In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Jacobus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jacobus

15 minuten leestijd

14. Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?

We kunnen hier meteen al een overeenstemming met Paulus vaststellen: Ook Jakobus leert dat het geloof zalig maakt.

Jakobus houdt zich echter meer bezig met de aard van het geloof dat zalig maakt. Niet élk geloof maakt zalig, zo wil hij benadrukken. Niet élk geloof is een kanaal waarlangs wij het heil ontvangen.

En wat het geloof is dat dan wél zalig maakt, wil hij ons op een voorzichtige manier duidelijk maken. Hij wil ons beslist niet de stuipen op het lijf jagen.

Jakobus is een echte zielszorger met fijn-psychologische trekjes. Hij poneert niet kort en bondig: Zó is het, afgelopen! Hij probeert de lezers mee te krijgen. Hij stelt hen telkens vragen. Die vragen dringen heel diep door in de lezer of luisteraar, althans dat is de bedoeling van Jakobus.

En dat zou ik ook aan u willen voorstellen, wanneer u die brief van Jakobus leest: Word eens even stil onder de vragen van Jakobus. Pas ze toe op uzelf. Durf u de vraag te stellen: Hoe staat het met mijn geloof? Blijkt mijn echte geloof uit de werken?

Leg zulk een vraag niet geprikkeld naast u neer. Zeg niet: „Maar ik ben toch gedoopt. Ik ben toch kind van het Verbond. Ik heb toen en toen Jezus als mijn Zaligmaker aangenomen".

Jakobus wijst op uw werken. Hoe zijn die? Zijn ze vrucht van uw geloof? Want daar gaat het Jakobus om. Ook volgens Jakobus wordt de mens niet zalig op grond van de werken, die hij doet, maar ze zijn wel een levensnoodzakelijk gevolg van het ware geloof, waardoor wij het eeuwige leven ontvangen.

15. Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn en gebrek hebben aan dagelijks voedsel; 16. en iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat heen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd: en gij zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?

In v. 14 heeft Jakobus het met nauwelijks verholen spot gehad over iemand die beweert geloof te hebben, maar zonder goede werken. In hoofdstuk 3 zal hij nog dieper ingaan op de zonde van de tong, waaronder vooral gerekend moet worden de onwaarachtigheid, de schijnheiligheid, het farizeïsme, het bedriegen van jezelf en van anderen.

In v. 15 en 16 stoot Jakobus door naar het praktische leven. Hij wil een herder zijn. Hij heeft een hekel aan algemene en vage beschouwingen. Hij weet dat een mens zich zo heerlijk kan verschuilen achter zijn vrome, theologische stelsel bv. over de verhouding tussen geloof en werken.

Hij wil de lezers daar vandaan halen. Hij zegt: Stel u voor. Er wordt aangebeld. Een arme drommel staat op de stoep. Hij heeft alleen maar wat lompen om zijn lijf. Hij rilt van de kou. Hij is doornat van de regen. En je kunt het hem wel aanzien dat hij staat te rammelen van de honger.

Nog verder drukt Jakobus ons op de keiharde werkelijkheid! U herkent deze verschoppeling als een lid van uw gemeente. Hij is een broeder (of zuster), zegt Jakobus. (Ook daarin is Jakobus als Paulus; zie Gal. 6:10).

En wat gaat u doen? Nee, bars de deur voor hem dichtgooien, dat kan niet. U bent misschien iemand van aanzien in de gemeente, ouderling, diaken, voorganger. Daar zal zeker schande van gesproken worden.

U trekt een heel vriendelijk, allerminzaamst gezicht en haalt de mooiste en vroomste woorden naar boven: „Ach, hoe erg! En het zal nog veel erger worden, want we leven in de eindtijd. (En ondertussen houdt u misschien een hele uiteenzetting over uw toekomstverwachting, een specialiteitje van uzelf, helemaal van uzelf!). Ja, broeder, wat zijn wij begenadigd dat wij dat allemaal weten mogen. Ik wens je dan ook als mede-broeder het allerbeste. Ik hoop dat je spoedig lekker warm gekleed zult gaan en dat je je mag tegoed doen aan een heerlijk diner. Dag broeder, de Heere zegene je. Sjaloom! De vrede!".

Zo slaat u de deur voor de beduusde broeder dicht, die nog even door de kieren mag ruiken aan de warme etensgeuren - de soep zou net opgediend worden. Kan zulk een geloof u zalig maken? vraagt Jakobus. Nu, wat denkt u daarvan?

17. Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood.

Jakobus kent natuurlijk ook de vele uitspraken van Christus dat de mens door het geloof echt gaat leven (o.a. Joh. 6:47). Hij weet ook waarom dat zo is, nl. omdat je door het geloof verbonden wordt met Christus, de eeuwig Levende, de Bron van alle leven.

Wanneer een lamp niet gaat branden, nadat je de knop hebt ingedrukt - een lamp die niet stuk is - dan moet er iets haperen aan de electrische leiding, die de lamp moet verbinden met de electrische centrale. Zo moet er ook iets haperen aan ons geloof in Christus, wanneer wij daardoor niet gaan leven. Dan kan het wel de schijn hebben van echt geloof, maar het is dat niet. Leven behoort wezenlijk bij het echte geloof.

Maar waarin uit zich dan dat leven van het geloof? In de goede werken, zegt Jakobus (en evenzeer Paulus), in een leven overeenkomstig Gods geboden. Niet dat we die wet volmaakt kunnen volbrengen, maar wel daarin dat we die wet van harte liefhebben en jagen naar de levensheiliging: , Jaagt de vrede na met allen en de heiligmaking zonder welke niemand de Heere zien zal" (Hebr. 12:14).

18. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.

Wij gaan voorbij aan de vraag of met de „iemand" een tegenstander of een medestander van Jakobus is bedoeld. Het is in elk geval duidelijk dat Jakobus iemand laat opdraven die de mogelijkheid aanneemt dat de een geloof heeft en de ander werken en dat dit er eigenlijk niet zoveel aan zou toedoen. Je kunt dan zalig worden door het geloof óf door de werken.

En dit ontkent Jacobus ten stelligste. Geloof en werken horen wezenlijk bij elkaar. Je wordt behouden door het geloof, maar dan wel door een geloof dat zich uit in de goede werken.

Jakobus keert zich hier ook weer tegen iemand die beweert geloof te hebben. Je kunt zovéél beweren. Geloof is iets dat uiteraard on2ichtbaar is. Het treedt slechts naar buiten door de goede werken. De waarachtigheid van het geloof kan dus slechts blijken uit de werken.

Ook daarin is er eensgezindheid met Paulus, die immers schrijft over „geloof, door liefde werkende" (Gal. 5:6).

Jakobus zegt: „Ik heb goede werken, maar ik kan je aantonen dat die goede werken uit mijn geloof voortkomen". Jakobus bedoelt blijkbaar dat zijn goede werken niet voortkomen uit een algemene menslievendheid (die in wezen een zelfstreling is, een idealistische zelfhandhaving) of uit zucht om eer te oogsten vanwege die goede werken, maar werkelijk uit de geloofsverbinding met Christus.

19. Gij gelooft dat God een enig (God) is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.

Hier wordt verwezen naar het kernbelijden van de Joden: „Hoor, Israël! De Heere, onze God, is een enig Heere" (Deut. 6:4). Jakobus vermoedt (of weet) onder zijn lezers mensen die denken: Als je toch instemt met dit grondbelijden van de Bijbel, dan moet het toch genoeg zijn. Dan hoef je je verder niet zoveel om de goede werken, de levensheiliging in liefde en gerechtigheid, te bekommeren.

In de Nederlandse situatie zou Jakobus gezegd hebben: „U onderschrijft de drie Formulieren van Enigheid. Prima."

Maar Jakobus ontzenuwt zulk een steunen op de belijdenis zonder bekering met een verwijzing naar de duivelen. Die geloven ook heel zeker dat de Heere een enig God is. Ze kunnen niet anders. Hun scherpe verstand laat geen andere konklusie toe.

Maar het is duidelijk dat dit geloof van hen niet zaligmakend is. Integendeel, dit geloof maakt hen nog méér rampzalig.

Nergens in de Bijbel wordt sterker benadrukt dat een geloof dat in het verstand blijft steken, ons niet redt van de toorn Gods over onze zonden, dan juist in deze tekst.

20. Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?

Het is net alsof het geduld van Jakobus opraakt en hij nu uit zijn slof schiet. „O ijdel mens" - in het Grieks staat: 'kene' dat letterlijk „leeg" betekent. Ik meen dat ons woord „leeghoofd" het beste de betekenis weergeeft.

Het is alsof Jakobus zijn lezer (hoorder) wil wakker schudden: „Kerel, praat toch niet zo dwaas. Denk toch eens na! Ik wil je nu enkele voorbeelden uit de Bijbel geven".

21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar.

We staan hier voor de grote moeilijkheid dat Paulus in Rom. 4:2 ontkent dat Abraham uit de werken zou zijn gerechtvaardigd. Het lijkt alsof Jakobus in tegenspraak is met Paulus.

Dergelijke letterlijke tegenspraak komt in de Bijbel vaker voor. Ik heb daar ook op gewezen in mijn boek: „Het zwaard over de herder". Bijvoorbeeld: De gemeente is „gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten" (Ef. 2:20 èn: „Niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus" (1 Kor. 3:11). „En Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen" (Mat. 16:19) én: „Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft; die opent en niemand sluit en Hij sluit en niemand opent" (Openb. 3:7).

Wat kan de houding zijn tegenover zulke letterlijke tegenspraak? De Bijbelcritici houden ons op grond daarvan triomfantelijk voor dat de Bijbel een boek is vol innerlijke tegenspraak en dus in het geheel niet betrouwbaar.

Anderen gebruiken dergelijke teksten om zichzelf grote macht toe te schrijven. Zo eigenen de pausen zich op grond van Mt. 16:19, de tekst over de sleutelmacht, een absolute macht aan over alle christenen.

De gelovige mens zal echter in geen geval aannemen dat hier sprake is van een inhoudelijke tegenstelling, dus bv. dat Jakobus en Paulus elkaar hier tegenspreken. Zij zullen zich geheel en al verdiepen in dergelijke teksten om een oplossing voor de moeilijkheden te vinden. En vinden ze die oplossing niet, dan blijven ze evenzeer geloven in de volstrekte betrouwbaarheid van de Bijbel en wachten rustig af of de Heere hen misschien toch ooit licht geeft over die moeilijke teksten … of niet.

Laten we dan eens proberen om wat dieper door te dringen tot deze beide teksten. En dan zien we eerst een verschil. Paulus schrijft: „Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God". Het is dus duidelijk dat Paulus wil ontkennen dat de mens DOOR zijn werken rechtvaardig voor God zou kunnen bevonden worden. Dan zou de mens zich tegenover God kunnen beroemen op zijn goede werken.

De vraag is nu: Beweert Jakobus het tegenovergestelde? Zegtjakobus dat de mens niet op grond van zijn geloof, maar op grond van zijn werken door God als een rechtvaardige erkend wordt?

Nee, ook Jakobus zegt (in v. 21) dat Abraham God geloofde en dat dit hem tot gerechtigheid is gerekend. En ook Jakobus laat zien dat er langs de weg van de vervulling van Gods geboden geen heil, geen rechtvaardiging, mogelijk is. Hij schrijft: „Want wij struikelen allen in vele (dingen)" (3:2). „Want wie de gehele wet zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle" (2:10). En ook Jakobus weet dat de straf voor de overtreding van Gods wet de dood is.

Daarom weet ook Jakobus dat wij het moeten hebben van de barmhartigheid Gods en dat wij niet zouden kunnen bestaan voor God, wanneer Hij met ons in het gericht zou gaan: „De barmhartigheid roemt tegen het oordeel" (2:13). Hij is het dus eens met Paulus: „niet uit werken, opdat niemand roeme" (Ef. 2:9).

Jakobus voert als grond voor onze geestelijke rijkdom niet de menselijke prestatie aan, maar de uitverkiezing Gods: „Heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld (om) rijk (te zijn) in het geloof" (2:5).

Jakobus leert ook de wedergeboorte als een werk van God en niet van de mens zelf: „Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn (als) eerstelingen van Zijn schepselen" (1:18). En ook daarin leert Jakobus hetzelfde als Paulus nl. dat wij afhangen van Gods ontfermende wil over ons leven: „Zo (is het) dan niet desgene die wil noch desgene die loopt, maar des ontfermende Gods" (Rom. 9:16).

Het woordje „uit" heeft twee betekenissen

De vraag is nu: Wat bedoelt Jakobus dan met zijn bewering dat Abraham uit de werken is gerechtvaardigd?

Het woordje „uit" kan twee betekenissen hebben; allereerst: „door". En in die zin gebruikt Paulus het in Rom. 4:2. En terecht ontkent Paulus dan dat Abraham door zijn werken zou zijn gerechtvaardigd.

Het woordje „uit" kan echter ook de betekenis hebben van „blijkens". En in die zin gebruikt Jakobus het: Abraham is voor God gerechtvaardigd blijkens zijn werken ofwel: uit de werken bleek dat Abraham gerechtvaardigd was.

En dat is de lijn van het hele betoog van Jakobus. Hij keert zich tegen mensen, die beweren dat je door elk geloof, dus ook een eenvoudige verstandelijke instemming met geopenbaarde waarheden, zalig kunt worden, dus ook door een geloof dat op geen enkele wijze vrucht draagt in goede werken. Dan waarschuwt Jakobus heel dringend: Misleidt jezelf niet; geloof moet blijken uit de goede werken.

Paulus echter keert zich tegen een heel andere groep van mensen nl. tegen hen die nauwelijks enig zondebesef hebben en die menen dat ze op grond van hun „brave" leven voor God kunnen bestaan. Deze mensen die als de farizeeërs stinken van de eigenroem en glimmen van zelfvoldaanheid, worden door Paulus ontmaskerd, wanneer hij vooral in Rom. 3 laat zien dat wij allen onder de vloek liggen vanwege onze vele overtredingen van Gods geboden.

22. Ziet gij wel dat het geloof mede gewerkt heeft met zijn werken en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?

„Een vruchtdragende appelboom is reeds het hele jaar een appelboom, maar in de volle betekenis is hij dat nog niet in januari, maar pas in de herfst, wanneer hij vol met appels hangt. In die zin maakt ook de vrucht (de goede werken) het geloof pas vol" (F. Grünzweig).

Er is een wisselwerking tussen geloof en goede werken. Ook Paulus spreekt over „gehoorzaamheid des geloofs" (Rom. 1:5). Wanneer wij vanuit het geloof gehoorzaam zijn aan Gods opdracht, dan wordt ons geloof daardoor versterkt. Abraham is anders van de berg Moria waar hij bereid was zijn zoon te offeren, teruggekeerd dan hij erheen ging.

En dat is ook de betekenis van Jakobus' vermaning: „Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid werkt" (1: 2-3).

En daarin valt Paulus hem weer bij, wanneer die schrijft: „Oefen uzelf tot godzaligheid" (1 Tim. 4:7). De godvrucht, het geloof, is dus blijkbaar niet slechts een gave van God, maar ook een gave waarmee je werken kunt, als een talent waarmee je winst kunt behalen. Denk aan de gelijkenis van Jezus over de talenten. In die zin schrijft Paulus: „Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergnoeging" (1 Tim. 6:6). (R.-k. vertaling: „Nu brengt de godsvrucht ongetwijfeld grote winst, maar alleen voor hem die tevreden is met wat hij heeft")

23. En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend en hij is een vriend van God genaamd geweest.

Hier gebruikt Jakobus hetzelfde kernwoord Jogizomai" dat bij Paulus zulk een beslissende rol speelt bv. in Rom. 4:3-8. Het betekent: tellen, rekenen, in rekening brengen, aan- of toerekenen.

Abraham ontvangt dus de rechtvaardigheid, niet op grond van wat hijzelf deed, maar op grond van een goddelijke toerekening. Het feit dat Abraham geloofde, was op zichzelf nog geen reden om hem als een rechtvaardige te beschouwen. Hij was enkel een rechtvaardige voor God, omdat de Heere uit louter genade, uit barmhartige liefde, dat geloof van Abraham beschouwde (rekende) als gerechtigheid voor Abraham. Wanneer God met Abraham in het gericht was getreden, dan had Hij ook Abraham moeten veroordelen ondanks zijn geloof. Maar dat is nu juist de genade Gods op grond van de verdiensten van Christus, dat Hij het geloof van Abraham en van ons rekent tot gerechtigheid.

24. Ziet gij dan nu dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit het geloof.

Zie voor de verklaring hiervan vers 21.

25. En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, toen zij de gezondenen heeft ontvangen en door een andere weg uitgelaten?

Zie joz. 2:1 en 6:2 3. Rachab kon wel beweren dat ze geloofde in de God van Israël, maar dat dit haar menens was, bleek pas, toen zij met gevaar voor haar eigen leven de verspieders verborg en ze later weer liet gaan.

26. Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.

Jakobus zet zijn gedachtengang voort met een vergelijking. Hij stelt de vraag: Waaruit blijkt dat een lichaam leeft? Als er beweging in zit, op z'n minst als het ademt. Zo is het ook met het geloof. Waaruit weet je of je geloof (of dat van een ander) leeft en dus echt is? Niet uit allerlei dogmatische uitspraken, niet uit een compleet theologisch stelsel dat iemand heeft opgebouwd, niet uit allerlei vrome woorden, niet uit zijn stellige beweringen, maar uit de vrucht van het geloof: een leven overeenkomstig Gods geboden. „Een geloof zonder werken is niet te vergelijken met een levend lichaam, maar met een lijk dat in staat van ontbinding verkeert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Jacobus

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's