In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

PAS OP VOOR OPLICHTERS IN PRIESTERKLEDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PAS OP VOOR OPLICHTERS IN PRIESTERKLEDING

12 minuten leestijd

Het bovenstaande is de titel van een artikel, van Karl Dömens in het mei-juninummer 1983 van het r.-.k. blad „Mission", dat in München wordt uitgegeven. Het is vertaald in het Engels en opgenomen in de juli-uitgave van „ Vaidikamitram ", een blad voor depriesters in India. We citeren daaruit:

De patiënten van een van de katholieke ziekenhuizen in Westphalen hebben een grote som geld bij elkaar gebracht voor een parochie in Vadakara, Kerala-India. Twee vriendelijke Indiase priesters hadden hen in gebrekkig Duits verteld dat hun parochie van Sint Jozef in Vadakara in grote nood verkeerde. Ook in verschillende andere steden van Duitsland hebben ze gecollecteerd voor dit doel. De katholieken van Vadakara hebben natuurlijk nooit iets van dat geld gezien, want … in Vadakara bestaat er geen Sint Jozef-parochie.

Misselijke missen - miljonair

Het schijnt dat vooral Duitsland door dit soort oplichters wordt afgestroopt. „Wij werken uitsluitend onder de ärmsten van de armen", zo schreef Augustine Puthua een gesuspendeerd priester (= die de mis niet mag opdragen), in een rondzendbrief aan veel adressen in Duitsland. Hij voegt daaraan toe: „Wij hangen voornamelijk af van misstipendia (= het honorarium dat de priester ontvangt voor het lezen van een mis). Daarom verzoek ik u vriendelijk om wat misstipendia te sturen".

Hij ondertekent met „de uwe in Christus", maar door middel van dit vrome bedrog is hij reeds een roepie-miljonair, aldus de aartsbisschop van Ernakulam. (Maar deze aartsbisschop van Ernakulam is zelf multi-miljonair - zie de Open Brief van pr. Pulikunnel op p. 11 HJH).

Een andere Indiase priester wist 4000 misstipendia te verzamelen om daarmee een goede financiële basis te kunnen leggen voor zijn huwelijk.

Negentig procent van de bedelbrieven zijn uit India.

Negentig procent van alle bedelbrieven uit de Derde Wereld komen uit India, aldus een schatting van deskundigen.

Ook mensen die uit het westen naar India komen voor hun vakantie, worden daar soms om de tuin geleid door priesters en gaan dan in hun naam een inzamelingsaktie voeren in hun land.

Zelfs als de giften vanuit het westen werkelijk de behoeftigen in de derde wereld bereiken, dan nog moet men er voorzichtig mee zijn. Het kan namelijk de oorzaak ervan worden dat het onderscheid tussen de rijken (= degenen die gesteund worden) en de armen nog groter wordt. Aldus onlangs een bisschop van Tanzania. Katholieken die zo maar wat geven aan de eerste de beste, die via bedelbrieven bij hen aanklopt, laden daarom een grote verantwoordelijkheid op zich.

(Aldus het r.-k blad „Mission")

Antipapisme en laagstaand gekrakeel?

In Trouw verscheen een artikel van dhr. A. J. J. Klei dat tot titel droeg: „Zo getuigt dominee Hegger", met als inhoud voor het grootste gedeelte citaten uit ons juli-augustusnummer.

Daarop verscheen het ingezonden stuk, zoals hiernaast geplaatst, plus een naschrift van de redaktie van Trouw.

Het leek mij goed daarop te reageren.

MIJN ANTWOORD

Zo getuigden zij

Jezus: „Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Slangen, adderengebroed, hoe zult ge het hellevonnis ontkomen?" (Mat. 23).

Paulus: „Wacht u voor de honden, de saboteurs, de versnedenen" (Fil. 3 : 2).

Jakobus: „Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders, roept luid… tot de oren van de Heere. Gij hebt op aarde gezwelgd en gebrast, gij hebt u vetgemest voor de dag van de slachting" Gak. 5 : 4-5).

Johannes: „Als iemand bij u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom" (2 Joh. 10).

Petrus: „In hun hebzucht zullen zij (de valse leraars) u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen" (2 Petr. 2 : 3). Judas: „Die mensen zijn een schandvlek op uw liefdemaaltijden, waar zij zich schaamteloos te goed doen en alleen voor zichzelf zorgen" (v. 12).

(De citaten zijn uit de r.-k. vertaling.)

Ik heb waardering voor Trouw:

1. Vanwege de stukjes van A. J. J. Klei. Die humor zou ik niet graag willen missen, vooral omdat het over het algemeen milde humor is, die wil doorprikken door allerlei vrome of niet-vrome schijn. (Merkwaardig dat juist zijn laatste stukje over mij slechts weinig humor bevatte, maar voornamelijk ironisch van toon was, zoals de redaktie van Trouw opmerkte. En ironie, of de ergste vorm daarvan: het sarcasme, is iets anders dan humor).

2. Vanwege de poging van de redaktie om objektieve informatie te geven en niet in de eerste plaats sensatie aan de lezers op te dissen. Wél heb ik gemerkt uit brieven die Trouw-lezers mij zonden, dat in de rubriek „Ingezonden stukken" niet iedere mening een gelijkwaardige kans krijgt. Overigens kent Trouw duidelijk een journalistieke erecode en probeert die ook in praktijk te brengen.

Ik meen echter dat Trouw in dit geval die erecode enigszins uit het oog heeft verloren. Ik kan niet inzien dat het Trouw siert: a. wanneer de redaktie op mijn zakelijke argumenten alleen maar weet te antwoorden met een scheldkannonade: „sterk antipapisme"; b. wanneer de redaktie deze zware betiteling plaatst na een ingezonden stuk, waarin mij haat wordt verweten. Het is wel erg goedkoop om je op deze manier af te maken van de argumenten van een tegenstander.

3. Omdat Trouw partij kiest voor de maatschappelijk armen in de wereld. Daar staat echter tegenover dat Trouw de geestelijk-armen volledig in de kou laat staan. Een duidelijk bewijs was dat Trouw onlangs een nieuwe hoofdredakteur had aangezocht, die uitgesproken vrijzinnig is en die zich slechts „om persoonlijke redenen" heeft teruggetrokken.

Geen enkele waardering kan ik dan ook hebben voor de geestelijk-nivellerende tendens van Trouw. Het christendom dat Trouw bepleit, is nl. een grijze, grauwe, weke, troosteloze massa. En ik gruw van de advertenties in Trouw over huwelijk en samenwonen.

Nu mijn vragen:

1. Als Jezus zó de schriftgeleerden en Farizeeën „aanpakt" (om in de termen van dhr. Klei te spreken), maakt Hij zich dan ook schuldig aan een „sterk antipapisme"? In die tijd zou men dat misschien „anti-farizeïsme" genoemd hebben.

2. Trouw keert zich terecht vaak tegen de politieke dictators van Latijns Amerika en komt op voor de onderdrukten en uitgebuiten in die landen. Waarom verheerlijkt Trouw dan de meest absolute dictator, die ooit heeft bestaan? Volgens de r.-k. leer beschikt de paus over „het absolute leergezag, de absolute bestuursen rechtsmacht". Waarom geen woord van meeleven met hen die als onderdrukten en geestelijk-uitgebuiten zuchten onder dit harde stelsel, dat degenen die daartegen in opstand komen, meent te kunnen straffen met eeuwige-doodsvonnissen. Wie zich keert tegen het absolute, dictatoriale gezag van de paus, wordt gestraft met het onuitblusbare vuur van de hel.

3. Jezus heeft Zich gekeerd tegen de leidslieden van Israël, die niet eens pretendeerden te beschikken over eenzelfde absolute macht als de pausen, met deze woorden: „Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders" (Mat. 23 : 4 r.-k. vert.). Waarom veroordeelt Trouw dan mij, die hetzelfde aan de pausen verwijt?

4. Terecht brandmerkt Trouw de Zuidafrikaanse wetgeving, die een huwelijk tussen mensen van verschillende huidskleur veroordeelt. Waarom heeft Trouw dan zoveel verering voor de paus, die aan de priesters een huwelijk met mensen van welke huidskleur ook verbiedt en wel op straffe van de eeuwige dood? (Paulus VI was begonnen om aan priesters die daar dringend om vroegen, wél een huwelijk toe te staan, maar deze paus weigert dat pertinent aan elke priester).

5 .Jezus laakt de schriftgeleerden en Farizeeën, omdat die belust zijn op de erezetels en op allerlei eretitels (Mt. 23 : 5 -12) en omdat ze op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen onder de mensen (Mt. 6 : 5); waarom wordt mijn protest tegen de religieuze one-manshow van de paus dan betiteld als „zulk laagstaand gekrakeel over zo'n hoogstaand iemand"? Daarom maakt Trouw ondanks de poging om naast de armen te staan, op mij de indruk van een theologisch erg burgerlijk blad zonder enige profetische gloed; een blad dat opziet naar de kerkelijk-machtigen van deze wereld.

6. Was ik onjuist, toen ik de paus typeerde als een grapjas, omdat hij zich liet fotograferen a. met een mallotig Zwitsers hoedje; b. als kiekeboe-spelend? Iemand die zich zo laat afbeelden, wil toch immers graag voor een grapjas doorgaan? Of niet soms? En ik kan beslist wel waardering opbrengen voor deze roomse humor.

7. Het spreekwoord zegt: „Het is mijn vriend, die mij mijn feilen toont". Waarom noemt men mij dan geen vriend van de paus, wanneer ik uit de Schrift zijn feilen toon? Waarom brandmerkt men mij dan als een anti-papist?

8. Paulus schrijft in 1 Kor. 2 : 1 1 dat niemand weet wat er in een bepaald mens omgaat dan die mens zelf. Op grond daarvan aanvaarden wij allen dat we niet over de innerlijke motieven van een medemens mogen oordelen. Waarom verwijt men mij dan haat tegen de paus of tegen de paus-gezinden?

9. Hoe het ook zij, ik die alleen maar weet waardoor ik gedreven word, spreek hier duidelijk uit dat ik bezield ben door liefde, door grote bewogenheid voor mijn r.-k. medemensen. Ik gun hen zo graag dezelfde rijkdom in Christus alleen, die ik gevonden heb, de bevrijding uit dezelfde druk waaronder ik vroeger ook gezucht heb. „Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door de Heilige Geest) dat het mij een grote droefheid en mijn hart een gedurige smart is; want ik zou zelf (wel) wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders die mijn verwanten zijn naar het vlees" (Rom. 9 : 1 - 3 ).

10. Het feit dat ik zo uitvoerig inga op deze Trouw-affaire, zou de indruk kunnen wekken dat ik mijzelf zo belangrijk vind. Ik heb dat echter gedaan, omdat ik bang ben dat we anders met z'n allen rijp worden gemaakt voor een enthousiaste huldiging van deze paus, wanneer hij straks naar Nederland komt Waar blijven we, wanneer iemand die vanuit de Schrift daar bezwaar tegen maakt, nu al gevloerd wordt met verwijten als „sterk antipapisme" en „haat"? Beginnen wij onze Nederlandse nuchterheid reeds nü opzij te zetten? Wat moet het dan worden als de paus over twee jaar werkelijk komt?

11. Nadat ik het bovenstaande had geschreven, verscheen na een week een tweede ingezonden stuk in Trouw dat een enigszins ander geluid laat horen. Dat versterkt weer mijn vertrouwen in de betrouwbaarheid van Trouw, want ik kon mij onmogelijk voorstellen dat de meerderheid van de Trouw-lezers het eens zouden zijn met het eerste ingezonden stuk. Sommigen van hen zijn ook abonnee van In de Rechte Straat en weten dus dat mijn positieve getuigenis minstens even sterk is als mijn aanklacht. Hiernaast het tweede ingezonden stuk.

TOT SLOT

Nadat ik bovenstaande geschreven had en een copie daarvan gezonden had naar Trouw, met het verzoek om een antwoord, wanneer ik de mening van Trouw toch niet helemaal juist zou hebben weergegeven, verscheen nog een laatste ingezonden stuk in Trouw, dat ik hiernaast afdruk. Ik moet daaruit konkluderen:

1. ofwel ik heb mij vergist en is de meerderheid van de Trouwlezers van oordeel dat je de aanspraken van de paus op zijn absolute macht niet mag bestrijden vanuit de Bijbel;

2. ofwel er zijn wél reakties in die geest bij Trouw binnengekomen, maar Trouw heeft geweigerd die te plaatsen.

Wat betreft de Gereformeerde Kerk die ik verlaten heb, niet ik ben van geloofsovertuiging veranderd, maar de Gereformeerde Kerk(en). Toen ik in 1949 vanuit Brazilië naar Europa kwam, stond ik voor de vraag: Bij welke van de vele kerken in Nederland moet ik mij aansluiten? In alle toonaarden werd mij toen voorgehouden: Natuurlijk bij de Gereformeerde Kerk, want die is de meest zuivere openharing van het lichaam van Christus. Fn de Ned. Hervormde Kerk werd mij voorgeschilderd als één hoopje afval.

Maar de Ger. Kerk is radikaal veranderd. Ze is niet meer een belijdende kerk zoals in 1949, maar ze is - om een uitdrukking van ds. C. Mak, voorzitter van de vóórvorige gereformeerde synode, te gebruiken geruisloos veranderd in een modaliteitenkerk.

Kan mik een totaal-veranderde kerk het mij kwalijk nemen dar ik haar verlaten heb? We zijn toch niet verplicht om als een nummer van de grote massa blind de kerkleiders te volgen? De Bijbel zegt zelfs: „Gij zult de meerderheid in het kwade niet volgen" (Fx. 23 : 2). (Maar zulk een beroep op de Schrift zal voor Trouw nauwelijks enige waarde hebben).

Toen ik de Ger. Kerk verliet, stond ik opnieuw voor het kerkelijke vraagstuk. Door intense bezinning vanuit de Schrift, met name over wat de Schrift zegt over het Verbond, ben ik tot het inzicht gekomen dat we de Ned. Hervormde Kerk moeten zien als een kerk, die zich niet in eerste instantie baseert op een belijdenis, maar op het genadeverbond Gods, dus als de kerk van het volk Gods in Nederland. Daarom heb ik dan ook het lidmaatschap van die kerk aangevraagd. (Ik weet dat veel lezers van IRS daar anders over denken; maar ik heb het steeds gewaardeerd dat de lezers elkaar en dus ook mij vrijlaten en elkaar respekteren in de verschillende opvattingen over het kerkelijke vraagstuk; en wel, omdat we één zijn in dezelfde belijdenis van de drie Sola's: Alleen de Schrift, alleen door genade, alleen door geloof = alleen door Christus).

Op dezelfde morgen waarop bovenstaand slotstukje in Trouw stond, kreeg ik een brief van een Ned. Hervormd predikant, die ik met zijn verlof hieronder laat volgen.

Zeer geachte collega Hegger

Nadat ik al vele jaren uw blad lees en nadat u uw jubileum hebt mogen vieren, voel ik mij gedrongen u even te schrijven en dank te zeggen voor uw blad en voor de artikelen, die u daarin schrijft. Menigmaal heb ik in uw blad steun gevonden voor mijn geloofsleven. Ik heb mijn vrouw door een verkeersongevalplotseling verloren, voeg daarbij ook nog wat lichamelijke moeilijkheden, en dan snapt u wel dat je het in het geloofsleven nogal eens moeilijk kunt hebben. Des te meer ga dan beseffen dat het niet ónze trouw is waardoor wij kunnen volharden, doch de trouw van Hem die Zijn leven gaf voor ons. Daarin heeft uw schrijven mij gesterkt en ik dacht dat het goed was dit ook eens te schrijven.

H. L. P.

REAKTIE:

Wat kun je je gesterkt voelen door deze gemeenschap der heiligen. Het is zo goed dat voor elkaar uit te spreken, want dan merk je dat je geen uitzondering bent. Ook ik word nog al eens aangevochten in mijn geloofsleven. En zoals ik blijkbaar - doet hij dat nu omgekeerd mij door zijn brief. Zo troost Christus ons door de leden van Zijn lichaam: „En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede" (1 Kor. 12 : 26).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PAS OP VOOR OPLICHTERS IN PRIESTERKLEDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's