ONUITSPREKELIJKE VREUGDE?
Wat zou de reaktie zijn van de leden van een kerk van de koud-zakelijke, louter voorwerpelijke richting, wanneer de apostel Petrus eens bij hen in de dienst zou voorgaan en zijn preek aldus zou beginnen: „… in Wie (Christus) gij u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8)? Mogelijkheden:
1. Waar hebt u het over? Het is toch de gewoonste zaak van de wereld dat God Zijn Zoon gezonden heeft om ons, uitverkorenen, door Zijn lijden en sterven te verlossen van de eeuwige dood, die wij verdiend hadden. Moet u zich daar nu zo druk over maken? „Onuitsprekelijke en heerlijke vreugde"? Kom, kom, niet zo overgeestelijk! Dat is ziekelijke bevinding, vals mysticisme.
2. Zou de scriba zich niet vergist hebben? Is dit wel een predikant van ons kerkverband?
3. Inderdaad, broeder Petrus, wij ervaren ook die onuitsprekelijke en heerlijke vreugde in Christus. Maar vindt u het niet geweldig dat wij dat zo goed weten te verbergen, dat niemand daar iets van merkt? Zeker niet een buitenstaander, die toevallig bij ons zou binnenwandelen. Maar ook onder elkaar: Wij weten ons daarin uitstekend te beheersen. We spreken uitsluitend over ons geloof, maar nooit uit ons geloof, want we vinden dat gevaarlijk-ongezond. En onze predikant? Die geeft altijd een haarfijne, afstandelijke uitpluizing van de tekst. Nooit laat hij merken dat die tekst hem ook persoonlijk geraakt heeft. Toen wij hem beriepen, heeft hij ons beloofd dat hij nooit iets van zijn gevoelens zou laten blijken. Wij moeten niets hebben van sentimentaliteit op de kansel. En hij heeft zich daar ook strikt aan gehouden. Hij past een tekst ook nooit op ons toe. Nooit stelt hij ons de vraag: Bent u wel wedergeboren? Hebt u een persoonlijke geloofsrelatie met Christus? Hij laat de toepassing helemaal over aan de Heilige Geest. Hij verklaart alleen maar het Woord en daarmee basta.
In het verre verleden is het eens gebeurd dat een kerkganger zijn onuitsprekelijke en heerlijke vreugde niet kon bedwingen en daaraan zelfs tijdens een dienst uiting heeft gegeven. De kerkeraad van toen heeft hem daarover duchtig onderhanden genomen. En toen het hem nog eens overkomen is, heeft de kerkeraad gedreigd hem van het Avondmaal te zullen weren vanwege ordeverstoring en dus zonde tegen het vijfde gebod. Dat heeft geholpen en sindsdien heeft onze gemeente nooit meer last gehad van dergelijke excentrieke gevoelsmensen.
En als Paulus tot zulk een gemeente zou zeggen: „Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn" (Rom. 8:16), zou de kerkeraad hem dan niet na afloop berispen: „Broeder Paulus, u bedoelde natuurlijk dat het Woord aan onze geest verzekert dat wij kinderen Gods zijn. Wij verzoeken u daarom, als u nog eens bij ons preken mag, zulke uitdrukkingen als het getuigenis van de Geest in onze harten niet meer te gebruiken. Dat loopt zo gemakkelijk uit op geestdrijverij"?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
