UITVERKIEZING ALS VERMANING
De uitverkiezing wordt ons in de Bijbel niet gepresenteerd als een star dogma. Ze komt tot ons vanuit het heilige hart van God. We kunnen er steeds in beluisteren de bewogenheid van Hem, die „de wereld alzo lief heeftgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve (te gronde ga), maar eeuwig leven hebbe" (Joh. 3:16).
Is het u nooit opgevallen dat de Heerejezus Zijn prediking niet begonnen is met de stelling: „Er is een uitverkiezing; wacht dus maar af of het God van voor de grondlegging der wereld behaagd heeft u uit te verkiezen, ja of nee".
We lezen: „En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods en zeggende: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie" (Mk. 1:14-15) Wanneer gaat Jezus de machteloosheid van de mens om uit eigen kracht zich te bekeren en in Christus te geloven openbaren? Dat doet Hij pas, wanneer het duidelijk is dat de Joden Hem afwijzen.
De smeking der liefde
Ik meen dat dit door Christus bedoeld is als een laatste appèl. Het is alsof Hij dan zeggen wiL
„U gaat zo tegen Mij te keer. U zoekt Mij zelfs te doden. U wilt niet in Mij geloven. Nu moet Ik u zeggen dat u dat ook niet kunt. U bent geestelijk helemaal dood. U moet eerst tot nieuw leven gewekt worden door de Heilige Geest. U moet eerst een totale verandering, een wedergeboorte, ondergaan. Anders begrijpt u niet wat Ik eigenlijk bedoel".
Is dat puur een dogmatische mededeling van Jezus? Is dat een theologische stelling, een keiharde waarheid die Hij hen voorwerpt en waarop ze hun tanden kunnen stukbijten? Of nog erger: Is het een soort leedvermaak? Een wraakneming op hun hoon, in de trant van: Jullie kunnen toch lekker niets als Ik jullie niet help?
Dat zij verre! Zo openbaart Christus Zichzelf niet Hij is de goede Herder, die altijd weer op zoek gaat naar het éne verloren schaap, of dat nu een tollenaar of een Farizeeër is. Hij sluit niemand uit. „God neemt de persoon des mensen niet aan" (Gal. 2:6). Er is bij Hem geen aanzien des persoons (Rom. 2:11; Ef. 6:9; Kol. 3:25).
De stellige belofte
Als Jezus tot de ongelovige Joden zegt: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekke" (Joh. 6:44) of nog duidelijker: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij het hem gegeven zij van Mijn Vader" (v. 65), dan zit daar de smeking achter: „Ga dan toch op de knieën en vraag aan de Vader de gave van het geloof en de bekering. Vraag om de Heilige Geest, opdat Die jullie moge verlichten en je naar Mij moge brengen".
En er is geen belofte, die Jezus duidelijker en stelliger heeft geponeerd dan de belofte van de verhoring van onze gebeden. „En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? Of zo hij om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die Hem bidden?" (Lk. 11 : 9-13). Dat betekent dus dat iemand die denkt dat God hem toch zal overleveren aan de boze geesten, wanneer hij Hem bidt om de Heilige Geest, God als nog slechter voorstelt dan ons, aardse vaders.
Wanneer moeten we die verkondigen?
Wanneer is het moment gekomen dat wij de uitverkiezing als een vermaning moeten verkondigen aan iemand?
In geen geval aan een bekommerde ziel. Dan zouden we helemaal in strijd zijn met de handelwijze van Christus van Wie geschreven staat dat Hij de rokende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet verder zal verbreken (Mat. 12:20). Soms vraag ik mij af of ik daartoe niet moet overgaan, wanneer ik lees of hoor hoe iemand moedwillig tegen de duidelijkste Bijbelteksten ingaat, die hem tot geloof in Christus en tot bekering roepen.
Je kunt niet eindeloos staan te soebatten: „Bekeer je toch". Daar is de ander niet mee gediend, want dan haal je de waardigheid en de ernst van het Evangelie naar beneden.
Maar als je dat ooit meent te moeten doen, dan zal door de verkondiging van de uitverkiezing als vermaning steeds de liefde moeten doorklinken, in de trant van Paulus: „Wij bidden van Christus' wege: Laat u met God verzoenen" (2 Kor. 5:20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
