In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Antwoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Antwoord

9 minuten leestijd

Beste Mevrouw,

Heel hartelijk dank voor uw brief. Ik voel me aangetrokken tot rooms-katholieken die hun overtuiging willen beleven en daar ook voor uitkomen. Er zijn er miljoenen die zich voor r.-k. uitgeven, maar er volkomen in strijd mee leven. Een voorbeeld: Ze aanvaarden in theorie dat de paus een absoluut leergezag heeft, dat je je aan zijn verordeningen moet onderwerpen. Nu hebben de pausen, ook déze paus, in de meest stellige bewoordingen het gebruik van voorbehoedsmiddelen, met name ook 'de pil', verboden. Maar het is duidelijk dat ook in Nederland misschien 95 of 99% van de rooms-katholieken zich daar niet aan storen, want het gemiddelde aantal kinderen van hun gezinnen is ongeveer gelijk aan dat van de gemiddelde Nederlanders.

Straks zullen tienduizenden van hen, die dit verbod van de'pil', dat onder straffe van doodzonde en hel ook door deze paus is afgekondigd, aan hun laars lappen, de paus staan toe te juichen. Is dat niet onwaarachtig?

Maar ook ú bent enigszins in strijd met de leer van uw kerk. Ik citeer uit de vroegere katechismus vraag 268: "Wanneer zondigen wij door lichtvaardig oordelen?" en het antwoord: "… als wij zonder voldoende reden voor zeker houden, dat iemand iets kwaads heeft gedaan".

U schrijft mij haat toe. Hoe weet u dat? U hebt toch niet in mijn hart gekeken. Zeker, Paulus heeft met alle stelligheid de dwaalleraars b.v. van de brief aan de Galaten afgewezen, maar daarom mogen we toch nog niet zeggen dat hij zijn tegenstanders haatte.

U beschuldigt mij ook van oneerlijkheid. U schrijft: "als u eerlijk bent, weet u diep in uw hart dat u hier een stuk geschreven hebt, waar u met geen mogelijkheid achter kunt staan". Mevrouw, ik bén heel eerlijk en ik sta voor de volle honderd procent achter mijn open brief aan de paus. Ik begrijp best dat u als overtuigde rooms-katholieke mijn overtuiging volstrekt afwijst. Maar al zijn wij het dan niet met elkaar eens, dan geeft U dat nog niet het recht om over het hart van een ander, over diens diepste bedoelingen, te oordelen en mij oneerlijkheid te verwijten.

Ik kan niet op alles ingaan wat u schrijft. Ik stuur U hierbij tevens "Rome en de Bijbel", "Ja maar, mijnheer pastoor - en tóch Annie", alsmede de tekst van de advertentie in het Reformatorisch Dagblad. Mocht U na lezing daarvan met mij daarover verder willen diskussiëren, dan ben ik daar graag toe bereid.

Wel nog dit: Het is U blijkbaar niet opgevallen dat, als U het hebt over de paus, U "Hij" en "Zijn" met een hoofdletter schrijft zoals … wij dat doen, wanneer we schrijven over God Zelf. Begrijpt U nu misschien iets meer van de zorg van de protestantse christenen dat de verering van de paus in de praktijk heel gemakkelijk over gaat op de vergoddelijking van een mens. En U zult het met mij eens zijn dat het vergoddelijken van een mens afgoderij is en een gruwel in Gods ogen. U schrijft: "De Heilige Vader heeft alle mensen lief…". In de eerste plaats doet dit mij denken aan wat over God wordt gezegd: "Alzo lief heeft God de wereld gehad dat …" (Joh. 3:16). Kent U aldus ook niet aan de paus iets goddelijks toe?

En hoe weet U dat? Hebt U in zijn hart gekeken? Hij is toch ook een zondig mens zoals wij dat allemaal zijn, dus met de neiging om niet in liefde allereerst de ander, maar om zichzelf in alles te zoeken.

"En áls U in mijn open brief de citaten uit de "Kerkgeschiedenis van kard. de Jong" leest, dan zult ook U moeten erkennen dat vele van de zogenaamde "onfeilbare Heilige Vaders" wrede en brute egoïsten zijn geweest, die tienduizenden op een vreselijke manier hebben laten ter dood brengen. Hadden ook zij alle mensen lief?

Ik wil niet over het hart van deze paus oordelen, maar ik volg de raad van Christus: Aan de vruchten kent ge de boom. "Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen" (Mat. 7:18). Welnu, een pausdom dat als vrucht heeft voortgebracht een leer die totaal in strijd is met wat Christus heeft verkondigd, kan geen goede boom zijn. Leest U maar mijn brochure en vergelijk daarin de leer van de pausen met wat de Schrift zegt.

Hoe durft U mij of wie dan ook "priester in eeuwigheid" noemen? Dat is een eretitel, die ps. 110 slechts aan de Messias, dus aan Christus, toekent. Immers tot diezelfde Messias spreekt de Heere in die psalm: 'Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten" (v. 1). Gelooft U dat de Heere de vijanden van de r.-k. priesters tot een voetbank voor hun voeten zal stellen en dat zij zich mogen neerzetten aan Gods rechterhand? De brief aan de Hebreeën zegt: "Alzo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar die gesproken heeft… Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek" (5:5-6). Maar de priesters van de R.-K. Kerk matigen zich die titel aan zónder dat God hen daartoe het recht heeft gegeven en verheerlijken aldus zichzelf. Begrijpt U dan niet welk een vreselijke zonde dat is?

Ik heb een uitvoerige studie over de aanspraken van de onfeilbaarheid van de paus geschreven in mijn boek "Het zwaard over de herder". Ik ga daar nu dus niet op in.

Uw bewering dat de onfeilbaarheid van de paus reeds in 252 zou zijn erkend, raakt kant noch wal. Leest U maar "Hoe de paus onfeilbaar werd" van de r.k.priester Dr. A.B. Hasler, voorzien van een inleiding van Hans Kling (Uitg. In den Toren-Baarn).

God verbiedt niet het maken van foto's, maar wel het maken van beelden om die te vereren. I k ga echt niet de foto's van mijn vrouw of kinderen bewieroken zoals de paus dat doet met de beelden van Maria.

En overigens: mag de Heilige God uitmaken hoe Hij gediend en vereerd wil worden, ja of nee? En als Hij zegt: Ik wil geen beeldenverering hoe dan ook, mogen wij dan zeggen: Maar wij willen wél beelden vereren? En als God zegt dat er alleen in de Naam van Christus heil, vergeving der zonden en het eeuwige leven te vinden is (Hand. 4:12), mogen wij dan desondanks ons vertrouwen stellen in de namen van gestorven mensen, vooral ook in Maria? Is dat niet een opstand tegen de verordeningen van God Zelf?

Wordt U nooit bang, wanneer U kaarsen aansteekt en neerknielt vooreen beeld om daardoor Maria of een andere heilige te vereren? U doet dat, omdat mensen U voorhouden dat dit wel zou mogen, terwijl U in de Schrift duidelijk kunt lezen dat God dit verbiedt. Bent U niet bang dat, als U na uw dood voor Gods rechterstoel verschijnt, U te horen krijgt: Waarom hebt U volkomen in strijd gehandeld met Mijn Woord en wél op de woorden van anderen vertrouwd? Is dat niet de zonde geweest van Eva, die meer naar de stem van de slang luisterde dan naar Mij, Eva die meer vertrouwde op wat die stem zei, dan op wat Ik had gezegd. Als je dan tóch niet op Mij en Mijn Woord hebt willen vertrouwen, ga dan maar voor eeuwig uit Mijn ogen, ga en verdwijn in het gezelschap van de duivelen, die ook nooit in Mijn Woord en in Mijzelf hebben willen geloven.

Ik schrijf dit uit grote bewogenheid, omdat U een medemens bent, die, als U op deze weg voortgaat, eens voor altijd verloren zult gaan. Ik móet U waarschuwen, voordat het voor eeuwig te laat zal zijn.

Mevrouw, waarom zoudt U niet geheel en al op Christus vertrouwen'? Heeft Hij nog niet voldoende Zijn liefde voor zondige mensen bewezen? Hij is mens geworden en heeft door een vreselijk lijden en sterven hen willen verlossen van de eeuwige dood, die niet meer op zichzelf of op andere mensen bouwen, maar enkel op Hem.

Waarom wilt U voortgaan met Hem te beledigen door in feite, metterdaad, tegen Hem te zeggen: "Ik vertrouw U niet helemaal. U hebt wel gezegd: "Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven" (Joh. 6:47), maar de pausen zeggen dat dit niet voldoende is. Het is niet door het geloof in U dat wij het eeuwige leven ontvangen, maar door onze eigen goede werken. En we hebben meer vertrouwen in Maria dat die ons tegemoet zal snellen in onze noden dan in U. Daarom gaan we eerst naar haar. Voor U als man met al zijn gestrengheid zijn we bang." Kom toch tot bezinning! Waarom zoudt U God niet willen vertrouwen in Zijn Woord? Waarom zoudt U voor eeuwig verloren willen gaan als straf voor uw ongeloof?

Misschien keert deze brief U onderste boven. Dat is ook gebeurd op de pinksterdag, toen Petrus aan de Joden hun ongeloof verweet. Toen werden er 3000 verslagen in hun hart en zeiden tegen Petrus: "Wat zullen wij doen, mannen broeders?" (Hand. 2:37). En toen heeft Petrus niet gezegd: "Vertrouw maar op de machtige naam van Maria. Zij zal u wel naar Christus leiden". Maar toen heeft hij hen alleen gewezen op de Naam van Jezus Christus: "En het zal zijn dat een ieder die de Naam des Heeren aanroept, zalig zal worden" (v. 21).

Uit Uzelf kunt U nooit komen tot zulk een radikale ommekeer van heel uw denken en willen. Maar de Heilige Geest kan dat wél in U bewerken. Bid daarom tot God en Hij zal U op Zijn belofte de Heilige Geest schenken. Inmiddels hoogachtend:

H.J. Hegger

P.S. Nadat ik deze brief geschreven had, moest ik naar de bakker. Onderweg heb ik intens voor U gebeden, 's Middags opnieuw en ook 's avonds samen met mijn vrouw. Ik gun U zo graag die diepe vrede, die ik heb mogen ontvangen van Christus enkel langs de weg van de gelovige overgave aan Hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Antwoord

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1985

In de Rechte Straat | 32 Pagina's