Uit de diepten roep ik tot U (ps. 130)
Ik wil bij u aanbevelen: "Het leven en sterven van Mientje Vrijdag, wed. J. ter Haar", die leefde van 1884 tot 1943 in Kijssen (Ov.). Maar ik moet er meteen bij zeggen: Ik weet niet of u ook zo intens van dit boekje zult genieten.
Met name moet ik r.-k. lezers waarschuwen dat voor hen het taalgebruik zeer vreemd zal zijn. Het is bovendien nog in de oude spelling geschreven. Daar komt nog bij dat dit boekje bij u moet "aanslaan", anders zal het u irriteren. Het is uitgegeven bij boekhandel Stuut in Rijssen.
Het is voorzien van een inleiding van B. Roest en bevat verder veel brieven van Mientje.
Maar door die moeilijke taal heen zag ik de gouden ziel van deze diep-gelovige vrouw, goud gemaakt door de genade Gods.
Ik volgde haar in haar diepe verootmoediging en zou zó naast haar willen neerknielen om mij met haar voor deze heilige God neer te bukken in het stof van mijn vergankelijk bestaan en in het slijk van mijn zonde.
Ik zag de tranen in haar ziel, tranen die ik ook vaak zelf schrei, tranen om de zonde die altijd weer bij mi] terugkeert, tranen van vertedering om deze heilige God, die mij telkens weer in erbarming aanneemt om Christus' wil.
Je moet dat zien. Deze verootmoediging is zó heerlijk, zó heilig, zó rein dat je daar geen woorden voor kunt vinden. Je kunt die bij een ander slechts bemerken tussen de regels door die hij/zij schrijft, tussen de woorden door die hij/zij spreekt.
Het is een verademing naar zulke mensen te luisteren. Het is alsof je dan in een heel andere wereld terecht komt … zoals je op een wintermorgen bij het ontwaken door het venster kijkt en dan een prachtige witte wade over de wereld verspreid ziet, waardoor alle stemmen gedempt klinken. Zoals… maar ook vergelijkingen helpen niet veel, want nogmaals, je moet het zien, ervaren.
Tegelijk is er echter in Mientje een overweldigend juichen om de God die Zijn liefde in haar als een vuur heeft neergebrand. Je voelt de onmacht van haar om het onder woorden te brengen. Daarom kun je de herhaling van de vele 'o's aanvaarden. Ik laat haar nu zelf aan het woord in een brief van 26 mei 1936:
"Het is gedurig in mij: Geloofd zij God met diep ontzag. O, dal lage, zoete buigen. De Heere gaf licht, ontsluiting, onderwijs en geloofsvertroosting. O, dat Woord is zulk een dierbaar paradijs vol edele vruchten, beladen met de vruchten van de Boom des levens in het midden. Het is alles volmaakt en dan dat naakte geloof in onze ziel als een werk des Heiligen Geestes. Door dit geloof Christus en al Zijn weldaden, aannemen. Dan mogen wij al die heilgoederen in Hem proeven en smaken. De Heere handelt zeer getrouw en Vaderlijk. Straks eeuwig saam. Ik heb ook gezien, lieve zus, dat u zaterdag met uw Bloedbruidegom mocht A vondmaal houden. O, we waren zo in God verblijd. Ik mocht in Hem eindigen. O die zoete gemeenschap, ik weet er geen woorden voor.
Wanneer u deze letteren ontvangt, deed de Heere weer een jaar tot uw jaren toe. O, buig maar laag in het stof.
Wij werden van morgen wakker met dit woord: Hebt gij geloof hebt dat bij uzelf voor God. O, het was ons zo tot versterking en mocht de Heere in mijn hart doen zien, zeggende: is dit niet Uw staf, snoer en zegelring? O, die open hemel! Wat is bidden dan zoet, ik wou dat ik niet anders dan dit kon doen. Ja, dan is het zo wonderlijk, dan vergeet ik mijzelf en al de ellende.
Van middag, zeer wonderlijk, ons den schepter toegereikt. O, dat staan voorden Heere, den Koning! Het was: welk is uw bede en wat is uw verzoek? En dan die zoete tegenwoordigheid Gods. Dit werpt toch zulk een zaligheid en zoetigheid af en vrede in de ziel. Mijn liefste is mij een bundelke mirre. Ja, uw uitnemende liefde is beter dan de wijn.
O, dat kinderlijk bidden. O, geliefde, als dat lieve Wezen Hem uitlaat en ontsluit, dan verdwijnt de ziele, dan proeven we de goedgunstigheid desgenen die in het braambosch woont. We mochten steeds elkanders lasten dragen en elkander ontmoeten aan den genadetroon."
EEN A RM OM ME HEEN
Nooit had ik de overtuiging: Ik geloof echt. Toen ik 1RS las, was het ineens of ik alles begreep. Ik ben eenvoudig tot de Heiland gegaan. Ik durfde de Naam van Jezus niet uit te spreken (en ik durf dat haast nog niet), maar bidden doet mij nu iets.
Ik ben opgevoed met altijd maar zonde, zonde en nog eens zonde, alles is zonde. Mijn ouders zijn vroeg overleden. Ik verbleef bij een oom. Een keer keek hij mij aan onder het lezen van de Bijbel. En ik werd toen zo bang. Weer zag ik in mij niets dan zonde.
Ik heb pas een hevig verdriet meegemaakt. Ik kwam terug van het ziekenhuis en zat in de bus. Ik voelde me helemaal alleen en verlaten. Toen was het ineens of een arm om me heen werd geslagen en of Iemand tegen me zei: "Stil maar. Ik ga met je mee". Toen werd ik weer erg blij. Maar ik moet nog veel leren. Ik sta nog pas aan het begin van de Weg.
KOMMENTAAR:
Wat mij in deze brief zo ontroert, is de eenvoud. Ik dacht meteen aan het woord over Jezus: "Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen" (Mat. 12:20). Gezegend zijn zij die in zulk een besef van hulpeloosheid mogen leven, want de Heere is hun Helper. Zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden. Zalig is dit terug willen deinzen voor de heilige God vanuit het besef van eigen zonde en onwaardigheid en tegelijk dat steeds weer naar Hem getrokken worden als naar de genadige Vader in Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1985
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
