IK KAN….. EN WIL NIET ANDERS
Soms krijg ik nog wel eens te horen: U bent té persoonlijk in uw artikelen. U moet meer zakelijk weergeven wat de Schrift zegt.
Ik moet daar echter op antwoorden dat ik niet anders kan, of ik zou me erg veel geweld aan moeten doen.
Ik heb zelfs moeite om zulke broeders en zusters te begrijpen.
Vanuit de Bijbel komt immers zulk een diepe, de eeuwigheid omvattende boodschap tot je, tot jou heel persoonlijk, dat je daar volgens mij niet zakelijk, afstandelijk op kunt reageren. In de eerste plaats vertelt de Bijbel mij niet slechts dat andere mensen, maar dat ook ik, zo schandalig, zo misdadig leef, dat ik daardoor ter dood veroordeeld ben. Ik beluister in de Bijbel de gruwelijke toorn Gods, die zich niet slechts tegen andere mensen keert, maar ook tegen mij.
Vervolgens ben ik tot de overtuiging gekomen dat dit eeuwige doodsvonnis terecht over mij is uitgesproken. De Heilige Geest heeft mij namelijk door het Woord laten zien dat God zo volmaakt is, dat Hij nooit iets te maken wil en kan hebben met een zondig mens zoals ik ben.
Die overtuiging is dus iets van de Heilige Geest. Ik zeg ja op die veroordeling door God, niet omdat dit nu eenmaal in dat Boek staat dat daar voor mij ligt, maar omdat ik het door de verlichting van de Geest gezien heb dat dit terecht zo in de Bijbel staat.
Ik vraag mij af: Is hier misschien een grondig verschil van visie tussen deze broeders en zusters én mij? Hebben zij die veroordeling misschien alleen maar uiterlijk aanvaard, omdat dat nu eenmaal in de Bijbel staat, die immers onfeilbaar is? Maar dan is het in wezen alleen maar een verstandelijke aanvaarding van een waarheid, zonder dat ze met hun diepste innerlijk, met hun hart, die waarheid hebben aanvaard.
In dat geval kan ik ook heel goed begrijpen dat ze er innerlijk niet door gebroken zijn. Ze staan in wezen nog rechtop voor de Heere, hoewel ze met hun verstand wel erkennen dat ze veroordelenswaardig zijn.
Maar als je werkelijk met je hele wezen, met die kern van je, die de Bijbel het hart van de mens noemt, erkent dat je terecht ter dood bent veroordeeld en alleen nog maar blij mag zijn, dat de executie nog steeds is uitgesteld, - hoe kun je over zulk een mededeling puur-zakelijk schrijven? Moet zo iemand zich dan niet de vraag stellen: Geloof ik dat wel echt?
En als God dan op je afkomt… niet om jou over te leveren aan de beul, de duivel, maar met de vriendelijke uitnodiging: „Hier is Mijn Zoon; Ik heb Hem naar deze wereld gezonden om in plaats van degenen die in Hem geloven, het eeuwige doodsvonnis te ondergaan; geloof in Hem, dan ga je niet verloren in de eeuwige dood, maar dan ontvang je het eeuwige leven in Mijn verzoenende Vaderliefde" … Als deze God niet met grimmige voetstappen en met een vertoornd gelaat op jou afkomt, maar ineens stralend vóór je staat als de Vader der barmhartigheid … Als dat je overkomt, en wanneer dan uit de diepste diepten van je ziel, door de werking van de Geest, de juichkreet van het geloof in je naar boven springt: , J a Heere, ik geloof in Uw Zoon" … kun je dan ooit zakelijk over deze dingen schrijven?
In elk geval ik kan dat niet. En ik wfl het ook niet. In de eerste plaats omdat God dankbare mensen wil. „En weest dankbaar!" (Kol. 3:15). „Dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heere Jezus Christus" (Ef. 5:20).
Wanneer wij een cadeau hebben gekregen, dan tonen we toch immers ook onze blijdschap niet alleen aan de gever, maar ook aan anderen. We laten dat geschenk aan iedereen zien om het te laten bewonderen.
Zo gebeurt dat in een huisgezin. Maar wij zijn als gelovigen een hemels huisgezin, waarvan God de Vader en Jezus, Gods Zoon, de oudste Broeder is (Rom. 8:29). Maar als dat waar is, dan is het toch ook volkomen normaal dat we aan elkaar als broeders en zusters vertellen, hoe blij we met dit Godsgeschenk zijn. Je hoeft je toch ook niet tegenover je eigen huisgenoten in te houden. Waarom zou dat dan wél moeten in het huisgezin Gods? In dat huisgezin zijn we zelfs nog inniger met elkaar verbonden nl. als leden van eenzelfde lichaam waarvan Christus het Hoofd is.
We kennen toch immers het verhaal van de tien melaatsen. Ze werden allen genezen, maar slechts één keerde terug en … dat was niet een Jood (we zouden zeggen: een kerkmens), maar een Samaritaan (een buitenkerkelijke). Jezus heeft toen toch ook niet gezegd: „Laten we zakelijk blijven; ze zijn genezen en daar ging het om". Maar Hij stelde de vraag: „Zijn niet de tien gereinigd geworden en waar zijn de negen?" (Lukas 17:17).
Het minste wat die negen anderen hadden kunnen en moeten doen, was tegen die Samaritaan zeggen: „Jij gaat toch terug naar Jezus, bedank jij Hem tevens namens ons".
Waarom kan men dat in dit geval dan ook niet doen? Ik begrijp heel goed dat anderen niet zo gemakkelijk uit hun woorden komen, wanneer ze hun dankbaarheid tegenover Jezus willen uiten. Maar waarom kunnen ze dan niet blij zijn dat een ander wél die gave heeft gekregen? En waarom kunnen ze dan niet instemmen met zijn dankbaar loflied op de genade van Christus, die ook zff hebben gekregen? Ik wil over niemand oordelen, maar zulk een houding doet mij wél denken aan het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem, toen de discipelen Hem toezongen:
„Gezegend (is) de Koning die daar komt in de Naam des Heeren. Vrede (zij) in de hemel en heerlijkheid in de hoogste (plaatsen). En sommigen van de Farizeeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. En Hij antwoordende zeide tot hen: Ik zeg u dat, zo dezen zwijgen, de stenen haast roepen zullen" (Lukas 19: 38-40).
Ook vanwege onze r.-k. lezers wil ik niet toegeven aan die druk, die door sommige puur-zakelijk ingestelde protestanten op mij wordt uitgeoefend.
Het is mogelijk dat er protestanten zijn, die genieten kunnen van een haarscherpe, maar kille analyse van Bijbelteksten. Maar wij, gewezen rooms-katholieken, weten dat een rooms-katholiek daar beslist niet door geboeid wordt. Hij zoekt naar echtheid en leven. Hij wil weten of degene die spreekt of schrijft, ook zelf achter zijn boodschap staat en het persoonlijk beleeft.
En ons blad heeft hén toch in de eerste plaats op het oog en niet dergelijke nuchtere protestantse exegetische puzzelaars.
Overigens meen ik dat verreweg de meesten van onze abonnees het op prijs stellen dat ik bij mijn artikelen niet voortdurend tegen mijn hart zit te redeneren: „Hou je koest! Laat vooral niet blijken dat de bijbelse boodschap die je verkondigt, jou ook persoonlijk raakt tot in je laatste vezels. En alstublieft geen tranen van berouw en nog minder van blijdschap om je verlossing. Dat is niet netjes".
Laat de Schrift beslissen
Daarom heb ik in dit nummer nog al wat Bijbelstudies geplaatst. Ik meen dat daaruit blijkt dat ons geloof doorleefd moet zijn. Geloof zonder bevindelijkheid is niet het geloof dat zalig maakt. Zowel Jakobus en Johannes, maar even goed Paulus getuigen dat.
Vanwege die Bijbelstudies is dit nummer wat zwaarder uitgevallen dan gewoonlijk. Maar ik meen dat we dat ervoor over moeten hebben, want het gaat hier om een kwestie die van levensbelang is zowel voor de afzonderlijke christen als voor de kerk als geheel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
