HET EIGENE VAN HET BLAD IRS
Soms kunnen we ons niet inhouden en moeten we gehoor geven aan de oproep van Hosea 2 : 1 en de moeder waartoe wij eens behoord hebben, de R.-K. Kerk, aanklagen vanwege haar ernstige afdwalingen. Dat gebeurt ook in dit nummer nl. in het artikel: „Het onheilige in het Heilig Jaar".
U zult echter gemerkt hebben dat wij de laatste jaren steeds meer de voorkeur hebben gegeven aan het indirekte getuigen t.o.v. Rome.
Die indirekte wijze van het getuigend gesprek met Rome bestaat daarin dat wij trachten aan te tonen waarin het bijbelse geloof bestaat, wat het uitwerkt in het hart van de mens, hoe zijn leven daardoor geheel vervuld wordt.
Daardoor heeft ons blad echter ook iets eigens gekregen tussen allerlei andere protestantse bladen.
Je kunt in allerlei kerkbladen prachtige meditaties, uitstekende Schriftoverdenkingen, haarfijne ontledingen van Bijbelteksten vinden. Er bestaat geen behoefte aan nóg eens een dergelijk blad. Dat zou gelijk staan met uilen naar Athene dragen. We zouden daardoor bovendien de indruk wekken alsof wij het beter zouden willen doen dan de andere, bestaande Schriftgetrouwe kerkbladen.
Wanneer je ten dienste van onzer r.-k. lezers wilt laten zien wat een doorleefd geloof is en hoe het zich uit, ontkom je er niet aan, die je diep-persoonlijk bent in je artikelen.
Ik meen ook dat puur-objektieve (voorwerpelijke) Schriftontleding maar weinig rooms-katholieken zal boeien, terwijl protestantse lezers ervan kunnen smullen. De rooms-katholieken zijn totaal anders opgevoed. Zij kennen niet het dagelijkse Bijbellezen zoals dat in de Schriftgetrouwe protestantse gezinnen voorkomt.
Bovendien zijn zij opgegroeid met een groot ontzag voor de kerkelijke leiders. Zij zijn gewend - ook al is dat in onze tijd wel wat anders geworden - om méér naar de persoon te kijken dan naar een zakelijke uiteenzetting van een leer te luisteren. Daarom trachten zij, tussen de regels van artikelen of boeken door, de persoon te ontdekken: Staat hij er zelf met zijn hele hart en met zijn diepste overtuiging achter?
Ik begrijp best dat er een gevaar aan kleeft, wanneer je zo heel persoonlijk schrijft. Dat gevaar is allereerst dat je je persoonlijke beleving van wat de Schrift zegt, stelt boven de Schrift zelf. Maar ik meen dat u gemerkt hebt dat ik daar zelf erg bang voor ben. Steeds probeer ik tot de tekst zelf van de Schrift, dus ook tot de grondkleur van de Hebreeuwse en Griekse woorden, door te dringen. Steeds weer probeer ik eigen beleving te laten corrigeren door het Woord Gods.
Een tweede gevaar is dat zulk een persoonlijke beschrijving averechts werkt. Het is voor niemand prettig om te moeten rondlopen in door anderen gedragen kleding, waarin de eigen lichaamsgeur van die ander nog te bespeuren is. Zo is het evenmin prettig, wanneer een schrijver ons zijn eigen geestelijke kleding opdringt.
Van de andere kant is het ook mogelijk dat iemand zó enthousiast schrijft over wat hij gezien heeft, dat je onwillekeurig met hem gaat meekijken en dan ook door zijn enthousiasme wordt aangestoken en ook zelf de heerlijkheid van wat de ander gezien heeft, gaat ontdekken.
En dat hoop ik door mijn persoonlijke artikelen te bereiken. Ik kan zo gefascineerd zijn door de verschijning Gods in Jezus Christus, de Zaligmaker voor verloren zondaars, dat ik niet kan nalaten iedereen toe te roepen: Moet je eens kijken! Wat een liefde! Wat een goddelijke heerlijkheid! Wat een glans! Wat een genade!
Dr. W. Aalders beschrijft in zijn prachtige boek: „Luther en de angst van het westen" die dubbele houding van Luther tegenover de Schrift.
Van de ene kant plaatste Luther de Schrift boven alles, ook boven zijn eigen belevenissen. „Op kernachtige wijze heeft hij dat in een van zijn beroemde Invocavitpreken in maart 1522 zó uitgedrukt: „Ik heb niets gedaan, het Woord van God heeft alles gedaan en bewerkt… Ik zelf heb niets uitgericht, ik heb slechts het Woord van God laten handelen " pag. 17).
Ik denk dat elk reformatorisch christen het met deze uitspraak eens zal zijn. Wanneer er iets, dat kan strekken tot eeuwige zaligheid, wordt uitgericht door onze woorden heen, dan is dat slechts inzoverre in 0112e woorden het Woord heeft doorgeklonken.
Maar van de andere kant is het duidelijk dat Luther niet bedoelde een puur zakelijke weergave van wat in de Bijbel staat. Over Erasmus schreef Luther:
„De woorden van Erasmus komen niet uit zijn hart. Hij weet niets van Gods genade en van Christus' offerdood. Hij is een lege noot en spreekt zonder inhoud" (Aalders, pag. 22).
En Aalders zelf voegt eraan toe: „Voor Erasmus was het voldoende dat de Schrift als literair dokument ontdaan werd van het stof der eeuwen; Luther verlangde echter wezenlijk méér, namelijk de overbrugging van de afstand van de tijd, waardoor het verleden opnieuw tot een heden wordt" (pag. 24).
Zeer terecht schrijft Aalders verder: „De vulkanische, eruptieve (eruptie = uitbarsting) werking van de Schrift is geen menselijke mogelijkheid, maar louter en alleen een werking die van haarzelfuitgaat en die door het verstand niet berekend of begrepen kan worden. De mens is daarbij geen zelfstandige partij; hij ondergaat slechts haar majesteit en kracht" (pag. 25).
En áls die Schrift in haar majesteit en kracht zich aan jou heeft geopenbaard, dan is er bij ons allen een neiging om daarvan te getuigen. Die neiging proefje ook door dit boek van dr. Aalders heen. Je bespeurt het door de regels heen van wat hij schrijft. Dat is de gemeenschap der heiligen.
En niemand van ons kan de volheid van de Schrift in zich omvatten. Allen zien we slechts een gedeelte van de heerlijkheid Gods, die zich daarin openbaart.
Zo was Luther vooral gegrepen door de openbaring van Gods barmhartige liefde, waardoor hij de goddeloze om niet rechtvaardigt, enkel door de toerekening van de gerechtigheid van Christus langs de weg van het geloof alleen. Daartoe brengt hij alles terug.
En deze leer is inderdaad de basis van ons gehele geloofsleven. Maar er is méér in de Schrift, ook bij Paulus, maar vooral bij Johannes. Er is niet slechts: God is mét ons door Jezus Christus, maar ook: God is in ons door Jezus Christus. De Vader én de Zoon wonen door de Heilige Geest in ons (Joh. 14: 23).
En het is daarvan vooral dat ik zingen wil. Ik wil zingen van onze God, Die mij, de goddeloze, rechtvaardigt (Rom. 5 : 4);
Die ons in Zijn Zoon alles heeft geschonken (Rom. 8 : 32);
Die Zijn Geest in mij heeft uitgestort en mij zo heeft deelgemaakt aan Zijn liefde (Rom. 5 : 5);
Die mij, zondaar, een „onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1 : 8) schenkt in Jezus Christus;
Die mij, onwaardige, door de Geest doet roepen: Abba, Vader (Rom. 8:15);
Die… „Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Ef. 1 : 3). En ik vraag u, lezers: Mag dat het, gedeeltelijk eigene van ons blad zijn, dat ik daarvan zing (dus daarover niet slechts een koude zakelijke exegese geef), zing met heel mijn hart. En als ik dan soms te uitbundig zing, wilt u het mij dan niet kwalijk nemen, want onze God woont onder, troont op „de lofzangen Israëls" (Ps. 22 : 4).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
