ONUITROEIBAAR MISVERSTAND?
Luther maakte het geloof, beter gezegd de act (daad) van geloven, los van de Kerk. Voor hem was geloven een allerindividueelste zaak. Het voorwerp ervan was voor hem niet een leer van de Kerk, of dé leer der Kerk, maar de persoonlijke overtuiging dat Christus hem de zonden niet toerekent en hij op die manier „gered" is. Paul Hacker heeft dit het „reflexief' geloof van de hervormer genoemd, d.i. hij geloofde in wat hij in zichzelf ontwaarde: de zekerheid, het onwrikbare vertrouwen dat hij gered is. Deze zekerheid was voor hem een geloofszekerheid, kortom; zijn geloof. Hij was er overtuigd van, dat dit de opvatting was van St. Paulus en dat de Kerk van Rome van de waarheid was afgeweken door dit niet te aanvaarden. Paus Leo X heeft in 1520 Luther veroordeeld en het Concilie van Trente heeft enkele tientallen jaren later de leer der Kerk op het gebied van geloven, geloof en rechtvaardigmaking uitvoerig gedefinieerd.
Aldus prof. dr. J. P. M. v.d. Ploeg in Katholieke Stemmen van mei '83.
ONS KOMMENTAAR:
Destijds hebben wij er reeds onze verbazing over uitgesproken dat de Nieuwe Katechismus eenzelfde karikatuur gaf van het belijden van de reformatoren; en dat in een tijd waarin er toch veel meer dan vroeger kontakt is tussen Rome en Reformatie. Laten we met alle geduld opnieuw uiteenzetten wat wij belijden.
Natuurlijk is de basis van onze heilszekerheid niet ons eigen geloof. Dan zou die zekerheid rusten op iets in onszelf en dat is wel een zeer wankele basis. Wij belijden - in tegenstelling met Rome - dat de grond van onze heilszekerheid juist ligt in iets, beter: in Iemand, buiten ons, nl. Jezus Christus, onze enige en volkomen Zaligmaker.
Juist de R.-K. Kerk leert de mens om zijn heilszekerheid te zoeken in hemzelf: 1. op de redenering dat de R.-K. Kerk de enige ware kerk van Christus is en die via de sakramenten de uitdeelster is van de genaden;
2. op het gewetensonderzoek of ik geen doodzonde (= zware overtreding van Gods wet) bedreven heb, die ik nog niet aan de priester heb gebiecht.
Terecht leert dan ook het Concilie van Trente dat de mens daarom geen echte bovennatuurlijke zekerheid kan hebben dat hij een kind van God is. Hij kan het niet verder brengen dan een morele zekerheid, die tenslotte slechts gebaseerd is op waarschijnlijkheidsgronden.
Daartegenover belijden wij dat wij al onze zekerheid uitsluitend gronden op Jezus Christus, op Zijn verzoenend lijden en sterven. Hoemeer wij van onszelf afzien en gelovig opzien naar Jezus, des te meer kunnen wij zeker zijn dat wij voor eeuwig behouden zijn:
1. omdat Zijn werk volmaakt is en een oneindige genoegdoenende waarde heeft; Hij is de Zoon in Wie God één en al welbehagen heeft; en door het geloof zijn wij één met Hem en daarom breidt het welbehagen des Vaders zich vanuit Hem ook over op ons.
2. omdat in Hem alle beloften Gods ja en amen zijn (2 Kor. 1 :20). Hij heeft beloofd: „Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47). Welnu, ik geloof in Hem. En dat geloof van mij is niet een eigen prestatie, maar het is gewekt door het zien van Hem, zoals God Hem in het Woord aan mij openbaart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
