eens gewaagde uitdrukkingen bezigen, halve of hele vloek(jes)? Wist zijn moeder al toen hij nog baby was, dat haar kereltje kardinaal zou worden?
Ons dorp begon op allerlei wijze van aanzien te veranderen. Zo nam het misbezoek zeer toe. Zelfs de vroege mis van zeven uur in de morgen mocht zich verheugen in een toenemende belangstelling. Voorheen werd die mis enkel bijgewoond door kwezeltjes, nonnetjes en door studenten, die 'm knepen voor een examen.
Maar alle grote gebeurtenissen, hoe lang en vurig ook verwacht, hebben tenslotte toch plaats, want de tijd schuift rustig verder. En zo kwam dan de grote dag dat de kardinaal ons dorp zou bezoeken.
Ofschoon de kardinaal pas om 2 uur 's middags verwacht werd, moesten we al om 8 uur op school zijn. En het gevolg was dat de nerveuze moeders hun kinderen al om zes uur uit hun bedden riepen voor een haastig ontbijt.
En om 7 uur dromden de kinderen al de school binnen in een feestelijke stemming, die niet overtroffen zou kunnen worden door een bericht dat alle onderwijzers en onderwijzeressen voor onbepaalde tijd in staking zouden gaan.
We zagen enkele leraren bezig met nog eens hun toespraken in te oefenen. De anderen liepen zenuwachtig heen en weer om nog de laatste details te regelen voor de grootse opvoering die straks zou plaats hebben.
Om 9 uur moesten we allemaal op het schoolplein samenkomen. Daar kregen we uit de mond van de direkteur te horen, welk een plechtige dag het was en hoe grote eer aan onze school te beurt was gevallen, dat juist wij de kardinaal mochten ontvangen.
Van 10 tot 12 generale repetitie, die echter, zoals gewoonlijk in zulke gevallen, een complete mislukking werd. We zagen de wanhoop en vertwijfeling in de gezichten van de onderwijzers en de priesters, die ons fiasco gadesloegen.
Om half een troepten we samen op het dorpsplein tegenover het erebalkon. De notabelen van het dorp, met de burgemeester aan het hoofd, hadden daar reeds plaats genomen. Het muziekkorps van de gemeente trachtte met méér ijver en goede bedoelingen dan met muzikale bekwaamheid de wachttijd te maken tot een aangenaam verpozen.
Zo gingen de minuten en uren voorbij, totdat er ineens een electrische schok door de menigte ging. Het was intussen 3 uur geworden. De luidsprekers kondigden aan dat de kardinaal op weg was en zojuist een dorp gepasseerd was dat op 8 km. van het onze verwijderd was. Ik moet erkennen dat er bij mij even een zeer onaangenaam voorgevoel naar boven kwam, toen ik het woord "passeren" hoorde. Maar ik onderdrukte dat meteen, want hoe kun en durf je veronderstellen dat de kardinaal ook ons dorp zou voorbij rijden. Ons dorp was toch nog heel wat anders dan dat gehucht dat zo juist genoemd werd.
Meteen begonnen de mensen te zwaaien met vlaggen, vlaggetjes, sjaals of wat dan ook maar zwaai-baar was. En de politieagenten druk in de weer om hen die zich langs de route hadden opgesteld, in toom te houden, zodat de stoet met de grote Persoonlijkheid waardig zou kunnen rijden naar de ereplaats.
En eindelijk! Daar klonk het lawaai van de motorenen het gegil van de sirenes van de politieauto's. Het grote moment was aangebroken. Een wolk van politiewagens die een hels kabaal produceerden, gevolgd door andere auto's in grillige kleuren met opschriften als "pers", "officiële dienst" enz., sommige vol bombast, andere ronduit ridikuul.
En te midden van dat adembenemend konvooi eindelijk dé auto, groot, maar gesloten. En achterin zat dé man, wuivend met zijn handje, een ijskoud gezicht, de ogen verborgen achter een zonnebril. Het kwam op mij over als de blik van een vermoeid en verveeld mens.
Maar … de auto stopte niet, verminderde zelfs niet zijn vaart. En na enkele minuten verspreidde de diep-teleurgestelde menigte zich. Het dorpsplein en de hoofdstraat keerden weer terug tot de rust van altijd. Maar de preken van de pastoor, vele zondagen daarna, konden onze ontgoocheling niet voorgoed wegnemen.
Als ik daaraan terug denk, komt steeds het verhaal bij mij boven van Lukas 18:15-16. De Heere Jezus, onze onvergelijkelijke Meester, trok de aandacht van allen die Hem hoorden en zagen. En de moeders die, dat is immers haar aard, het beste wilden voor hun kinderen, vroegen Hem of Hij ze wilde zegenen. Maar zijn onmiddellijke volgelingen, de apostelen, waren van mening dat men daar de grote Meester niet mee moest lastig vallen. De 'leer', de dogma's, de verheven uiteenzettingen van Jezus waren daarvoor te belangrijk.
Maar Jezus denkt er anders over. Zijn apostelen hebben de eenvoud, en daarmee de diepte, van Zijn boodschap niet begrepen. Hij zei: "Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods."
Zijn discipelen waren verbaasd over deze reaktie van de Meester. Misschien hebben sommigen zich daarom teleurgesteld van Hem afgekeerd.
Maar Jezus neemt niets van Zijn woorden terug. Integendeel, Hij voegt eraan toe: "Voorwaar, Ik zeg u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangen zal als een kindeke, die zal er geenszins in komen."
De Zoon van God, "het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid" (Hebr. 1:3), nam er de tijd voor om zich te onderhouden met de moeders en om de kinderen te zegenen. En zo heeft Hij aandacht voor iedereen, jong of oud, man of vrouw. Zo heeft Hij ons willen leren dat het Koninkrijk Gods slechts kan gekend en aanvaard worden door mensen met de eenvoud des harten van een kind.
De grote Herder denkt altijd vol liefde aan Zijn schapen. Hij volgt hen overal.
"Ik ken de Mijne en de Mijnen kennen Mij en niemand zal Mijn schapen roven uit Mijn hand", dat heeft Hij ons verzekerd.
Wat een verschil met hen, die vanwege hun grootse titels en de hoogwaardigheid die zij bekleden, zich verre te moeten houden van de eenvoudigen, die geen titel voor hun naam dragen.
Wij mogen altijd met vrijmoedigheid tot God naderen door en in Christus, Zijn eeuwige Zoon. We hoeven geen audiëntie aan te vragen. We hoeven niet te antichambreren.
Jezus Zelf nodigt ons daartoe uit in het gebed dat Hij ons geleerd heeft: "Onze Vader die in de hemelen zijt." Maar ook door de psalmen van het Oude Testament heeft de Heere ons onderwezen dat allen die met een verbroken hart naar Hem opzien, zich vol vertrouwen mogen overgeven aan Zijn barmhartige, vergevende liefde.
ONS NASCHRIFT
Met veel instemming heb ik dit levensechte verhaal, deze jeugdherinnering, van br. Serrano vertaald. Hij doet op het ogenblik dienst als evangelisatiepredikant van de Chr. Ref. Church in California USA. maar wil graag weer naar zijn land Chili terugkeren als herder en leraar van de Iglesia Presbiteriana Nacional.
(Sommigen herinneren zich misschien dat IRS destijds de theologische studies van br. Serrano, ex-seminarist, heeft bekostigd).
En onwillekeurig denken we aan het aanstaande bezoek van de paus. Zijn de synodevoorzitters nu al nerveus bezig met het instuderen van het toespraakje dat ze tot de paus mogen richten?
En de rooms-katholieken van Nederland? Straks komt hij, die volgens hen in rangorde onmiddellijk op God volgt. Hij is Christus, dus God Zelf, op aarde. Het thema dat hij aan dit bezoek heeft gegeven is: "Onze Vader die in de hemelen zijt." Daardoor komt des te sterker naar voren dat de paus wil zijn "onze Vader, die op aarde zijt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
