GEEN GELOOF zonder bewijs
Dat is echter niet het geval met dit boek van Pé de Bruin (uitg. Bosch en Hoven, postbus 26, Groenekan, 267 blz. ƒ 27,50). De schrijver aanvaardt namelijk de Bijbel als volstrekt onfeilbaar Woord van God. Hij schrijft:
„De Schrift is het woord van God en het bewijst dat dit zo is. Wij kunnen tegenover anderen die zich beroepen op een heilig boek, wél bewijzen dat de Bijbel het enige ware, gezaghebbende boek van God is. God heeft in Zijn woord namelijk een stortvloed aan bewijzen gegeven waardoor de mens kan wéten dat het woord van de Schrift het woord is van God" (pag. 150).
Christus de enige Weg
Ook zijn belijden aangaande Christus is volkomen helder. Ik citeer:
„Ondoorgrondelijk groot is de gerechtigheid van God. Ondoorgrondelijk groot is ook de liefde van God. Zó groot is Gods liefde dat iemand die, bij wijze van spreken, zijn hele leven lang hoerde en snoerde, om van andere zaken nog maar te zwijgen, kan ingaan in de eeuwige zaligheid. „Want een ieder die de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal zalig worden"; „een ieder". Het kerkepad, voor velen een onbegaanbaar pad, is niet de weg die min of meer automatisch uitmondt in de hemel. Jezus is de Weg. Verder is er… niets!" (pag. 248).
„Eens zullen zij die de Naam des HEEREN hebben aangeroepen, ingaan in de eeuwige vreugde. Eens zullen zij binnengaan in de eeuwige lichtzalen van Gods Koninkrijk. En eens zullen zij „als koningen heersen in alle eeuwigheid". Tot in alle eeuwigheid zullen zij leven in een wereld vol liefde, vrede en gerechtigheid" (pag. 249).
Ek laat nu hieronder een gedeelte uit het boek volgen, waaruit duidelijk de visie van de schrijver blijkt:
Als je niet kunt bewijzen dat God bestaat, dan kun je evenmin bewijzen, dat er een woord van God bestaat. We zitten dan met een onbewezen God en met een onbewezen woord van die onbewezen God: de Schrift. We kunnen dan slechts veronderstellen dat er een God is en dat de Schrift het woord bevat van die, veronderstelde God.
Het geloof in die God en in dat woord is dan wel een duistere, een mystieke, zaak. Maar desondanks heeft bij de meeste gelovigen die onbewijsbaarheid, burgerrecht. Geloof kun je niet bewijzen, zo zegt men, want anders zou het toch geen geloof meer zijn?! Dat klinkt wel goed en gelovig, maar het is een gezegde dat toch zeer onjuist is. Men is echter zo vertrouwd met de gedachte dat geloof en bewijs eikaars natuurlijke vijanden zijn, dat men deze gedachte als een vanzelfsprekendheid heeft gevoegd bij zijn geloofsschat. Daar kan het een sluimerend bestaan leiden, omdat het weinig of geen risico loopt door tegenspraak te worden gewekt.
Voor de gelovige geeft dat denkbeeldige gemis aan bewijsbaarheid wel het voordeel, dat hij op het gebied van de bewijsvoering niet aanspreekbaar kan zijn. Een extra voordeel is het voor hem, dat hij ook geen kennis hoeft te verzamelen om bewijzen te kunnen leveren. Dat is een voordeel waarmee het geestelijke gemak wel zeer is gediend!
Nu zijn er in de loop der eeuwen heel wat woorden op de mensheid afgevuurd, die afkomstig heetten te zijn van een of andere godheid.
Ontelbaren hebben in de loop der tijden aan die woorden geloof gehecht. Ze hebben dat gedaan, zonder naar bewijzen te vragen. Het had ook geen enkele zin daar wel naar te vragen, want die bewijzen waren er gewoon niet. Sterker nog: de geschiedenis legde de bewijzen op tafel, dat al die goddelijke mannetjes en vrouwtjes van, bijvoorbeeld, de Romeinen, de Grieken, of de Babeloniërs, niet meer waren dan hersenschimmen. De geschiedenis toonde aan dat al diegenen die de goddelijke santekraam van de oudheid bevolkten, niet meer waard waren, dan de inkt die nodig is om hun namen te schrijven. De Schrift stelt, dat het de openbaring in woorden is van God. Als nu de Schrift zou nalaten daarvoor ook de bewijzen te geven, dan zou het daarin gelijkwaardig zijn aan al die woorden, die de mensheid in de loop der tijden uit „goddelijke sferen" zou hebben geplukt.
Wanneer je God niet kunt bewijzen, dan kan ieder zich de god scheppen die hij zichzelf wenst. Een god die niet bewijsbaar is, die is ook niet aantoonbaar. Die God komt niet konkreet in beeld, maar blijft met zijn contouren, verborgen in het nevelige kleed van de mystiek.
Zoals het eenieder vrijstaat om in een voorbijdrijvende wolk diverse gestalten op te merken, zo staat het dan ook eenieder vrij om in de nevelige slierten van de mystiek zijn eigen godsbeeld op te merken.
Van een onbewezen God kunnen we onmogelijk een woord hebben dat aantoonbaar goddelijk is. Het gevolg van een onbewezen God is een onbewezen woord van God. Dan kom je natuurlijk in een onzinnige situatie terecht. Want, dan kan ieder zich niet alleen de god scheppen die hij zich wenst, maar eveneens een godswoord naar eigen snit. Dan zijn alle „heilige" boeken, en alle godsdiensten die zich op dergelijke boeken baseren, aan elkaar gelijkwaardig. Dan bieden de diverse godsdiensten de stenen waarmee je een wereldkerk kunt bouwen!
Wat hiervan te denken?
Ik meen dat wij sinds de verschijning van de ster, Karl Baxth, aan de dogmatische hemel al te gemakkelijk berust hebben in het feit dat deze bulldozer meende alle bewijzen voor het bestaan van God op de vuilnishoop te kunnen schuiven.
Dat is in strijd met Paulus: „Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, aangezien hetgeen van God kenbaar is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn" (Rom. 1 : 18-20).
Inderdaad, hoe kan een mens vanwege zijn goddeloosheid tot de eeuwige dood veroordeeld worden, wanneer hij op geen enkele wijze in staat zou zijn geweest God te kennen?
Wel zou ik persoonlijk wat meer de nadruk hebben gelegd op het verstand als intuïtief, schouwend vermogen.
Ik ben het helemaal eens met de schrijver, wanneer hij zegt: „Geloof dat zich baseert op gevoel is als staan op een springveren matras: Zo sta je en zo ga je" (pag. 86).
Maar behalve het redenerend verstand dat de bewijzen levert, is er het intuïtief verstand, dat de levende kracht en de samenhang van de bewijzen opspoort en doorziet.
In Rom. 1 : 20 staat dan ook de onzienlijke dingen uit de schepselen „kennende worden doorzien - nooumena kathoratai". „Nooumena" zou je in het algemeen kunnen vertalen: „doordat het verstand er zich op richt", aldus Herman Ridderbos. „Kathoratai" komt van „oratai" = zien, en „katha" = van boven, dus: „van boven af zien, overzien, doorzien". Doordat het verstand zich richt op de schepselen, kan het de onzienlijke dingen van God uit die schepselen overzien, doorschouwen, eruit naar boven halen.
Iemand kan met bewijzen overstelpt worden en desondanks de kracht van de argumenten niet doorzien, totdat er ineens een licht bij hem opgaat en hij uitroept: „Aha, nu begrijp ik het; nu zie ik het".
U begrijpt dat ik dit boek van Pé de Bruin van harte bij u aanbeveel. Het kan u zeer helpen bij uw gesprekken met buitenkerkelijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
