GODS EIGEN HEERLIJKHEID
Hoezeer echter die godheid door de menselijke natuur van Christus kan heenbreken, lezen we in Openb. 1: 13-18. Johannes grijpt naar beelden om dat enigszins weer te geven: Zijn ogen waren als een vuurvlam, Zijn voeten als blinkend koper, Zijn stem als een stem van vele wateren. Zijn aangezicht was als de zon, wanneer die schijnt in haar volle kracht.
Het is dan ook te begrijpen dat Johannes als dood neervalt aan Zijn voeten. Maar wat een zoete verrukking moet er door hem heengegaan zijn, toen hij voelde dat Jezus Zijn hand op hem legde en toen hij Hem met Zijn diepe en warme stem hoorde zeggen: „Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste".
Alleen Jezus heeft God gezien
God Zelf woont in een ontoegankelijk licht (1 Tim. 6:16). „Niemand heeft God ooit gezien" (Joh. 1:18), ook Mozes en Elia niet. „De eniggeboren Zoon die in de schoot des Vaders is, Die heeft (Hem ons) verklaard". Alsjezus dan ook zegt: „Die Mij heeft gezien, die heeft de Vader gezien" (Joh. 14:9), dan moeten we dat zien als een verklaring van wie de Vader is. Wie wil weten hoe God is, moet naar Jezus kijken. In wat Hij sprak en deed, kun je de luister Gods aanschouwen. In het verschrikkelijke lijden en sterven dat Hij onderging om onze zonden uit te boeten, kun je de vreselijke rechtvaardigheid Gods doorvoelen. In en achter Zijn verschijning in deze wereld staat echter ook de onmetelijke liefde van de Vader. Nogmaals: wil je weten hoe heerlijk, hoe heilig, hoe rechtvaardig en hoe vol barmhartige liefde de Vader is, kijk dan naar Jezus.
Gods voetsporen in de schepping
Toch leert de Schrift ons dat wij ook in de schepping iets van God Zelf kunnen aanschouwen, namelijk „Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid" (Rom. 1:20). Maar slechts zij die de Heere vrezen, zullen dat „iets" van God opmerken. De anderen houden de waarheid in ongerechtigheid ten onder (Rom. 1:18).
Dat lezen we o.a. ook in ps. 111. „Ik zal de Heere loven van ganser harte. De werken des Heeren zijn groot; zij worden gezocht van allen die er lust in hebben". Het Hebreeuwse woord „darash" dat hier met „gezocht" wordt vertaald, heeft de betekenis van „zich ernstig erop toeleggen om iets te kennen, navorsen ".
Van nature hebben wij helemaal geen lust om ons in de werken des Heeren te verdiepen. Wij zijn bang van Hem en ergens hebben we een grondige weerzin tegen Hem, al blijft die weerzin, die eigenlijk een haat is, bij velen diep verscholen achter schijn-vroomheid en godsdienstigheid.
Maar wanneer het de Heere behaagt ons tot Zich te trekken, dan komt er een intens verlangen, een „lust", in ons om overal Zijn heerlijkheid en liefde te ontdekken en om Hem daarin te aanbidden.
Wie is God ?
God is de Onnoembare. Mozes vraagt naar de naam van de Heere God, die hem verscheen in het brandende braambos. En dan luidt het antwoord: „Ik zal zijn die Ik zijn zal" (Ex. 3:14). (Het Hebreeuws kent geen verleden, geen tegenwoordige en geen toekomende tijd van het werkwoord. Je zou hier dus evengoed kunnen vertalen: „Ik ben geweest, die Ik ben geweest", of ook: „Ik ben die Ik ben").
Ik zou dit met nadruk voorop willen stellen. Hij is voor ons slechts noembaar geworden in de Naam van Jezus Christus, maar daarbuiten niet. God zegt niet tot Mozes: „Ik ben die of die", maar slechts „Ik ben". „Ik zal zijn - Heeft mij tot u gezonden" (Ex. 3:14).
Wanneer je de grond van de geschapen wereld navorst, kom je terecht bij de eeuwige Oorsprong van alles, de almachtige Schepper. Maar van Hem kun je telkens alleen maar zeggen: „Hij is niet zoals de schepselen. Hij is oneindig veel groter , schoner, verhevener, waardiger, heiliger, machtiger, wijzer enz.".
Als je dat tot je laat doordringen, kan er een nameloze stilte in je gaan ruisen. Dan is het of je ziel een tempel vol aanbidding wordt. Alles in je verstrakt zich dan. Het is alsof de Adem Gods even aan je voorbij gaat. En tegelijk hijgt alles in je om Hem achterna te gaan. Hoezeer je ook vervuld bent van een onuitsprekelijke eerbied, een eerbied die afstand schept, toch wil je zo dicht mogelijk bij Hem zijn. Hij trekt de laatste krachten in je naar Zich toe. Als een magneet zo haalt Hij al het zuchten naar Hem in je naar boven. Dat zuchten naar Hem kan soms aangroeien tot een schreeuwen, dat echter meteen weer wegzinkt in het murmelen van de eerbied. Dan schreit echt je ziel. Tranen druppelen dan uit je geest, tranen van intens verlangen, het verlangen van de liefde om één te worden met deze Geliefde. Je voelt in je een behoefte om Hem verontschuldiging aan te bieden dat je zo „verliefd" op Hem bent, maar je weet tegelijk dat Hijzelf dat begeren naar Hem in je heeft opgewekt.
God is de Onnoembare. Daarom is Hij zo betoverend voor de ziel aan wie Hij Zich in ontferming heeft geopenbaard. Je roept naar Hem en je weet wel dat dit roepen Hem bereikt, maar de woorden waarin je Hem dan toch benoemt, vervluchtigen op weg naar Hem. Daarom heb je altijd dat verlangen om God te benoemen in Jezus Christus, het vleesgeworden Woord van God.
God is de gans Andere
„Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere. Want (gelijk) de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten hoger dan uw gedachten" (Jes. 55:8-9).
God is de On-eindige, de On-begrensde, de On-metelijke, de On-tijdelijke (dus de Eeuwige). Hij is verheven boven al het eindige, het begrensde, het meetbare, het tijdelijke.
De aanbiddende verwondering over God als de geheel Andere, de Onnoembare, lezen we bij Paulus aldus: „O diepte des rijksdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem weder vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem (zij) de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen" (Rom. 11:33-36).
Als dit voor je is opengegaan, dan kunnen je gedachten over God die uit de Schrift en uit de schepping tot je zijn gekomen, slechts wegvlinderen naar Hem als naar een oneindige ruimte, als naar een tijd, die geen tijd is. Dan sta je voor een oceaan, die oeverloos is, een zee zonder strand, een hemel zonder wolken, maar ook zonder het blauwe firmament.
Dan kun je alleen maar neerzinken aan het strand dat geen strand is en uitroepen: „Hoe groot zijt Gij. Hoe groot zijt Gij!"
Dan stijgt met Paulus deze hulde uit je naar omhoog: „De Koning der eeuwen, nu, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen." (1 Tim. 1:17).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
