Schandelijke handel in missen
Deze handel in missen is echter al heel oud. In het boek: „De waanzinnige veertiende eeuw" kunt u erover lezen. Maar ook de ex-priester Chiniquy heeft er reeds over geschreven in de vorige eeuw. Hij vertelt in zijn boek (Duitse uitgave, p. 48) dat de bisschoppen van Canada misstipendia verzamelden voor $ 1,25, terwijl ze die doorstuurden naar Frankrijk om daar door arme priesters te laten lezen voor… slechts 25 dollarcent. De bisschoppen staken dus van die $ 1,25 één dollar in hun eigen zak.
Ook de uitgave van de Patres Graeci en Latini van Migne, die miljoenen moet hebben gekost en die slechts het bezit is van grote bibliotheken, is mogelijk gemaakt door eenzelfde internationale schandalige handel in missen.
Schandalig noem ik dat; immers volgens de r.-k. leer is de mis de onbloedige vernieuwing van het bloedige offer van Golgotha. Judas heeft daar dertig zilverlingen mee verdiend. De R.-K. Kerk verdient er nog jaarlijks miljarden door. Aan dat stinkende geld kleeft het bloed van Gods Zoon.
In de brief aan de Hebreeën lezen we: „Want als wij, na de kennis van de waarheid ontvangen te hebben, moedwillig zondigen, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar alleen een schrikwekkend uitzicht op een oordeel en een begerig vuur, dat de vijanden van God verteren wil. Wie zich niet stoort aan de wet van Mozes, wordt op het getuigenis van twee of drie personen zonder pardon ter dood gebracht. Moet dan hij die de Zoon van God veracht, die het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd is, profaneert, die de Geest van Gods genade durft honen - moet zo iemand niet veel strenger gestraft worden" (10 : 26 - 29 r.-k. vert.).
Touwtrekken om Judasloon
In L'Oss. Rom. EE van 25 juli las ik:
„Op 17 juni heeft het parlement van Malta een dekreet aangenomen onder de titel: Wet betreffende omwending van sommige kerkelijke goederen, 1983".
Een van de bepalingen van die wet luidt:
„Roerend of onroerend goed dat gegeven is aan kerkelijke lichamen en waarvan de bestemming is dat op grond van de rente daarvan op vaste tijden missen worden gelezen, vervalt aan de staat na tien jaar, indien de oorspronkelijke eigenaars die goederen niet opeisen. De staat moet de opbrengst dan besteden voor educatieve doeleinden".
De aartsbisschop van Malta, J. Mercieca, heeft daarop een brief in alle kerken laten voorlezen, waarin hij de regering aanklaagt vanwege schending van een fundamenteel recht van de mens. Hij schrijft o.a.: „De mis is een geestelijk goed en daarom heeft alleen de paus zeggenschap daarover. Hij alleen kan soevereine beslissingen nemen over de misstipendia".
Onze vragen:
1. Als de mis een geestelijk goed is, waarom dan dit gevecht om de ping-ping?
2. Waarom dan de gelovigen op deze manier opzetten tegen een regering, die bang is dat op deze manier het hele eiland langzamerhand het eigendom wordt van de groot-grondbezitter, Rome?
3. Hoe geheel anders is de boodschap geweest, die Paulus naar Malta heeft gebracht! Zie Hand. 28 : 10. „Zo heeft ook de Heere voor de verkondigers van het Evangelie bepaald dat zij van het Evangelie moeten leven" (1 Kor. 9 : 14 r.-k. vert.), maar niet: „dat zij van de onbloedige herhaling van het bloedige offer van Christus moeten leven".
De R.-K. Kerk beschouwt het kruisoffer als het eerste offer waarvan de mis een representatio = een opnieuw-vertegenwoordigstelling en in die zin een herhaling is. Maar Jezus heeft toch ook niet bij dat eerste (mis-)offer tegen Johannes gezegd: „Ga eens met de pet of met een intekenlijst rond om het eerste (mis-)stipendium bij elkaar te halen".
Het is afschuwelijk dat zulk een bericht in de wereldpers komt. Wat een blamage voor de christenheid!
Protestanten die zo hevig oecumenisch-overspelig lonken naar het machtige Rome, zijn er zelf mede schuldig aan dat het Evangelie op deze manier volkomen ongeloofwaardig overkomt bij niet-christenen.
Rome, Rome, kom tot inkeer! Judas kwam tot het inzicht dat hij onschuldig bloed verraden had. Maar u wilt maar niet erkennen dat u het heilige bloed van Christus verraden hebt en nog altijd verraadt door het te leggen op het altaar van de Mammon, de god van het geld. „Het moet iets vreselijks zijn om in de handen van de levende God te vallen" (Hebr. 10:31 r.-k. vert.). Dat zult u, paus en bisschoppen en priesters, u, Karol Wojtyla en mgr. Simonis, eenmaal ondervinden, wanneer u vóór uw dood niet tot belijdenis komt van deze vreselijke schuld. Aan uw handen kleeft het bloed van Gods eigen Zoon, want u hebt tussen uw duim en wijsvinger laten gaan het geld dat voor u werd neergeteld, omdat u de mis hebt opgedragen of hebt laten opdragen, waarin, volgens uw bewering (die volkomen in strijd is met de Schrift, met name tegen de brief aan de Hebreeën), u op onbloedige wijze het bloedige offer van Christus opnieuw tegenwoordig zoudt stellen.
U hoont aldus de Zoon van God, daar u beweert dat Zijn enige offer van Golgotha niet genoeg zou zijn. Immers volgens het Concilie van Trente dat u nog steeds aanhangt, is elke mis „een waar en echt verzoeningsoffer" (verum et proprium sacrificium propitiatorium). U beweert dat de eeuwige Vader pas dan de zegeningen van dit offer openstelt voor de mensheid, wanneer ü dat offer opnieuw tegenwoordig stelt. Wat een vreselijke machtsaanmatiging, waarvoor u geen enkele grond in de Schrift kunt vinden! Integendeel, de Schrift herhaalt telkens dat dit éne offer van Christus voldoende was en is om hen die in Christus geloven, met God te verzoenen. Ik citeer uit uw eigen r.-k. vertaling van de Bijbel: „Ook hoeft Hij Zich daar niet telkens opnieuw te offeren" (Hebr. 23 : 25). Hoe haalt u het dan in uw zondige hoofd om daar keihard tegenover te beweren: „Nee, dat is niet waar! Christus moet Zichzelf telkens opnieuw offeren door de handen van de r.-k. priesters".
„Want door één offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen, tot volmaaktheid gebracht" (Hebr. 10 : 14). Kunt u dan niet tellen? Er staat: „dooréén offer". Hoe kunt u dan de mensheid proberen wijs te maken, dat het niet door één offer is, maar slechts door de ontelbare (mis-)offers van de r.-k. priesters.
Als u dat niet herroept, maar voortgaat met deze hoogmoedige aanmatiging, dan wacht u slechts „een schrikwekkend uitzicht op een oordeel en een begerig vuur, dat de vijanden van God verteren wil". Bekeert u, want: „Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft" (Ez. 33 : 11).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
