Heilig jaar
1. Het ergste van alles is dat een mens zich de macht aanmatigt te kunnen beschikken over de vruchten van de verlossing door Christus, de Zoon van God. Dit is ronduit godslasterlijk. Redenen:
a. De verlossing is een vrucht van het vreselijke lijden van Christus. We lezen daarover: „(Christus) die in de dagen van Zijn vlees gebeden en smekingen… met sterke roeping en tranen geofferd hebbende… En is Hij een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden" (Hebr. 5 : 7-9). Met geen woord wordt gerept over een mens (een paus) als tussen-oorzaak van wie de vrucht van Zijn verlossing afhankelijk zou zijn. Deze aanmatiging is pure geestelijke diefstal, een wederrechtelijke toeeigening van de vrucht van het lijden en sterven van de Zoon van God.
b. Heel de Bijbel door wordt slechts één toegang genoemd tot de vrucht van de verlossing van Christus en dat is het geloof in Hem. Nergens wordt ook maar enige melding gemaakt van andere voorwaarden, die wij zouden moeten vervullen. Maar deze bul van de paus staat vol met vermelding van voorwaarden, waaraan men moet voldoen, wil men deze vrucht van de verlossing van Christus deelachtig worden.
„Men moet deelnemen aan een gemeenschappelijke viering, georganiseerd op diocesaan (= van het bisdom) niveau of in de plaatselijke parochies".
Daarna worden vijf manieren van zulk een „gemeenschappelijke viering" beschreven.
Vervolgens is bezoek van een voorgeschreven kerk nodig: allereerst in een van de vier basilieken van Rome; maar ook wel in een kerk in het bisdom, die door de bisschop daartoe is aangewezen. Verder zijn er nog speciale faciliteiten voor de zieken en de kloosterlingen, die de gelofte hebben afgelegd dat ze hun klooster nooit zullen verlaten. (Aldus de tekst van de bul in L'Oss. Rom. E.E. van 31 jan. '8 3).
c. Het is een lastering van de mateloze liefde van God de Vader. Paulus schrijft: „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Rom. 8 : 32).
Nee, zegt de paus, de Vader schenkt alleen de vergeving der zonden op grond van de verdiensten van Christus (terwijl ook deze vergeving weer aan allerlei door de pausen gedecreteerde voorwaarden afhankelijk is zoals b.v. de belijdenis van de „doodzonden" aan een priester enz.), maar de kwijtschelding van de tijdelijke straffen van de zonden (= het vagevuur) is daarbij niet inbegrepen. Die moet de mens op andere manier zien kwijt te raken nl. door werken, die hijzelf verricht. En één van die werken is het verdienen van een aflaat, mits de rooms-katholiek daarbij de voorwaarden vervult, die door de paus zijn vastgelegd (zie boven). „Hoe zou Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?", schrijft Paulus. Nee, zegt de paus, want:
1. de paus schrijft behalve volle, ook slechts gedeeltelijke aflaten uit, waarbij men slechts een gedeelte van de straffen van het vagevuur krijgt kwijtgescholden;
2. hij schrijft een jubileumaflaat slechts om de 25 jaar uit.
Onze vraag: Waarom is de paus, terwijl hij beweert te kunnen beschikken over de oneindige verdiensten van Christus en de verdiensten van de heiligen (= de zogenaamde „Schat van de Kerk"), zo karig? Waarom laat hij de zielen nodeloos in het vagevuur, terwijl hij volgens zijn leer ze er ineens uit kan laten vliegen? Waarom alleen maar met mondjesmaat kwijtschelding van die straf verlenen? Als je gelooft dat die zielen op een of andere manier nog in een vuur verkeren, hoe kun je het dan over je hart verkrijgen die mensen daar ook maar een minuut langer in te laten, wanneer je werkelijk overtuigd bent dat jij ze ineens eruit kunt bevrijden? Is dat niet heel erg wreed?
d. Christus heeft de wisselaars uit de tempel geranseld, maar de paus haalt ze er weer in. Het is een feit - en dat weet de paus ook - dat dit miljoenen in het laadje van het Vatikaan brengt (het „heilig jaar" van 1975 zelfs méér dan 1 miljard gulden). Is het niet godslasterlijk het heilige, verlossende bloed van Christus zo dicht in de buurt te brengen van het stinkende geld, vooral ook na de bankschandalen van de Ambrosiaanse Bank, waar het Vatikaan van nabij mee gemoeid is en waar de Italiaanse pers vol van heeft gestaan?
2. Zeer verdrietig is ook dat aldus het Evangelie verduisterd wordt en aan miljoenen een weg wordt gewezen, die voert naar de eeuwige ondergang nl. de weg van het vertrouwen op eigen, menselijke, vrome werken.
Heeft Paulus het dan nóg niet duidelijk gezegd: „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit werken, opdat niemand roeme" (Ef. 2 : 8-9).
Maar de r.-k. leer brengt tot een roemen in de mensen en in hun werken:
a. allereerst tot een roemen in de paus aan wie zulk een macht over dood en leven, macht over de straffen die God Zelf aan de overtreding van Zijn wet heeft gehecht, wordt toegeschreven. Van alle kanten laat hij zich bejubelen als degene van wie het heil, de verlossing van Christus, afhankelijk is;
b. vervolgens tot een roemen in de R.-K. Kerk die alleen over zulk een machtig hoofd zou beschikken. Hoezeer zinken de protestantse kerken met hun kerkeraden en synoden daarbij in het niet!
c. In de derde plaats brengt dit tot een roemen van de mens in zichzelf, omdat hij meent zichzelf (door middel van de aflaathandelingen die de paus heeft voorgeschreven) te kunnen ontdoen van de straffen van het vagevuur, terwijl zijn protestantse buurman dat niet kan.
Kortom, de leer van de aflaat zoals die helaas ook nu nog in 1983, het Lutherjaar, wordt verkondigd en toegepast is een grove schending van het eerste gebod: de liefde tot God boven alles, én van het tweede, daaraan gelijk: de liefde tot de naaste als onszelf.
Zullen er ook nu weer protestanten zijn die mij te hard vinden tegenover deze paus? Laten ze dan wat minder uitbundig zijn in de herdenking van Luther, die over de paus heeft gezegd dat hij is „der allerhöllichste (de meest helse) Vater, Satanitas (= zijne sataniteit), Satanissimus, lästerliche Bube (lasterlijke kwajongen), Götterverächter, groszer und grober Esel, Tölpel (= lummel), Teufelslarve, Schänder (onteerder, verkrachter) der ganszen Christenheit, verlogener (leugenachtige) Bösewicht, Statthalter des Teufels, Hurenwirt (= bordeelhouder, exploitant van hoeren), Erzkirchendief (aartskerkendief)" (Aalders in a.w. blz. 85).
In al deze woorden drukt Luther zijn profetische verontwaardiging uit over zulk een verregaande verkrachting van het Evangelie van Jezus Christus door de leer en de praktijken van de pausen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
