In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Joannes Paulus II over de biecht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Joannes Paulus II over de biecht

8 minuten leestijd

In zijn "Apostolische Vermaning" van 2 dec. 1984 heeft deze paus opnieuw de oude leer over de biecht als noodzakelijk middel voor de vergeving der zonden naar voren gebracht. Deze pauselijke brief droeg tot titel "Reconciliatio et paenitentia" = Verzoening en boete.

Hij beweert dat de priesters van de R.-K. Kerk via de paus van Christus de opdracht hebben gekregen om als rechters te beslissen of iemands zonden al of niet vergeven worden door God.

Kwam Christus als Redder of als Rechter?

Hij baseert zijn uiteenzetting op de bewering dat ook Christus op aarde gekomen is als Rechter. Hij verwijst daarbij naar Joh. 5:27: "Hij (= de Vader) heeft Hem (Christus) macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon" (R K Vert.).

Maar het is uit de bijbel dat de Zoon die macht pas gaat uitoefenen als Hij wederkomt (Mat. 25:31-46). Uitdrukkelijk zegt Jezus Zelf dat Hij tot zo lang niet als Rechter zal optreden: "God heeft Zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat Hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God" (Joh. 3:17-18 RKV). "Wie luistert naar Mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen" (Joh. 5:24 RKV), dus ook niet aan het oordeel van een r.-k. priester in de biechtstoel.

Vlak voor Zijn dood verklaart Christus: "Indien iemand Mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. Want wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanvaardt, heeft reeds iemand die hem veroordeelt: het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem veroordelen op de laatste dag" (Joh. 12:47-48 RKV). Er is dus echt geen r.-k. priester nodig om de veroordeling uit te spreken over iemand die niet in het woord van Christus gelooft. Dat woord zelf veroordeelt hem.

De paus beweert dat de priester in de biechtstoel "in persona Christi" optreedt (letterlijk: in de persoon van Christus, dus als Christus in persoon). Maar als dat zo was, dan zou hij niet als rechter moeten optreden, omdat ook Christus dat niet heeft gedaan.

DE FOTO HIERNAAST:

Volgens het concilie van Trente, waarnaar deze paus in zijn brief van 2 dec. 84 over de Biecht verwijst, is de Biecht "de reddingsplank", nadat de mens door de doodzonde schipbreuk heeft geleden en hel kindschap Gods dat hij door de Doop had ontvangen, weer verloor. Christus heeft echter steeds geleerd dat we slechts door het geloof in Hem de vergeving der zonden ontvangen. Op defoto hiernaast een olietanker vóór het strand van Porto, die alles bevuilde.

Schriftplaatsen

De paus haalt in zijn brief enkele keren de gelijkenis met de verloren zoon aan (Lukas 15). Maar de biechtpraktijk is ook met die gelijkenis in tegenspraak.

Want volgens de paus moet de priester aan de biechteling een boete opleggen ter voldoening voor zijn zonden. Maar de vader van de gelijkenis heeft aan zijn zoon geen enkele boete opgelegd. Onmiddellijk werd er feest gevierd. De zoon hoefde niet eerst nog een behoorlijke straf te ondergaan.

Hij citeert ook Joh. 8:16 om te bewijzen dat Christus als Rechter optreedt, en dat dus ook de r.-k. priester dat moet doen: "En zelfs als Ik zou oordelen, dan is Mijn oordeel toch rechtsgeldig, omdat Ik niet alleen ben, maar de Vader die Mij gezonden heeft, met Mij is."

Maar … omdat Jezus hier voorwaardelijk spreekt: "Als Ik zou oordelen …", is het duidelijk dat Hij niet wil oordelen als Rechter zolang Hij nog niet is weergekeerd op de aarde. Bovendien staat dat uitdrukkelijk in het daaraan voorafgaande vers dat de paus wijselijk niet citeert: "Gij oordeelt naar het aardse. Ik oordeel niemand." Dat zei de Heere tegen de kerkelijke ambtsdragers van Zijn tijd. Die tegenstelling is er ook nu tussen Christus en de paus met zijn biechtvaders. Zij menen de bevoegdheid te hebben - en ze proberen dat te staven met aardse, menselijke redeneringen - om als rechters over de eenvoudigen te mogen oordelen in de biechtstoel. Met deze pretentie bewijzen ze zelf dat ze niet handelen als Christus in persoon, maar precies het tegenovergestelde doen. Zij willen rechters zijn over de harten der mensen, Christus wilde dat juist niet.

Een ander argument van de paus voor de biecht haalt hij uit Titus 3:4: "Maar de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen" (RKV). In die tekst wordt echter op geen enkele manier gesproken over een verplichting om de zonden aan een r.-k. priester te biechten.

Bovendien: waarom haalt hij niet het daarop volgende vers aan? "… en Hij heeft ons gered, niet omdat wij iets goeds gedaan zouden hebben, maaralleen omdat Hij barmhartig is" (RKV), dus ook niet omdat wij het zogenaamde goede werk zouden hebben verricht van het belijden van onze zonden aan een r.-k. priester.

Joh. 20:22-23

En natuurlijk haalt hij aan: "Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven" (Joh. 20:22-23).

Ik heb daarover uitvoeriger geschreven in "Het zwaard over de herder" p. 148-154. Ik wil dat hier kort samenvatten.

Christus zei op de avond van Zijn opstanding: "Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u" (v. 21). We zagen echter al dat de Vader Christus niet naar deze wereld had gezonden om als een Rechter op te treden, maar als een Redder. Wanneer de r.-k. priesters zich de macht aanmatigen om in de biechtstoel als rechters te zetelen, dan is het duidelijk dat ze de opdracht daartoe niet van Christus hebben gekregen, omdat ook Christus niet naar deze aarde is gezonden om er als rechter op te treden.

"Na deze woorden blies Hij over hen en zei: Ontvangt de Heilige Geest" en daarna volgen de woorden over het al of niet kwijtschelden van de zonden.

De zondenvergeving wordt hier dus in verband gebracht met de Heilige Geest. Maar van de Heilige Geest wordt nooit in de Bijbel gezegd dat Hij zonden vergeeft, ook niet aan het einde der tijden.

Wél staat er dat de Heilige Geest van zonde en van de vergeving der zonde getuigt (Joh. 16:7-11; Rom. 8:15-16).

En zo moeten ook wij getuigen. "Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn… Die zal van Mij getuigen. En gij zult ook getuigen, want gij zijt van het begin met Mij geweest" (Joh. 15:26-27).

Maar getuigen is iets anders dan recht spreken. In een rechtsgeding kan een getuige nooit tegelijk de rechter zijn. Bovendien wordt in Joh. 20:22-23 niet gesproken over een verplichting om de zonden voor de ambtsdragers van de kerk te biechten. Ook in de gelijkenis hoefde de verloren zoon niet eerst alles tot in details aan zijn vader te belijden wat hij verkeerd had gedaan. En Christus heeft evenmin van de overspelige vrouw of van de zondares geëist dat ze hun zonden zouden biechten met "de soort, de omstandigheden die de zonde van soort doen veranderen en met het juiste aantal" (zoals het concilie van Trente, waarnaar de paus herhaaldelijk verwijst).

En de apostelen hebben zelf nooit de biecht gepraktizeerd. Steeds hebben ze erop gewezen dat de mensen de volle vergeving van de zonden ontvangen door het geloof in Christus alleen.

"Dwaas en onbeschaamd"

Desondanks zegt deze paus over ons, die op grond van boven genoemde bijbelse argumenten niet willen weten van een verplichting om de zonden aan een r.-k. priester te biechten, aldus:

"Het is dwaas en onbeschaamd, wanneer iemand eigenmachtig de Biecht als het door Christus ingestelde middel voor de vergeving der zonden veronachtzaamt."

En straks gaan hij en de protestantse synodevoorzitters met een opgepoetste vriendelijkheid samen een gebedsdienst houden. Een weerzinwekkende onwaarachtigheid en een misbruiken van het gebed voor een kerkdiplomatieke schijnvertoning.

IK OF GIJ? - een christelijke cultuurethiek,

door drs. A. W. v.d. Kooij (uitg. Buijten en Schipperheijn - Amsterdam, 200 blz. f 19,90). Dit boek bevat pittige uitspraken, die tot nadenken stemmen bv:

"De rede is de uitdrukking van de mens, die scheiding maakt, in zichzelf, tussen zichzelf en de wereld, en in de wereld. Zolang dit scheiden ondergeschikt is aan de verbindende liefde, is het op zijn plaats. Onderscheid is simpele levensnoodzaak. Maar wanneer dit redelijke onderscheiden zijn plaats binnen het menszijn verlaat en. de liefde verstotend, de hele mens voor zich opeist, ontstaat er een kloof tussen de mens en de wereld en ook binnenin de mens" (p. 14).

Maar er staat ook een onjuistheid in. "Thomas (van Aquino) ging in zijn optimisme zo ver, dat hij een ongebroken lijn veronderstelde van de rede tot een God zelf, al was het dan een oneindig lange lijn" (p. 19). Dat is beslist niet waar. Thomas maakt juist onderscheid tussen de potentia naturalis (de natuurlijke aanleg), waarmee de mens God nooit kan bereiken zoals Hij is in Zichzelf-én de potentia supernaturalis (de bovennatuurlijke aanleg), waardoor de mens dat wél kan. Maar dat gebeurt enkel door een wonderbaar ingrijpen van God.

DE SCHEPPING IN 'T GEDING

door dr. W.J. Ouweneel (Uitg. Buyten en Schipperheijn - Amsterdam, 156 blz. f 17,50).

Helder, boeiend en toch duidelijk wetenschappelijk gefundeerd verdedigt Ouweneel het creationisme tegenover de evolutietheorieën.

Van harte aanbevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Joannes Paulus II over de biecht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's