Wij delen in de
Kabod
Het Oudtestamentische woord voor heerlijkheid is „kabod". Het daaraan beantwoordende werkwoord „kbd" betekent in eerste instantie „zwaar zijn". Zo komt het o.a. voor in Job 6 : 3: „Och, of mijn verdriet recht gewogen werd en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeën".
Maar vaker wordt het figuurlijk gebruikt nl. „van gewicht zijn, in aanzien staan, geëerd zijn vanwege zijn belangrijkheid, voornaamheid". Zo: „Zijn kinderen komen tot eer" (Job 14 : 21).
In Jes. 66 : 5 lezen we: „Dat de Heere heerlijk worde!" En hoe dat gebeurt, wordt ons beschreven op imponerende wijze in v. 15, als de Heere de haters van Israël gaat verdelgen: „Want ziet, de Heere zal met vuur komen en Zijn wagens als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden en Zijn schelden met vuurvlammen".
Die heerlijkheid des Heeren werd vooral zichtbaar door het neerdalen van de Heere en het wonen onder Zijn volk. Dat wonen Gods te midden van Zijn volk gebeurde in verhulde vorm, voornamelijk in de glanzende wolk. Anders zou het volk de aanwezigheid Gods niet kunnen verdragen, want Hij is als een verterend vuur. Een mens die Hem rechtstreeks zou zien, zou sterven. „Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des Heeren vervulde de tabernakel" (Ex. 40: 34).
Doxa
„Doxa" is het Griekse, Nieuwtestamentische woord voor „heerlijkheid". Dat komt van het werkwoord „dokeoo" = schijnen, toeschijnen, dunken, menen. „Doxa" betekent dus oorspronkelijk de mening, die ik over iemand heb, de dunk, vooral de goede dunk over hem. Vandaar betekent het: a. de eer, heerlijkheid, die aan iemand gegeven wordt, het huldebetoon; b. de eer, heerlijkheid die iemand bezit, ook al zou die niet door anderen worden opgemerkt of erkend.
Zo bezit Christus de heerlijkheid en de eer van God, doordat Hij uit de doden werd opgewekt, opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand Gods, de almachtige Vader, en als bewijs van die heerlijkheid de Geest des Vaders heeft uitgestort op de pinksterdag.
De heerlijkheid van Christus over mij
Het hele derde hoofdstuk van 2 Kor. handelt over de heerlijkheid Gods van het O.T. in vergelijking met die heerlijkheid zoals die in Christus geopenbaard is in het N.T. En dan zegt Paulus dat de heerlijkheid die van Mozes uitstraalde, in het niet valt bij de heerlijkheid, die óns ten deel is gevallen door het geloof in Christus. Hij eindigt dat hoofdstuk aldus:
„En wij allen, met ongedekten aangezicht de heerlijkheid des Heeren (als) in een spiegel aanschouwende (deze vertaling is mogelijk, maar waarschijnlijker is een andere vertaling, gezien de context, nl.: „de heerlijkheid des Heeren weerspiegelende"), worden (naar) hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest".
Wanneer wij tot waarachtig geloof komen, worden zelfs onze lichamen omgevormd tot een tempel van de Heilige Geest (1 Kor. 6 : 19). Dan daalt de heerlijkheid Gods over ons en in ons neer, zoals dat gebeurde met de heerlijkheid Gods, die zich legde op de tabernakel, later op de tempel en daarin wonen ging. En die heerlijkheid Gods woont ook in mij in een verhulde vorm nl. in Jezus Christus, want als ik thans als zondig mens rechtstreeks de heerlijkheid Gods zou aanschouwen, zou ik op hetzelfde moment door dit verterende vuur verslonden worden en sterven. In het volgende artikel wil ik wat dieper ingaan op de heerlijkheid van Christus in mij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
