In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De mystiek van Kohlbrugge

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De mystiek van Kohlbrugge

11 minuten leestijd

Dezer dagen kwam opnieuw de beroemde preek van Kohlbrugge over Rom. 7 : 14 onder mijn aandacht. En terwijl ik erin bladerde en nog voordat ik begonnen was te lezen, was het alsof de mystiek van de leegte mij tegen woei.

Want zo komt de beleving van Kohlbrugge op mij over. Als ik Kohlbrugge lees, komt de reinigende kracht van het Woord over en door mij heen. Dan zie ik opnieuw, hoe het Woord een tweesnijdend zwaard is. Het brengt alles in je aan het licht. Als een bliksem doorflitst het jezelf tot in de meest duistere afgrond van je begeren. De goddelijke Landman hanteert het Woord als een snoeimes. Hij snijdt alles in je weg dat het zicht op je zondigheid zou kunnen belemmeren. Dan ervaar je jezelf als een onnoemelijke leegte, een leegte die schrijnt én tegelijk zoet is, een leegte als een bevrijdende pijn. „Want wij weten dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde" (Rom. 7 : 14).

De wet is geestelijk
In die flits van de Heilige Geest krijg je even een helder zicht op het wezen van de wet. J e ziet dan de wet als direkt komend van God, als de onmiddellijke uitstraling van Zijn heiligheid. J e ziet dat de wet Geest-elijk is. De wet is niet slechts wonderbaar mooi in al haar geledingen met als kroon het gebod van de liefde. Ze is niet slechts een geheel van geboden en verboden. Zeker, dat is ze ook. Maar zolang je de wet alleen maar zó ziet, vind je altijd wel weer excuses om je aan de veroordeling van de wet te onttrekken. Wij zijn zulke handige advokaten voor het tribunaal van ons geweten. Maar wanneer je doorschouwt dat de wet geestelijk is, dat ze doortinteld is van de Heilige Geest, dan is het alsof je God Zelf daarin bespeurt. Een stille verwondering komt over je, wanneer je zó de wet betracht. Dan is het alsof je op heilige grond bent getreden, alsof de heilige Adem van God je ziel open zingt, alsof de eeuwigheid als glinsterende sneeuwvlokken op je neer ruist. En juist vanuit die zilveren geestelijkheid van de wet zie je heel helder:

Ik ben vleselijk
Het vlees, dat is mijn zelfhandhaving. En dat vlees, die zelfhandhavingsdrift, is zo enorm listig. Het hecht zich aan alles in mij. Het nestelt zich in al mijn gevoelens, tot in mijn vroomheid toe. Het kronkelt, keert en wendt zich, wringt zich in eindeloze bochten, rekt zich uit en krimpt weer in, met als één doel: de bevrediging, zij het soms op zeer subtiele wijze, van mijn eigen begeren. Maar wanneer je je onder de werking van de Heilige Geest onvoorwaardelijk overgeeft aan het Woord, dan is het alsof een heldere winterwind alle (vrome) zwoelheid in je wegvriest. Vanuit de serene bergen van Gods licht komt de Heilige Geest dan over en in je en werkt Gods willen in je uit.

Die Geest kan een algehele verslagenheid in je teweegbrengen, zodat je al maar door blijft kreunen: „O God, wees mij, zondaar, genadig" (Lukas 18:13); of: „Wat zullen wij doen, mannen broeders?" (Hand. 2:37), want zij waren „verslagen in het hart". Dan schroeit het in je met de pijn van de eeuwige schuld. Dan schreeuw je om de genade, de vergeving, de verzoening. Dan wordt heel je gevoelsleven omgewoeld. Je wordt onderste boven gekeerd, bekeerd. Maar die Geest kan je ook naar de stilte en de kilte voeren. En ik meen dat ik dit bij Kohlbrugge bespeur; althans zo komt hij bij mij over.

De ijle reinheid van de Geest
Kohlbrugge is allerminst een intellektualistisch theoloog. Hij poneert niet een dogma van de totale bedorvenheid van de menselijke natuur. Hij doorleeft alles, zij het in de ijle reinheid van de geest. De wet werkt als een laserstraal. Ze scheidt alles van elkaar (Hebr. 4 : 12-13). Ze vormt de grote leegte in je, als een gapende afgrond, en toch niet dreigend, want onafscheidelijk met de wet dringt ook het Evangelie in je binnen. Het is een verademing, wanneer je eindelijk en voorgoed hebt gezien dat in jou geen goed woont. Dan wil je niets meer weten van eigen gerechtigheid. Je spuwt erop. Je beschouwt ze als „drek" (Fil. 3 : 8). Je gruwt ervan om die smerigheid van je eigen vermeende goede daden en mooie gevoelens aan God aan te bieden. Je schrijft jezelf dan helemaal af. Je ziet het dan in je, je kunt het met de vinger aanwijzen: in mij, dat is in mijn vlees, woont geen goed, woont alleen maar zonde en zwoele zelfkoestering. Je ziet dan dat elke poging om jezelf nog wat op te vijzelen, zodat je misschien toch nog voor God kunt verschijnen, opnieuw vlees is. Het is een aanmatigende houding tegenover de wet die louter geestelijk is. De wet eist zuivere liefde tot God, vreugde enkel om Zijn vreugde, gelukkig zijn enkel omdat Hij gelukkig is, enkel zingen van en om Hem, de Zon die de zee en de wereld openstraalt. En dat kan ik nu juist niet. Uit mijzelf kom ik niet van mijzelf los. Het eigen „ik" legt zich steeds weer dwingend aan mij op, hoe ik het ook keer of wend en welke innige en zalige woorden ik ook gebruik.

Beul uzelf niet langer af
Wanneer je dat alles goed hebt gezien, kun je het bij je eigen stinkende vlees, de lijklucht van je zelfzucht, niet meer uithouden. En prijs jezelf gelukkig, wanneer het eindelijk zo ver met je gekomen is. Want dan komt Christus in zicht. Dan verschijnt Hij aan de horizont van je ziel. En God Zelf wijst Hem dan voor je aan: „Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb" (Mt. 3:17). Dan ben ik door de dood onder de heerschappij van mijn vroegere man, de Wet, vandaan. Dan leef ik voor mijn nieuwe Man, Christus (Rom. 7: 1-6). „Want ik ben door de wet der (= aan de) wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, (doch) niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft" (Gal. 2:19-20). Het geloof is mijn echtverbintenis met deze nieuwe Man, die Zijn liefde voor mij verzegeld heeft in Zijn eigen bloed als Bruidegom. En nu is voortaan Hij alleen mijn gerechtigheid. Nu ken ik geen eigen gerechtigheid meer.

Niet meer onder de wet, maar onder de genade (Rom. 6:14)
Ja, telkens word ik toch nog gedreven naar de wet toe, naar mijn vroegere man. Steeds weer denk ik dat ik God moet en kan behagen door Hem iets van mijzelf aan te bieden. Maar dan zegt God Zelf tegen mij: .Jongen, houd toch op met die poging. Ik kan niets van jou aanvaarden. Het is allemaal bevlekt door je zelfzucht, door het zondige vlees van je. Maar waarom zou je het ook proberen. Vóór je ligt de zuivere gerechtigheid van Christus. Daarin en daarin alleen heb ik alle welbehagen. En die gerechtigheid is je ter beschikking gesteld door het geloof dat Mijn Geest in je gewerkt heeft. Bied die gerechtigheid van Mijn Zoon telkens aan mij aan als de enige grond van je verzoening met Mij". Waarom zouden wij ons dan nog langer afbeulen? Waarom je weer onder de wet plaatsen? Waarom dat zuchten onder, en diep in je hart dat vloeken tegen, een wet, die je nooit tevreden kunt stellen, die altijd wat heeft aan te merken, want ik ben nu eenmaal vleselijk, terwijl de wet geestelijk is? Als je het goed hebt gezien dat Christus alleen je gerechtigheid is, waardoor je aan God aangenaam bent, dan ga je je helemaal verlustigen in Hem. Dan roem je slechts in Hem, in dat volmaakte Offerlam Gods.

Somber?
Van sommige lezers krijg ik wel eens te horen dat ik somber zou zijn, omdat ik zo vaak over de zondigheid van de mens schrijf. Maar dan hebben ze mij, en wat oneindig erger is: dan hebben ze de Schrift, met name Paulus, nooit goed begrepen. Waarom laat Paulus zien dat uit werken der wet geen vlees kan gerechtvaardigd worden (Rom. 3:20)? Om de mens er eindelijk radikaal van af te brengen dat hij maar blijft zwoegen onder de zweepslag van de wét en om hem zo in de blijde armen van Christus te drijven. Paulus kan er zich zo intens over verheugen als een vriend van de Bruidegom, wanneer een mens eindelijk Christus aanschouwt in het geloof, wanneer de bruidssluier valt en de ziel en Christus elkaar vinden in de eeuwige omhelzing van Gods alles overwinnende genade.

Kohlbrugge zegt het zó: „Wij weten dat de Wet geestelijk is - zegt Paulus. En daarmee dringt en drijft hij, ja, wel hard, maar lokt toch ook zo liefelijk; drijft de ziel uit de Wet, uit haar werken, uit alle middelen om heilig en vroom te worden, uit, opdat zij zo op de tederste wijze tot Christus getrokken worde om alleen in Hem te worden gevonden als bij een andere Man, die er alleen verstand van heeft met Wet, zonde, duivel en dood om te gaan, maar in Wiens Huis een volkomen vrijheid van Wet, zonde en dood vaststaat en heerst, en louter Genade, Vrede, Blijdschap, Gerechtigheid en eeuwig Leven luisterrijk heerschappij voert". En juist wanneer je ziel als een bruid verbonden is met déze Bruidegom, die louter gerechtigheid is, zal uit die heilige echtverbintenis de vrucht van de Geest rijpen (Gal. 5:22). „Ik ben de Wijnstok (en) gij de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht" (Joh. 15:5)

Hijgen naar God
En juist wanneer je gezien hebt dat in jou, dat is in je vlees, geen goed woont, kan er een dorst in je ontstaan om je dorre ziel te laven aan de „frisse waterstromen". „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, al2o schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God" (ps. 42:2-3). Dat hijgen kan zo ontzaggelijk hevig worden. Het is als een hitte, die je dreigt te verteren, een spanning die je hele wezen uit elkaar rukt, de spanning naar God toe, wég van je eigen zondigheid. Mag ik zeggen dat ik mij daarin soms niet begrepen voel? Velen komen meteen aan met het verwijt: dat is roomse mystiek. Ik kan dat niet inzien. Ik meen dat de psalmen vol zijn van dit hijgen naar God. Het is de ondergrond van heel de Schrift. Om die éne druppel van de zoete nabijheid Gods even te kunnen smaken smeken Mozes en Elia tot God. Paulus spreekt over het onuitsprekelijke dat hij gezien heeft in de derde hemel. Broeders en zusters, dat is de „onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1 : 8), die met niets is te vergelijken op aarde: éven - soms duurt het maar heel kort - getroffen te worden door de blik van Gods eeuwige, liefdevolle Vaderogen, éven Zijn armen onder je te voelen, te ervaren dat de eeuwige God je tot een woning is (Deut. 33:27), even de verrukking van Zijn vuur, Zijn liefde, door je heen te laten golven, even . . . Dan kun je schreien en juichen. Dan krimp je in elkaar van heerlijkheid. Dat is oneindige zaligheid. „O God! Gij zijt mijn God! Ik zoek U in de dageraad". Als de schemering het duister gaat verdrijven, als Gods aarde weer ontwaakt, dan gaat mijn hart uit naar Hem. Dan roep ik: O God, kom! O Eindeloze, kom van de einders en vul mijn eindigheid! O Heilige, kom en verschroei al mijn zondigheid. O Stille, vlak het lawaai in mij uit. O Geest, verzeng het vlees in mij. O Allerhoogste, kom tot mij, de allerlaagste. „Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water" (ps. 63:2 - „Vlees" heeft hier niet de betekenis van de zondige natuur, zoals bij Paulus). Nergens kan ik water vinden dat de dorst van mijn ziel lessen kan. Dat kan God alleen. Hij is het eeuwige, klaterende water dat mij besproeit ten leven. Hij is de wijn, die mij dronken maakt. In Hem ben ik zalig, rust ik oneindig uit. „In de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen; mijn ziel kleeft U achteraan" (v. 8-9). Ik ben verkleefd aan God. Ik hang Hem aan. Ik ben altijd op zoek naar Hem, want in Hem is de onvoorstelbare rijkdom van mateloze liefde. „Hij voert mij aan zeer stille wateren" (ps. 23:2). Die stilte wordt dan tot de diepste melodie in je. Het is bovenwereldse stilte. De stilte van het hemelse, de stilte van de aanbidding. „Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Immers Hij is mijn rotssteen" (ps. 62 : 2-3).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1984

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De mystiek van Kohlbrugge

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1984

In de Rechte Straat | 32 Pagina's