In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE HEERLIJKHEID VAN CHRISTUS IN ONS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HEERLIJKHEID VAN CHRISTUS IN ONS

10 minuten leestijd

Paulus schrijft dat wij in gedaante zullen veranderen van heerlijkheid tot heerlijkheid. En ook de heerlijkheid van Mozes waarmee Paulus onze heerlijkheid vergelijkt, was over en in hem. Ze straalde van hem uit, zodat de Israëlieten vroegen of hij zijn aangezicht zou bedekken, omdat ze de glans van Gods heerlijkheid die daarvan afstraalde, niet konden verdragen. Ook de heerlijkheid van ons moet dus in ons zijn en van binnenuit naar buiten uitstralen. Anders zou die vergelijking met Mozes geen enkele zin hebben.

Deze heerlijkheid van Christus in ons moet dus ook beschreven en bezongen kunnen worden. Maar dat is uitermate moeilijk. Door al de brieven van Paulus heen bemerk je de heerlijkheid van Christus, die hij bezit, maar vooral in 2 Kor. 3. Het is of er een vracht van goddelijk licht op Paulus drukt als een onuitsprekelijk zoete last. Je proeft dat door al zijn woorden heen.

Elke echte gelovige bezit iets van die heerlijkheid van Christus, de een méér, de ander minder. En de een zal van God méér de gave hebben gekregen om die heerlijkheid onder woorden te brengen dan de ander. Ik wil hieronder proberen met mijn eigen woorden die heerlijkheid te beschrijven, maar meer dan een ootmoedig stamelen zal het niet zijn.

De Geest verheerlijkt Jezus

Het lijkt mij het beste uit te gaan van wat Paulus schrijft: „De Heere nu is de Geest" (2 Kor. 3:17). Dat sluit aan bij de woorden van Jezus: „ D e (= de Heilige Geest) zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen" (Joh. 16:14). Daarom zei Jezus ook dat het beter voor de discipelen was dat Hij heenging, omdat anders de Geest niet zou kunnen komen (Joh. 16:7).

Op de pinksterdag zagen de discipelen Jezus ineens heel anders. Toen zagen ze Hem als „met heerlijkheid en eer gekroond" (Hebr. 2: 7,9); en nu niet meer in het voorbijgaan zoals gebeurd was bij Zijn verheerlijking op de berg, waarop toch weer de versmading van de doornenkroon was gevolgd, maar voorgoed.

Zo beleef ook ik de heerlijkheid van Christus in mij. Ik zie Hem als de Verheerlijkte: „Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond" (Hebr. 2:9). Als ik door het geloof naar Hem schouw, dan zie ik hoe de glans van de almachtige God Hem omstraalt. Dan zie ik Hem als het evenbeeld Gods, de weerkaatsing van de heerlijkheid van de Vader, de afdruk van Diens wezen, de heilige Echo van het spreken van de Vader, het eeuwige Woord van God, door Wie alles geschapen is. Ik zie Hem volop als mens, maar als verheerlijkte Mens. Hij is doorstraald van de Heilige Geest. De Geest is zozeer één met Hem dat Paulus kon uitroepen: „De Heere nu is de Geest".

Maar dan gaat dat altijd gepaard met een dieper zien en beleven van mijn eigen zondigheid. Dan heb ik de neiging om met Jesaja uit te roepen: „Wee mij, want ik verga, daar ik een man ben van onreine lippen en woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heerscharen gezien" (Jes. 6:5). Maar op datzelfde moment zie ik hoe Jezus mij vanaf het altaar van Golgotha Zijn bloed aanreikt als een, van Gods vergevende liefde doorgloeide, kool (Jes. 6:6), waardoor ik met God verzoend word en aldus voor Hem kan bestaan.

Vanuit die wolk van heerlijkheid waarin Christus dan vanuit het van Geest vervulde Woord Gods verschijnt, zie ik hoe Hij naar mij ziet, vol liefde, vol mededogen, gericht naar mij, mij, die zondige mens. En dat is oorzaak van onzegbare vertedering.

Hij is niet een onpersoonlijke majesteit, een abstrakte wolk van heerlijkheid, een verblindende luister. Alles aan en in Hem is persoonlijk, diep-persoonlijk.

Ik weet hoe Hij heel mijn leven lang geduld heeft gehad met mij, heel persoonlijk. Hij heeft mij mijn zonden en mijn onhebbelijkheden jegens Hem altijd weer vergeven.

Dat is ook een stuk van de heerlijkheid, die ik bij Hem ontdek. Zelfs in de momenten van de allerinnigste eenheid met Hem kan er bij mij nóg een gevoel van zelfbehagen om deze bevoorrechting naar boven komen. Ik heb daar een gruwelijke hekel aan, dat wél. Maar Hij ziet dat toch ook in mij. En Hij moet daar nog meer dan ikzelf een grondige afkeer van hebben.

En toch wil Hij de eeuwig-rustige, de altijd weer vergevende. Dan zou ik willen uitroepen: „Maar, Heere, waarom wordt U dan nooit eens boos op mij? Waarom blijft op Uw gelaat altijd weer die glimlach spelen van de begrijpende, duldende liefde?".

Maar ik weet meteen het antwoord; daarom kom ik ook nooit tot die uitroep. Dat antwoord is het geheimenis van de liefde, zoals God die alleen bezit en zoals Hij die in Jezus Christus heeft geopenbaard. Die liefde komt dan als een oneindige vlam op mij af, maar niet om mij te verteren, maar om mij heel intens te verzekeren dat God werkelijk zó liefheeft (Joh. 1:16). En dan kan ik die liefde proeven met de tong van mijn hart, proeven en smaken hoe goedertieren de Heere is (1 Petr. 2:3; ps. 34:9). Dat is dan bijna niet meer om te dragen. Het is als een vuurpijl Gods midden in je hart. En dan is het of mijn handen druipen van de olie van de Geest (ps. 133), dan ervaar ik „de zalving die gij van Hem ontvangen hebt" en „die in u blijft" (1 Joh. 2:27). Dan ervaar ik dat ik deel heb aan de heerlijkheid van Jezus, die op Zichzelf heeft toegepast: „De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd" (Lk 4:18; Jes. 61:1). Dan beleef ik dat ik waarlijk een christen = een gezalfde (het Griekse woord „christos" betekent „gezalfde") ben, iemand die deel heeft aan de zalving van Christus, die gezalfd werd met de olie van de Geest.

Dan zie ik dus Christus als een onvergankelijk Licht in mij, een licht dat tegelijk volkomen een Persoon is; een licht dat leeft, een licht dat zich in liefde altijd naar mij heenbeweegt; een licht dat mij overweldigt, dat één met mij wordt en tegelijk op een oneindige afstand van mij staan blijft. (Nogmaals: u ziet hoe moeilijk het is om de heerlijkheid van Christus in de gelovige mens te beschrijven).

Louter genade

Een ander aspekt van de heerlijkheid van Christus in mij is het besef dat dit pure genade is. Ik zou willen tegenstribbelen vanwege mijn onwaardigheid: „Heere, U weet toch wie ik ben. Dat kan toch eigenlijk niet! Heere, ik ben er zo diep verlegen onder. Ik ben uit mijzelf alleen maar vlees, zondig vlees; en U bent Geest. In mij is er de trek naar de leugenachtigheid, maar U bent de zuivere waarheid. In mij is er de duisternis, maar U bent louter Licht. In mij is de zonde en het bederf, maar U bent heilig, heilig, heilig".

Maar het is net alsof de Heere pleizier heeft in mijn verlegenheid, alsof Hij mij des te meer wil overrompelen met de gaven van Zijn goedheid, nog inniger mij naar Zich wil toetrekken in de omhelzing van de verloren zoon, nog meer engelen wil laten zingen om deze éne zondaar die tot bekering kwam, om dit éne schaap dat Hij uit de wildernis heeft opgehaald om het op Zijn schouders te dragen naar de schaapstal van Gods veilige liefde.

Wij gaan „van heerlijkheid tot heerlijkheid", zegt Paulus. Inderdaad, wanneer je eenmaal de verheerlijkte Christus in het Woord Gods hebt mogen ontdekken, dan val je van de ene verrassing in de andere. Dan ga je door dalen van duisternis telkens weer naar de bergtoppen van het licht. Dan bespeur je telkens opnieuw in de Schrift meer van de heerlijkheid van Christus. Een Schriftgedeelte, een tekst, een enkel woord kan dan ineens voor je gaan glanzen en je ziet er de heerlijkheid van Christus in. En die heerlijkheid van Christus is steeds de heerlijkheid des Vaders, waarvan ze de weerglans is.

De gemeente tempel van de Geest

Het is ook die heerlijkheid die de gemeente, de tempel van de Heilige Geest, het lichaam van Christus, vervullen moet en mag.

Ik bezocht een oudere dame in het ziekenhuis. Ze was twee keer achter elkaar geopereerd. De dokter had haar gezegd: U zult nooit meer beter worden. Wij spraken met elkaar over de genade in ons leven. Ook zij is rooms-katholiek geweest. We loofden de Heere, omdat Hij ons de ogen geopend had, zodat wij de heerlijkheid van Christus als onze enige en volkomen Zaligmaker waren gaan zien. Maar vooral: wij wisten op dat moment van elkaar dat wij ons richtten op de zelfde Persoon„Jezus Christus. Onze liefde en dankbaarheid gingen uit naar Hem. Daar ontmoetten wij elkaar. Daar wisten wij ons één in Hem en zo met elkaar. Het was alsof we door eikaars ogen en dcor eikaars zielen heenzagen naar Hem.

Waarom treffen we dat zo weinig aan in de kerkdiensten? De gemeente is toch één geestelijke eenheid. „En de menigte van hen die geloofden, was één hart en (één) ziel" (Hand. 4:32). Lijkt het er soms niet op dat de kerkmensen slechts één van verstand zijn nl. één in het onderschrijven van dezelfde leerstellingen? Hoe kunnen we weer terugkeren naar de gemeente als subliem, levend gebouw, als heilige, bewogen tempel van de Geest (Hand. 4:31)?

Ze zei mij dat ze wel eens aangevallen werd door de duivel (en wie van ons niet?). Die hield haar voor: ,Jij hebt heel je leven lang slechts aan jezelf gedacht. Je bent pas zes jaar geleden tot geloof gekomen. Daarmee kun je nooit al die voorafgaande jaren goedmaken".

Maar terwijl ze dat voor mij uitsprak, wist zij: Nee, dat is nu juist de volstrekte genade van God in Christus: Wij kunnen nooit iets goed maken. Dat kan alleen Jezus Christus. Daarom kon de moordenaar aan het kruis zeker weten dat hij, na een misdadig en verloren leven, enkele minuten voor zijn dood voor eeuwig kon worden vrijgesproken door Christus, zodat hij zonder enige verdienste voor altijd mocht binnengaan in het paradijs. (De Heere heeft ook haar intussen tot Zich in Zijn heerlijkheid genomen.).

Lezer(es), waarom zoudt ú dan nog twijfelen aan de barmhartigheid Gods in Jezus Christus? Denkt u dat úw zonden groter zijn dan die van de moordenaar? En al waren ze groter, „al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als (witte) wol" (Jes. 1:18), en de heerlijkheid van Christus zal als een oneindige vrede over en in u komen.


MIJN WEG NAAR HET LICHT

Van dit boek hadden wij 30 exemplaren destijds opzij gelegd. Wij willen die thans ten bate van IRS aan de abonnees ter verkoop aanbieden. Prijs ƒ 9,50 plus ƒ 2,30 verzendkosten = ƒ 11,80. Het zijn dus nieuwe exemplaren van de 12e druk (36- 38ste duizendtal). Wanneer er veel verzoeken zouden binnenkomen, dan kan een herdruk overwogen worden. Wanneer u geen exemplaar krijgt toegezonden, is dat een teken dat de 30 exemplaren reeds verkocht zijn. Aan te vragen bij de Administratie IRS, Postbus 131, 6880 AC Velp G. Tel. 085-634959.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE HEERLIJKHEID VAN CHRISTUS IN ONS

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's